Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-07-30
ECLI:NL:RBROT:2026:9708
Loonvordering. Werknemer heeft te laat geklaagd over indeling functiegroep. Voor de overuren krijgt werknemer een bewijsopdracht. Werkgever is niet-ontvankelijk in haar tegeneis, omdat deze te laat is ingediend. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Dordrecht zaaknummer: 11983354 CV EXPL 25-4720 datum uitspraak: 30 juli 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [werknemer] , woonplaats: [woonplaats] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, gemachtigde: mr. R. Aolad Si Mhammad, tegen [werkgever] , vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, gemachtigde: mr. Y. Ooijkaas. De partijen worden hierna ‘ [werknemer] ’ en ‘ [werkgever] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 19 november 2026, met bijlagen; het antwoord, met bijlagen; de akte van [werkgever] , met een tegeneis, met bijlagen; de akte van [werknemer] , met een wijziging van eis, met bijlagen; een nadere productie (nr. 13) van [werknemer] ; de mail van de gemachtigde van [werkgever] van 10 april 2026, met bijlagen; de akte overlegging producties van [werkgever] , met bijlagen; de akte, tevens reactie op de akte van het restaurant, van [werknemer] , met bijlagen; de mail van de gemachtigde van [werkgever] van 18 juni 2026. 1.2. Op 22 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [werknemer] en zijn echtgenote, bijgestaan door de gemachtigde; namens [werkgever] de heer [persoon A] en mevrouw [persoon B] , bijgestaan door de gemachtigde. 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. [werknemer] heeft bij [werkgever] gewerkt. Volgens [werknemer] heeft hij tijdens zijn dienstverband te weinig loon ontvangen, omdat hij in de verkeerde functiegroep is ingedeeld. Ook vindt [werknemer] dat [werkgever] nog overuren, vakantiedagen en vakantiebijslag moet betalen. Hij eist – na vermeerdering van eis - dat [werkgever] nog € 33.833,85 bruto aan achterstallig loon aan hem betaald, te vermeerderen met de loonheffingen, vakantiegeld en vakantiedagen inclusief loonheffingen, wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Ook eist [werknemer] dat [werkgever] een deugdelijke (salaris)specificatie en de urenadministratie aan hem verstrekt en dat [werkgever] een dwangsom moet betalen als zij zich niet aan de veroordelingen houdt. Tot slot eist [werknemer] verstrekking van camerabeelden, wederom op straffe van een dwangsom. 2.2. [werkgever] is het niet eens met de eis en heeft een tegeneis ingesteld. Wat is er van belang? 2.3. [werknemer] heeft van 1 september 2023 tot en met 31 mei 2025 als Chef-kok gewerkt bij [werkgever] . In de arbeidsovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende opgenomen: “(…) 1.2 De werknemer wordt ingezet als : Vakkracht (Chef-kok) (…) 3.1 De werknemer wordt aangesteld voor de werkzaamheden van de bedrijfsfunctie Chef-kok . Deze functie is bij de indeling vergeleken met referentiefunctie(s) Chef-kok luxe restaurant met referentienummer K.9.1 uit het Handboek Referentiefuncties Bedrijfstak Horeca (zie ook www.referentiefunctieshoreca.nl). 3.2 De werknemer Wordt als vakkracht ingedeeld in functiegroep Chef-kok conform het Handboek Referentiefuncties Bedrijfstak Horeca. (…) 3.5.1 Salaris Werknemer ontvangt een salaris van € 2.500,00 netto per maand, uitgaande van een dienstverband van 40 uur per week, uit te betalen op de laatste dag van de kalendermaand. Werkgever verstrekt Werknemer een gespecificeerde opgave van het aantal gewerkte uren, het uitbetaalde salaris en de inhoudingen daarop. 3.5.2 Het salaris als bedoeld in lid 1 is een all-in salaris. Dit houdt in dat het uitbetaalde salaris inclusief zondag- en onregelmatigheidstoeslag, en alle overige vergoedingen en toeslagen hoe genaamd of van welke aard ook, waarop Werknemer jegens Werkgever krachtens de wet en/of een andere regeling van loon en arbeidsvoorwaarden te eniger tijd aanspraak zou hebben, in het salaris inbegrepen is. (…) 7.1 Op deze arbeidsovereenkomst is de horeca-cao 2020 van toepassing inclusief eventuele toekomstige wijzigen en deze maken dan ook integraal onderdeel uit van deze arbeidsovereenkomst. (…)” Uitkomst 2.4. Om een inhoudelijke beslissing over de eis van [werknemer] te kunnen nemen, heeft de kantonrechter meer informatie nodig