Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-07-31
ECLI:NL:RBROT:2026:9710
Huurachterstand, voorwaardelijke ontbinding/ontruiming. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11666979 CV EXPL 25-10142 datum uitspraak: 31 juli 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van Stichting Hef Wonen, vestigingsplaats: Rotterdam, eiseres, gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V., tegen [gedaagde] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [persoon A] , vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , gedaagde, vertegenwoordigd door: [persoon B] . De partijen worden hierna ‘Hef Wonen’, ‘de bewindvoerder’ en ‘ [persoon A] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 14 april 2025, met bijlagen; de mail van [persoon A] van 1 mei 2025; de brief van de gemachtigde van Hef Wonen van 31 juli 2025, met een bijlage; de mail van de bewindvoerder van 2 oktober 2025, met bijlagen; de akte van Hef Wonen van 9 oktober 2025; de brief van de bewindvoerder van 13 januari 2026, met bijlagen; de akte van Hef Wonen van 5 maart 2026, met bijlagen; de mail van de gemachtigde van Hef Wonen van 1 april 2026, met bijlagen; de akte van Hef Wonen van 30 april 2026, met een bijlage; de rolbeslissing van 29 mei 2026; de brief van de bewindvoerder van 2 juni 2026, met bijlagen; de brief van de bewindvoerder, ontvangen op 30 juni 2026, met een bijlage; de akte van Hef Wonen van 2 juli 2026, met een bijlage. 1.2. Op 7 augustus 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: de gemachtigde van Hef Wonen; de heer [persoon B] namens de bewindvoerder. 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. [persoon A] huurt de woning aan de [adres] in Rotterdam van Hef Wonen. De (toekomstige) goederen van [persoon A] zijn onder bewind gesteld. Daarom is de bewindvoerder in deze procedure de formele procespartij. Er is sprake van een huurachterstand. Hef Wonen wil dat de huurachterstand en de lopende huur worden betaald. Hef Wonen wil ook dat de huurovereenkomst eindigt en dat [persoon A] vertrekt uit de woning. 2.2. Om een einde aan deze rechtszaak te maken hebben de partijen afgesproken dat de bewindvoerder gedurende een periode van 18 maanden de lopende huur moet betalen. Als de bewindvoerder zich houdt aan die regeling, hoeven de huurachterstand met bijkomende kosten niet meer te worden betaald. Als de bewindvoerder zich niet aan de regeling houdt, moeten de huurachterstand en bijkomende kosten alsnog worden betaald. Ook eindigt in dat geval de huurovereenkomst en moet [persoon A] de woning verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom. De bewindvoerder moet in dat geval een huurachterstand van € 4.542,07 betalen 2.3. De bewindvoerder wordt in dat geval veroordeeld om € 4.542,07 aan Hef Wonen te betalen. Volgens Hef Wonen is dit de huurachterstand tot en met april 2026. De bewindvoerder heeft niet aangegeven dat dit bedrag niet klopt, zodat de kantonrechter ervan uitgaan dat dit bedrag juist is. De bewindvoerder moet in dat geval rente betalen 2.4. Hef Wonen heeft genoeg gesteld waaruit volgt dat de rente moet worden betaald en de bewindvoerder heeft dat niet betwist. Daarom zal, als de lopende huur gedurende 18 maanden niet tijdig wordt betaald, ook een bedrag van € 58,07 aan rente tot 14 april 2025 betaald moeten worden. VGO hoeft geen incassokosten te betalen 2.5. De bepaling in de huurovereenkomst over de buitengerechtelijke kosten is oneerlijk. In de huurovereenkomst is de volgende bepaling opgenomen: “Overige kosten Alle ter uitvoering van deze overeenkomst te maken of gemaakte kosten, waaronder begrepen administratiekosten, omzetbelasting alsmede alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten die de huurder of verhuurder maakt, omdat de wederpartij enige bepaling van de overeenkomst en de daarbij behorende Algemene huurvoorwaarden niet nakomt, zijn voor rekening van de partij die de wanprestatie pleegt.” 2.6. Deze bepaling wijkt in het nadeel van de consument af van de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW). Een bepaling die de handelaar recht geeft op buitengerechtelijke kosten is op zich toegestaan, maar dan moet wel zijn voldaan aan de voorwaarde dat de bepaling de handelaar geen recht mag geven op een hoger bedrag dan is toegestaan op grond van de wet. Aan deze voorwaarde is hier niet voldaan, omdat in de bepaling is opgenomen dat alle buitengerechtelijke kosten door de wanpresterende partij moeten worden betaald aan de wederpartij die de kosten heeft gemaakt. De bepaling is alleen al daarom oneerlijk zodat de vergoeding voor incassokosten wordt afgewezen. Verder geen oneerlijke bepalingen 2.7. De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst. De bewindvoerder moet in dat geval de proceskosten betalen 2.8. De proceskosten komen in dat geval voor rekening van de bewindvoerder, omdat zij kan worden aangemerkt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die de bewindvoerder aan Hef Wonen moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 543,- aan griffierecht, € 576,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 288,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.408,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De partijen hebben afspraken gemaakt 2.9. Hef Wonen heeft op 29 april 2026 het saneringsvoorstel (een nul-aanbod) van de gemeente Rotterdam geaccepteerd. Dit voorstel houdt in dat de bewindvoerder de huurachterstand met kosten niet hoeft te betalen als de bewindvoerder gedurende een periode van 18 maanden de lopende huur op tijd blijft betalen. Ontbinding en ontruiming als de bewindvoerder zich niet aan de regeling houdt 2.10. De kantonrechter mag een huurovereenkomst alleen ontbinden als de huurachterstand ernstig genoeg is. Meestal zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. Gelet op alle omstandigheden in deze zaak, waaronder de huurachterstand van ruim 6 maanden, wordt de gevraagde ontbinding toegewezen als de bewindvoerder tijdens een periode van 18 maanden vanaf de acceptatie van het saneringsvoorstel de lopende huur niet op tijd betaalt. De bewindvoerder moet dan ook rente betalen over het totale bedrag dat op dat moment open staat. 2.11. Als de huurovereenkomst eindigt, moet [persoon A] de woning met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen na de ontbinding. Tot en met de dag van de ontruiming moet de bewindvoerder dan een gebruiksvergoeding van € 603,82 en per 1 juli 2026 € 625,16 per maand betalen, met de verhoging die is toegestaan (artikel 7:225 BW). Hef Wonen eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom de bewindvoerder die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard 2.12. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Hef Wonen dat eist en De bewindvoerder daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt de bewindvoerder om aan Hef Wonen te betalen € 4.600,14 aan huurachterstand tot en met april 2026 en rente tot 14 april 2025, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de huurachterstand die na iedere betaling vanaf 14 april 2025 heeft opengestaan tot de dag dat volledig is betaald; 3.2. veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten, die aan de kant van Hef Wonen worden begroot op € 1.408,45; 3.3.