Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-08-04
ECLI:NL:RBROT:2026:9577
In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening tegen een last tot onmiddellijke onthouding van de beroepsactiviteiten (LOOB) op grond van de Wet BIG. De IGJ heeft bepaald dat verzoekster haar werkzaamheden als huisarts voorlopig niet meer mag verrichten totdat het Regionaal tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft geoordeeld over de zaak. De IGJ heeft daarnaast besloten een zakelijke weergave van de LOOB openbaar te zullen maken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de IGJ zich terecht bevoegd geacht tot het opleggen van de LOOB en hoefde de IGJ niet af te zien van het opleggen van de LOOB. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat de zakelijke weergave van de LOOB openbaar mag worden gemaakt. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/5922 uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 augustus 2026 in de zaak tussen [naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. M.F. Mooibroek), en de hoofdinspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de IGJ), (gemachtigden: mr. N. Amini Abyaneh en mr. L.J. Huntelaar). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een opgelegde last tot onmiddellijke onthouding van beroepsactiviteiten aan een beroepsbeoefenaar die als arts in het BIG-register (BIG: beroepen in de individuele gezondheidszorg) staat geregistreerd. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 15 juli 2026 heeft de IGJ bepaald dat verzoekster met onmiddellijke ingang geen werkzaamheden als huisarts mag verrichten totdat het Regionaal tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (het tuchtcollege) heeft geoordeeld over de zaak. De IGJ heeft ook bepaald dat een zakelijke weergave van deze last openbaar zal worden gemaakt. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door haar partner (beiden via Teams), verzoeksters gemachtigde en de gemachtigden van de IGJ, vergezeld door inspecteur [persoon A] . Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat het om in deze zaak? 3. Verzoekster is huisarts en is als zodanig BIG-geregistreerd sinds 23 oktober 2007. Op 26 juni 2023 ontving de IGJ voor het eerst een melding van de GGD Zuid Holland-Zuid van vermeend drank- en middelengebruik bij verzoekster. Daarna zijn een drietal meldingen binnengekomen bij de IGJ over vermeend alcoholmisbruik van verzoekster en zorgen die de melders hebben geuit over de kwaliteit van de geleverde zorg. Het inspectieonderzoek heeft plaatsgevonden van juni 2023 tot juni 2026. Een externe deskundige (psychiater) heeft daarnaast in opdracht van de IGJ verzoekster onderzocht en in zijn rapport van 29 december 2025 geconcludeerd dat bij verzoekster sprake is van een aangetoonde ernstige stoornis in het gebruik van alcohol, in vroege remissie, en een andere gespecificeerde psychische stoornis, gekenmerkt door een langdurig patroon van defensief, inconsistent en niet-valide rapporteren over klachten, middelengebruik en de gevolgen daarvan. Volgens de psychiater is verzoekster moeilijk in de zorg te krijgen. Gelet op de duur en ernst van de alcoholstoornis, de somatische en sociale consequenties, de beperkte behandelrespons tot dusver en de blijvende inconsistentie in de zelfrapportage, acht de psychiater de prognose voor duurzaam herstel onder de huidige omstandigheden ongunstig. Verzoekster heeft volgens de IGJ twee maal onzorgvuldig gehandeld door huisartsgeneeskundige zorg te leveren terwijl zij aantoonbaar onder invloed was van alcohol, op basis van een alcoholfoetor (dat is de medische term voor alcohollucht uit adem) en een verhoogd gemeten alcoholpromillage. Hiermee heeft verzoekster volgens de IGJ in strijd gehandeld met de richtlijnen en beroepsnormen van de beroepsgroep (KNMG). Verzoekster heeft verschillende