van beide partijen en krijgt [werknemer] een bewijsopdracht. [werkgever] is niet-ontvankelijk in haar tegeneis. Hierna wordt toegelicht waarom. De loonvordering van [werknemer] Functiegroep 2.5. Op de website https://www.referentiefunctieshoreca.nl/referentiefuncties/chefkok-ii/niveau-onderscheidende-kenmerken, waar in de arbeidsovereenkomst naar wordt verwezen, staat dat chef-koks op basis van de typering van de kaart en het bereidingsproces, de omvang van de keukencrew, de zelfstandigheid, de aard van de werkzaamheden en de kennis en ervaring ingedeeld worden in drie verschillende functiegroepen: functiegroep 7 voor Chefkok I, functiegroep 8 voor Chefkok II en functiegroep 9 voor Chefkok III. Volgens [werknemer] had hij in functiegroep 8 ingedeeld moeten worden en het voor die categorie vastgestelde salaris moeten ontvangen. [werkgever] is het daar niet mee eens: [werknemer] voldoet volgens haar niet aan de vereisten voor functiegroep 8 en heeft het ontvangen salaris tijdens zijn dienstverband altijd zonder protest geaccepteerd. [werknemer] heeft te laat geklaagd 2.6. De kantonrechter begrijpt uit het verweer van [werkgever] dat zij zich beroept op de klachtplicht (artikel 6:89 BW). De klachtplicht houdt in dat een werknemer op tijd moet klagen over bijvoorbeeld het ontvangen van het onjuiste loon, omdat anders zijn recht daarop vervalt. 2.7. Dit verweer van [werkgever] slaagt. Het is namelijk niet gebleken dat [werknemer] tijdens zijn dienstverband heeft geklaagd dat hij niet in functiegroep 8 is ingedeeld, terwijl hij vanaf het moment dat hij de arbeidsovereenkomst onder ogen kreeg de in rechtsoverweging 2.5. genoemde website al kon raadplegen. Die website wordt daarin immers expliciet genoemd. Ook bij een wijziging van zijn taken had [werknemer] zich ervan bewust kunnen zijn dat een hogere functiegroep wellicht passend zou zijn. Het is echter niet gebleken dat hij met zijn werkgever in gesprek is gegaan. Pas bij brief van zijn gemachtigde van 4 augustus 2025, ruim twee maanden na het einde van het dienstverband, maakt [werknemer] bezwaar tegen de indeling en het daaraan gekoppelde loon. Door dit tijdsverloop van bijna twee jaar vanaf het moment dat [werknemer] bekend kon zijn met de vereisten voor functiegroep 8 en het moment waarop hij zijn bezwaar kenbaar heeft gemaakt, is [werkgever] in haar belangen is geschaad; dat geldt niet alleen haar financiële belangen maar ook de bewijspositie ten aanzien van de toepasselijke functiegroep. Dat betekent dat als [werknemer] al in functiegroep 8 ingedeeld had moeten worden, wat op basis van de door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden niet vast is komen te staan, hij nu geen aanspraak meer kan maken op een nabetaling. Dit deel van de eis wordt daarom afgewezen. Overuren Cao Horeca 2.8. Het verweer van [werkgever] dat overwerkuren bij het all-in loon zijn inbegrepen en [werknemer] dus geen aanspraak kan maken op betaling van overuren, slaagt niet. De reden daarvan is als volgt. 2.9. Op de arbeidsovereenkomst van [werknemer] was de cao Horeca van toepassing. Deze cao heeft een minimum karakter. Dat betekent dat de partijen zich minimaal aan deze cao moeten houden, maar dat de werkgever meer mág geven. 2.10. In de periode waarover [werknemer] overuren vordert, waren achtereenvolgens de cao voor de periode 2023, de cao voor de periode 2024, en de cao voor de periode 2025-2026 van toepassing. Al deze versies, en ook de in de arbeidsovereenkomst genoemde versie van 2020, regelen de vergoeding van overwerk en de mogelijkheid om ‘tijd voor tijd’ dan wel een uitbetaling van overuren te krijgen. Gelet op deze cao-bepalingen is het niet mogelijk om overuren inbegrepen te laten zijn in een all-in salaris. Dit zou namelijk een afwijking van de cao in het nadeel van de werknemer zijn, wat niet is toegestaan bij een minimum cao. Nadere informatie en bewijsopdracht [werknemer] 2.11. Volgens [werknemer] heeft hij tijdens zijn dienstverband structureel overuren gemaakt (ongeveer 15 uur per week) en moet [werkgever] deze uren nog aan hem uitbetalen. [werkgever] heeft de omvang van de overuren gemotiveerd betwist. 