maatregelen genomen ter preventie en om de trigger voor alcoholgebruik (stress) weg te nemen, zoals een terugvalpreventieplan, behandeling bij een GGZ-instelling en de voorgenomen verkoop van de praktijk. Omdat verzoekster niet altijd eerlijk is geweest, heeft de IGJ onvoldoende vertrouwen in de verbeterkracht van verzoekster. Op 3 juli 2026 heeft de IGJ een melding ontvangen over een incident waaruit bleek dat sprake is van een terugval in verzoeksters alcoholverslaving, waaruit naar voren is gekomen dat er sprake is van een actueel en ernstig risico voor de patiëntveiligheid. Het risico dat patiënten worden blootgesteld aan onveilige, onverantwoorde of uitblijvende zorg is onder deze omstandigheden zodanig ernstig dat volgens de IGJ een onmiddellijke interventie gerechtvaardigd is. Gelet hierop heeft de IGJ een last tot onmiddellijke onthouding van de beroepsactiviteiten (LOOB) opgelegd als bedoeld in artikel 85a van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG). Op basis van de bevindingen uit het inspectieonderzoek heeft de IGJ het standpunt ingenomen dat er een aanmerkelijke kans bestaat dat verzoeksters gedragingen leiden tot een ernstige benadeling van de gezondheid van personen en dat de gedragingen blijk geven van een persoonlijkheid die zich niet verdraagt met het uitgeoefende beroep van huisarts. De IGJ heeft verder bepaald een zakelijke weergave van de LOOB openbaar te zullen maken. 4. Verzoekster is het niet eens met het besluit tot het opleggen van de LOOB en met het besluit tot openbaarmaking ervan. Zij vindt dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Verzoekster betoogt dat de IGJ niet bevoegd was om het besluit te nemen omdat er een onvoldoende actuele en concrete grondslag is voor een LOOB. In dat verband voert verzoekster aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar minder verstrekkende alternatieven. Verder heeft de IGJ volgens verzoekster geen goede belangenafweging gemaakt en ten onrechte niet onderkend dat het besluit voor haar onevenredige gevolgen heeft. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het besluit tot oplegging van de LOOB en de openbaarmaking daarvan worden geschorst totdat is beslist op haar bezwaar. Spoedeisend belang 5. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als sprake is van onverwijlde spoed, waardoor het besluit op het bezwaar niet kan worden afgewacht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in dit geval evident dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar verzoek om voorlopige voorziening. Door de LOOB kan zij haar werkzaamheden als huisarts niet meer verrichten. Daarnaast geldt voor de openbaarmaking van de zakelijke weergave van de LOOB dat alleen al vanwege het onomkeerbare karakter van de openbaarmaking er een spoedeisend belang is bij de beoordeling van dat deel van het bestreden besluit. Beoordeling door de voorzieningenrechter 6. In deze voorlopige voorzieningenprocedure gaat het om de vraag of de IGJ een LOOB mocht opleggen omdat de uitkomst van de procedure bij het regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg niet kan worden afgewacht. Het is uiteindelijk aan dat tuchtcollege om te beoordelen of verzoekster het beroep van huisarts mag blijven uitoefenen. Voor de relevante wet- en regelgeving verwijst de voorzieningenrechter naar de bijlage bij deze uitspraak. De LOOB 7. De LOOB is een ingrijpende maatregel die zeer zelden wordt opgelegd. Een beroepsbeoefenaar kan door deze maatregel het beroep tijdelijk niet meer uitoefenen. Bij het opleggen van een LOOB gaat het volgens artikel 85a van de Wet BIG om gedragingen van de beroepsbeoefenaar die hebben geleid tot ernstige benadeling van de gezondheid van personen of een aanmerkelijke kans daarop, dan wel om gedragingen die blijk geven van een persoonlijkheid die zich niet verdraagt met het door hem of haar