2.12. In de berekening van zijn loonvordering uit hoofde van overuren is [werknemer] uitgegaan van het uurloon dat hoort bij functiegroep 8. Zoals hiervoor is overwogen, kan hij echter geen aanspraak op dit uurloon maken. [werknemer] wordt daarom in de gelegenheid gesteld een nieuwe berekening over te leggen van de hoogte van zijn eis. 2.13. Verder geldt dat [werknemer] de bewijslast heeft van zijn stelling dat [werkgever] nog 1.104,15 overuren aan hem moet uitbetalen. [werknemer] krijgt daarom een bewijsopdracht. 2.14. Direct nadat [werknemer] bewijs heeft geleverd, mag [werkgever] (tegen)bewijs leveren. De partijen mogen pas op elkaars bewijs reageren als het leveren van bewijs door beide partijen is afgerond. De kantonrechter beoordeelt daarna of het bewijs geleverd is. Nadere informatie van [werkgever] 2.15. Van een werkgever mag worden verwacht dat er een goede urenregistratie wordt bijgehouden. Tijdens de zitting is [werkgever] in de gelegenheid gesteld WhatsApp-correspondentie in het geding te brengen waaruit volgens haar blijkt dat [werknemer] zelf ook toegang had tot het urenregistratiesysteem en de planning. [werkgever] heeft vervolgens een akte genomen, maar deze stukken heeft zij niet overgelegd. [werkgever] wordt in de gelegenheid gesteld om dit alsnog te doen. Aanhouding verdere beslissingen 2.16. Iedere verdere beslissing in conventie wordt aangehouden. [werkgever] is niet-ontvankelijk in haar tegeneis 2.17. Zoals tijdens de zitting besproken is [werkgever] niet-ontvankelijk in haar tegeneis, omdat deze te laat is ingediend. Een tegeneis moet bij de conclusie van antwoord worden ingesteld (artikel 137 Rv). [werkgever] heeft dat pas enkele weken later gedaan. De kantonrechter ziet geen redenen om de tegeneis toch toe te laten. Het antwoord biedt immers geen aanknopingspunten voor de tegeneis en de kantonrechter ziet ook geen nauwe samenhang met het verweer in conventie. 2.18. In reconventie komen de proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [werkgever] aan [werknemer] moet betalen op € 1.154,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten × € 577,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.298,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen op de wijze zoals vermeld in de beslissing. 2.19. Dit vonnis wordt voor wat betreft deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [werknemer] dat eist en [werkgever] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat dit deel van het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3 De beslissing De kantonrechter: In conventie: Nadere specificatie van de eis 3.1. stelt [werknemer] in de gelegenheid om een nieuwe specificatie/berekening van zijn eis over te leggen, welke specificatie/berekening uiterlijk een dag voor de rolzitting van donderdag 27 augustus 2026 om 10:00 uur in tweevoud moet zijn ontvangen op de rechtbank; Bewijsopdracht 3.2. draagt [werknemer] op om te bewijzen dat [werkgever] nog 1.104,15 overuren aan hem moet uitbetalen; 3.3. bepaalt dat als [werknemer] schriftelijk bewijs wil leveren dit bewijs uiterlijk een dag voor de rolzitting van donderdag 27 augustus 2026 om 10:00 uur in tweevoud moet zijn ontvangen op de rechtbank; 3.4. bepaalt dat als [werknemer] getuigen wil laten horen, hij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd het aantal en de personalia van de getuigen moet opgeven en de verhinderdata van de getuigen en beide partijen voor de periode september 2026 tot en met februari 2027; 3.5. wijst erop dat [werknemer] na het bepalen van een datum en plaats voor het getuigenverhoor zelf de getuigen moet oproepen; 3.6. bepaalt dat als [werknemer] op een andere manier bewijs wil leveren, hij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd aan de kantonrechter moet laten weten hoe; Nadere informatie van [werkgever] 3.7. stelt [werknemer] in de gelegenheid om een nieuwe specificatie/berekening van zijn eis over te leggen, welke specificatie/berekening uiterlijk een dag voor de rolzitting van donderdag 27 augustus 2026 om 10:00 uur in tweevoud moet zijn ontvangen op de rechtbank; 3.8. houdt iedere verdere beslissing aan; In reconventie: 3.9. verklaart [werkgever] niet-ontvankelijk in haar eis; 3.10. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten, die aan de kant van [werknemer] worden begroot op € 1.298,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald; 3.11. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. R.R. Roukema en in het openbaar uitgesproken. 43416