uitgeoefende beroep. Daarnaast geldt dat de gedragingen van de beroepsbeoefenaar van zodanige aard zijn dat het belang van de volksgezondheid meebrengt dat de beroepsbeoefenaar de beroepsactiviteiten staakt totdat een regionaal tuchtcollege als bedoeld in artikel 47, derde lid, van de Wet BIG over dat handelen heeft geoordeeld. De LOOB is bedoeld voor uitzonderlijke gevallen waarin geen vooruitzicht op verbetering lijkt te bestaan en het niet verantwoord is zonder toetsing door het tuchtcollege die beroepsbeoefenaar aan het werk te laten of eventueel het werk te laten hervatten. De maatregel moet voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. 8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de IGJ zich terecht bevoegd heeft geacht tot het opleggen van de LOOB. In wat verzoekster naar voren heeft gebracht ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de IGJ niet toereikend heeft onderbouwd dat en waarom er in dit geval goede gronden bestaan om deze ingrijpende maatregel te nemen. In dat verband overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Uit het dossier komt naar voren dat sinds 2023 meerdere meldingen zijn gedaan (onder meer over dat verzoekster zichzelf benzodiazepinen en oxycodon voorschrijft, alcoholgebruik, een ziekenhuisopname van verzoekster waarbij volgens de melder geen afspraken waren gemaakt over het opvangen van spoedzorg). Bij de meldingen waren zorgen geuit over de kwaliteit van de door verzoekster verleende zorg. De IGJ is een inspectieonderzoek gestart dat in totaal drie jaar heeft geduurd. Uit dat inspectieonderzoek blijkt genoegzaam dat de situatie gedurende de onderzoeksperiode kwetsbaar is geweest, met risico’s voor de patiëntveiligheid. Gedurende de onderzoeksperiode hebben op twee momenten, op 2 juli 2024 en op 25 juni 2025, daadwerkelijk incidenten plaatsgevonden. Door collega’s uit de huisartsengroep (hagro) is gemeld dat verzoekster op de praktijk aanwezig was met een alcoholfoetor. Daarbij is bij het eerste incident na meting een ethanolspiegel van 3,3 promille gemeten. Bij het tweede incident zijn, na toestemming van verzoekster, haar kasten en tas op de praktijk doorzocht waarbij vier (bijna) lege wijnflessen en een blik bier zijn aangetroffen. De IGJ heeft verder meerdere malen met verzoekster gesproken. Ten aanzien van het alcoholgebruik komt uit het dossier naar voren dat verzoekster zich in 2023 vrijwillig onder behandeling heeft gesteld bij GGZ-instelling Antes, maar dat het lastig bleek tot structurele afspraken te komen. Er zijn op meerdere momenten positieve urinedrugscontroles geobjectiveerd. Verzoekster heeft zich in 2025 vrijwillig laten opnemen op de gesloten afdeling van een GGZ-kliniek, waarna verzoekster de (ambulante) behandeling bij Antes heeft hervat. Verzoekster heeft in verband met het overmatig alcoholgebruik verschillende afspraken met de IGJ gemaakt die gericht zijn op het wegnemen van de risico’s voor de patiëntveiligheid, welke minder verstrekkend waren dan de LOOB. De maatregelen zijn er ook op gericht om stress en angst/paniek te voorkomen, die volgens verzoekster een trigger vormen voor alcoholgebruik. Zo is een signaleringsplan opgesteld voor verzoekster in geval van een terugval. Ook heeft verzoekster aangegeven de praktijk te willen verkopen zodat ze in dienstverband kan werken in plaats van als praktijkhouder. Op 3 juli 2026 heeft een derde incident plaatsgevonden in relatie tot alcohol, op de dag dat verzoekster euthanasie zou uitvoeren bij een patiënt. Uit het dossier komt naar voren dat verzoekster zich die ochtend heeft ziekgemeld vanwege te veel stress. De doktersassistente heeft verzoekster later die ochtend op de achterbank van haar auto aangetroffen met een fles wijn, waarna de politie is gekomen. Aan verzoekster is een rijontzegging voor 24 uur opgelegd en zij is tot 9 juli 2026 met een crisismaatregel gedwongen opgenomen geweest bij een GGZ-kliniek. Omdat verzoekster geen waarneming had geregeld kon de geplande euthanasie geen doorgang vinden terwijl verzoekster de patiënt en betrokkenen daarover niet heeft ingelicht. Gelet op dit incident mocht de IGJ naar oordeel van de voorzieningenrechter het standpunt innemen dat sprake is van een actueel en ernstig risico voor de patiëntveiligheid en de continuïteit van de zorg en verder dat er onvoldoende vertrouwen is in de verbeterkracht van verzoekster. De stelling van verzoekster, dat zij ten tijde van de ziekmeldding op 3 juli 2026 nog niet onder invloed was onder alcohol, leidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet tot een andere conclusie. Gelet op de voorgeschiedenis van de afgelopen jaren staat het incident van 3 juli 2026 niet op zichzelf. Dit incident, dat verzoekster terecht zwaar wordt aangerekend, dient te worden bezien in samenhang met de feiten en omstandigheden over het alcoholgebruik van verzoekster uit de onderzoeksperiode (van 2023 tot en met 2026), die door de IGJ in het besluit zeer uitgebreid zijn beschreven. Daarnaast geldt dat vóór dit incident concrete afspraken met de IGJ zijn gemaakt en maatregelen zijn getroffen, waarbij naast verzoekster en de IGJ ook collega’s en praktijkmedewerkers zijn betrokken, om juist in het geval van stress tijdig te kunnen signaleren dat het niet goed gaat met verzoekster. Het signaleringsplan heeft de terugval in het alcoholgebruik en het recente incident echter niet voorkomen. De IGJ heeft daarom het standpunt kunnen innemen dat deze maatregelen niet toereikend zijn om het onmiddellijke risico voor de patiëntveiligheid weg te nemen en dat dit risico momenteel voortduurt. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat een externe psychiatrische expertise heeft plaatsgevonden waarvan de conclusies zijn neergelegd in het deskundigenrapport van 29 december 2025. De psychiater heeft vastgesteld dat bij verzoekster sprake is van een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol, in vroege remissie, en een langdurig patroon van defensief, inconsistent en niet-valide rapporteren over klachten, middelengebruik en de gevolgen daarvan. Daarnaast kampt verzoekster met medische problematiek als gevolg van overmatig alcoholgebruik. De IGJ mocht gelet hierop het standpunt innemen dat de LOOB een proportionele maatregel is en er geen lichtere maatregel kon worden opgelegd. De afgelopen jaren is voldoende geprobeerd om verzoekster veilig haar beroep te laten uitoefenen maar zo kan het niet verder. De door verzoekster aangehaalde alternatieven, zoals een meldplicht voor verzoekster wanneer zij weer aan het werk gaat als huisarts of een achtervangregeling, zijn te zeer afhankelijk van haar medewerking en juridisch niet afdwingbaar. Gelet op de inmiddels duurzame problematiek, de recente terugval in het alcoholmisbruik, de risico’s die dat oplevert voor patiënten en de inschatting in het deskundigenrapport dat de beperkte behandelrespons tot dusver en de blijvende inconsistentie in zelfrapportage de prognose voor duurzaam herstel onder de huidige omstandigheden ongunstig maken, is er een acuut risico dat dient te worden weggenomen. 9. Over haar belangen heeft verzoekster aangevoerd dat zij door de LOOB niet naar de praktijk kan komen om de administratie af te wikkelen. Op de zitting heeft zij toegelicht dat de LOOB leidt tot problemen met waarneming, risico op ontregeling of sluiting van de praktijk en financiële en contractuele consequenties met ketenpartners. Als zij niet mag werken, komen haar patiënten zonder huisarts te zitten. Daarnaast is verzoekster voornemens de praktijk te verkopen. Dit is echter nog niet contractueel vastgelegd. De LOOB staat overdracht van de praktijk mogelijk in de weg. Verzoekster wil na de verkoop van de praktijk voor twee tot drie dagen in de week aan het werk gaan als (waarnemend) huisarts, in dienst van de nieuwe praktijkhouder. De LOOB maakt dit onmogelijk. De voorzieningenrechter realiseert zich dat verzoekster zwaar wordt geraakt door de genomen maatregel omdat zij tijdelijk haar beroep niet meer kan uitoefenen. De IGJ heeft dit ook onder ogen gezien. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de IGJ echter het belang van de volksgezondheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van verzoekster om haar beroep als huisarts (voorlopig) voort te zetten. Aan de stelling van verzoekster dat de stress, en daarmee de oorzaak van het overmatige alcoholgebruik, zal worden weggenomen door de verkoop van de praktijk, kent de voorzieningenrechter niet het gewicht toe dat zij daaraan gehecht wil zien. Uit de stukken komt naar voren dat de stress niet alleen voortkomt uit de werkzaamheden als praktijkhouder. Er hebben in een periode van drie jaar meerdere incidenten plaatsgevonden in de beroepsuitoefening in relatie tot stress en/of alcoholgebruik. Ook staat niet vast dat bij het wegnemen van stressfactoren geen sprake meer zal zijn van alcoholmisbruik met effecten op de te verlenen huisartsenzorg. Ook in de andere door verzoekster genoemde belangen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat deze belangen zwaarder dienen te wegen dan het belang van de volksgezondheid. Ten aanzien van de praktijk heeft de gemachtigde van de IGJ op zitting benadrukt dat de LOOB enkel een beroepsbeperkende maatregel is. Dat wil zeggen dat verzoekster geen huisartsenzorg aan patiënten meer mag verlenen. Dit betekent niet dat zij fysiek niet in de praktijk mag zijn om andere (administratieve) handelingen te verrichten die van belang zijn voor de bedrijfsvoering of de overdracht van de praktijk. In wat verzoekster naar voren heeft gebracht ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de continuïteit van de praktijk in gevaar komt. Op zitting heeft verzoekster namelijk verklaard dat de waarneming tot januari 2027 is geregeld. Over de patiënten van de praktijk heeft de IGJ op zitting nog toegelicht dat ook de zorgverzekeraars gehouden zijn om de beschikbaarheid van goede huisartsenzorg te garanderen. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat de LOOB gevolgen heeft voor de voorgenomen overname, nu verzoekster op zitting desgevraagd heeft verklaard dat de gegadigde op de hoogte is van haar situatie en het feit dat haar de LOOB is opgelegd. 10. Gezien al het voorgaande en gelet op de bevindingen van het inspectieonderzoek mocht de IGJ naar het oordeel van de voorzieningenrechter het standpunt innemen dat verzoeksters gedragingen hebben geleid tot een ernstige benadeling van de gezondheid van personen. Verder bestaat in zoverre een aanmerkelijke kans op herhaling. Bovendien heeft de IGJ in het licht van de hiervoor genoemde conclusies van de psychiater voldoende gemotiveerd dat de stoornis in het gebruik van alcohol blijk geeft van een persoonlijkheid die zich niet verdraagt met het uitgeoefende beroep van huisarts. De voorzieningenrechter vindt de situatie op dit moment zo zorgelijk dat het niet verantwoord is om zonder toetsing door het regionaal medisch tuchtcollege verzoekster na haar vakantie weer aan het werk te laten gaan. In de door verzoekster aangevoerde belangen ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de IGJ, hoewel bevoegd, in dit geval van het opleggen van de LOOB had behoren af te zien. Openbaarmaking van de zakelijke weergave van de LOOB 11. Verzoekster is het verder niet eens met de openbaarmaking van de zakelijke weergave van de LOOB, omdat zij daarmee wordt geraakt in haar beroepsuitoefening en reputatie. Daarnaast zet de openbaarmaking een lopende overname van haar praktijk en contractuele verhoudingen met essentiële ketenpartners onder druk. 12. In de zakelijke weergave ten behoeve van de openbaarmaking van de LOOB staat het volgende: “De Inspectie Gezondheidzorg en Jeugd (de inspectie) heeft op 15 juli 2026 huisarts [naam verzoekster] uit [plaats] een Last tot onmiddellijke onthouding van de beroepsactiviteiten (hierna: LOOB) op grond van artikel 85a van de Wet BIG gegeven. Aanleiding tot de Last tot onmiddellijke onthouding van de beroepsactiviteiten De huisarts voldoet niet aan de voorwaarden om goede en veilige zorg te verlenen. De inspectie heeft geconstateerd dat de gedragingen van [naam verzoekster] hebben geleid tot ernstige benadeling van de gezondheid van personen of een aanmerkelijke kans daarop. Ook heeft de inspectie geconstateerd dat de gedragingen van [naam verzoekster] blijk geven van een persoonlijkheid die zich niet verdraagt met het door haar uitgeoefende beroep. Dit is er aan de hand De inspectie kreeg meerdere meldingen over de wijze waarop [naam verzoekster] de zorgverlening aan patiënten inricht. Hierop heeft de inspectie onderzoek gedaan. De inspectie komt tot de conclusie dat er sprake is van een zeer risicovolle situatie voor de veiligheid van patiënten en de zorg. De inspectie concludeert dat de gedragingen van de huisarts van zodanige aard zijn dat het belang van de volksgezondheid meebrengt dat deze zorgverlener haar beroepsactiviteiten staakt totdat het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg over haar handelen heeft geoordeeld. Dit leidt ertoe dat de inspectie het opleggen van een LOOB (een maatregel waarmee de inspectie een zorgverlener verplicht om de beroepsactiviteiten te staken en daarmee een einde te maken aan zeer risicovolle situaties) noodzakelijk vindt. Vervolg Het handelen van de huisarts wordt over uiterlijk acht weken voorgelegd aan het bevoegde Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg beoordeelt of het handelen van de huisarts tuchtrechtelijk verwijtbaar is en beoordeelt de geschiktheid van de huisarts en of zij haar werkzaamheden kan hervatten. Reactie [naam verzoekster] De zorgverlener kan binnen zes weken na het besluit tot openbaarmaking een reactie geven op dit bericht. Als de zorgverlener van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt, treft u deze reactie bij dit bericht aan.” 13. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster heeft aangevoerd geen aanleiding om op dit punt een voorlopige voorziening te treffen. Het is onlosmakelijk verbonden met de LOOB dat een zakelijke weergave ervan onder vermelding van de naam van verzoekster wordt gepubliceerd. De LOOB dient namelijk in het BIG-register te worden opgenomen en zonder openbaarmaking is dit niet mogelijk. Voor zover verzoeksters naam in de zakelijke weergave van de LOOB wordt genoemd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door verzoekster genoemde belangen niet zwaarder wegen dan het belang dat patiënten op de hoogte zijn van de omstandigheid dat aan verzoekster een LOOB is opgelegd. Gelet op de aard en strekking van de LOOB en gelezen wat er in de zakelijke weergave is vermeld wordt verzoeksters naam niet onnodig geschaad in de openbaarmaking. Onder verwijzing naar wat hiervoor in rechtsoverweging 10 is overwogen, is niet gebleken dat er conclusies in staan die niet zijn gebaseerd op feiten die volgen uit de bevindingen van de IGJ of dat er conclusies in staan die gezien die feiten te ver gaan. Daar komt bij dat de LOOB na de uitspraak van het regionaal medisch tuchtcollege niet meer zichtbaar is in het BIG-register. Conclusie en gevolgen 14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de LOOB niet wordt geschorst en de zakelijke weergave ervan openbaar mag worden gemaakt. Concreet voor verzoekster betekent dit dat zij haar werkzaamheden als huisarts voorlopig niet meer mag verrichten. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026. De voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.