Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-06-22
ECLI:NL:RBROT:2026:9553
RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/710250 / KG ZA 25-1146 Vonnis in kort geding van 22 juni 2026 in de zaak van [persoon A] , wonende te [woonplaats] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat: mr. M.J. Goedhart, tegen VERENIGING VAN EIGENAARS [naam VvE] TE [plaats] , gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat: mr. H.H.G. Theunissen. Partijen worden hierna genoemd [persoon A] en de VvE. 1 De zaak in het kort 1.1. Partijen zijn al jaren verwikkeld in juridische procedures met betrekking tot voorgenomen herstelwerkzaamheden aan een voorheen gemeenschappelijke muur. [persoon A] zegt dat de VvE weigert die herstelwerkzaamheden te verrichten. De VvE moet daarom veroordeeld worden om daarmee aan de slag te gaan en [persoon A] te voorzien van alle daarvoor relevante informatie. De VvE betoogt dat het juist [persoon A] is die de herstelwerkzaamheden verhindert en vordert daarom dat [persoon A] zijn medewerking aan het herstel moet verlenen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van partijen deels toe. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 24 december 2025 met producties 1 tot en met 19;- de conclusie van eis in reconventie van de VvE met producties 1 tot en met 9; - de akte wijziging eis van [persoon A] met producties 20 tot en met 36;- de mondelinge behandeling van 22 april 2026;- de spreekaantekeningen van [persoon A] ;- de pleitnota van de VvE. 2.2. Na de mondelinge behandeling is de zaak op verzoek van partijen aangehouden om te proberen om de zaak minnelijk te regelen. Partijen hebben geen regeling bereikt en [persoon A] heeft daarom verzocht om vonnis te wijzen. 3 De feiten 3.1. De VvE is eigenaar van het pand aan de Wijnstraat 99-105 te Dordrecht. [persoon A] is eigenaar van het (naastgelegen) pand aan de [adres 1] te Dordrecht. 3.2. Er staat een muur op de grens van de percelen waarop de panden van partijen staan. In 2011 heeft in opdracht van de VvE een inspectie van deze muur plaatsgevonden. De VvE is sindsdien van plan om (herstel)werkzaamheden aan deze muur, die in slechte staat van onderhoud verkeert, te (laten) verrichten. Partijen hebben vanaf 2013 meerdere procedures tegen elkaar gevoerd over de (voorgenomen) herstelwerkzaamheden. 3.3. Tijdens een comparitie van partijen op 31 januari 2019 bij het gerechtshof Den Haag hebben partijen een schikking getroffen, die is vastgelegd in het proces-verbaal van die zitting (hierna: de vaststellingsovereenkomst). Daarin staat: “ 1. [persoon A] zal binnen vier weken na heden zijn aandeel in gemeenschappelijke muur leveren aan de VvE voor € 1,-. De kosten van de notaris en eventuele andere kosten worden door iedere partij voor de helft gedragen. 2. Na de overdracht geeft de VvE geheel voor eigen rekening opdracht aan een aannemer van eigen keuze voor het verrichten van herstel- en onderhoudswerkzaamheden aan de voorheen gemeenschappelijke muur. 3. [persoon A] verleent daaraan medewerking, mits er voldaan wordt aan alle voorwaarden genoemd onder B van de offerte van BDS van 29 juni 2019, met dien verstande dat: - bij eventuele schade zal [persoon A] de VvE aansprakelijk stellen en zal de VvE dit verder met de aannemer op snelle en doeltreffende wijze afhandelen; - de werkzaamheden en het plaatsen van de steiger op het dak van het pand van [persoon A] vinden niet plaats in een periode met hoge temperaturen vanwege de kwetsbaarheid van de bitumen afdekking van het dak; - gevallen puin wordt wekelijks verwijderd. - de aanvang van de werkzaamheden zal in onderling overleg worden afgestemd. - het steigermateriaal zal niet worden aan- of afgevoerd door het pand van [persoon A] . - eventuele planten in de tuin van [persoon A] die voor de werkzaamheden uitgegraven moeten worden, zullen na de werkzaamheden weer op de oorspronkelijke plaats worden terug geplant. De buxus blijft echter staan en zal worden gespaard. - eventuele andere obstakels die voor de werk de VvE op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeelt om binnen vier weken na betekening van dit vonnis i. aan [persoon A] over te leggen een offerte of werkplan waarin de door de VvE uit te voeren werkzaamheden zijn omgeschreven; ii. aan [persoon A] over te leggen de schriftelijke bevestiging de opdracht aan de aannemer, iii. een opdracht te verlenen aan een bouwkundig bureau om een vooropname uit te laten voeren van het gehele perceel van [persoon A] , onder overlegging van de opdrachtbevestiging aan [persoon A] binnen de gestelde termijn; iv. aan [persoon A] over te leggen de omgevingsvergunning die is verkregen voor het uitvoeren van de werkzaamheden; v. aan [persoon A] over te leggen een concrete planning van de werkzaamheden, waarin een begindatum en een einddatum is genoemd, 2. de VvE op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeelt om binnen vijf maanden na betekening van het vonnis ervoor zorg te dragen dat de herstelwerkzaamheden volledig zullen zijn afgerond en opgeleverd, conform het aan [persoon A] overgelegde werkplan c.q. de offerte, inclusief de oplevering van eventuele opleveringspunten, 3. de VvE op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeelt om i. primair om de panelen die door [persoon A] zijn aangebracht voor het samengestelde raam in de muur niet te verwijderen; ii. subsidiair om de panelen die door [persoon A] zijn aangebracht voor het samengestelde raam na eventuele aantoonbaar voor de werkzaamheden aan de muur noodzakelijke verwijdering weer terug te plaatsen, uiterlijk op de datum van oplevering van de aan de Muur uit te voeren werkzaamheden 4. de VvE veroordeelt in de kosten van deze procedure 4.2. De VvE voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [persoon A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon A] in de kosten van deze procedure. in reconventie 4.3. De VvE vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis: 1. [persoon A] op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeelt om binnen vier weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis onvoorwaardelijk medewerking te verlenen aan de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst, 2. [persoon A] op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeelt om binnen een week na een daartoe strekkend verzoek de VvE en haar aannemer toe te laten tot diens perceel ten behoeve van overleg over de wijze van uitvoering van de werkzaamheden aan de muur, 3. [persoon A] veroordeelt in de proceskosten. 4.4. [persoon A] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [persoon A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon A] in de kosten van deze procedure. 5 De beoordeling Gezamenlijke behandeling conventie en reconventie 5.1. De vorderingen in conventie en in reconventie worden vanwege hun samenhang gezamenlijk behandeld. Toetsingskader kort geding 5.2. Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing daarvan is nodig dat partijen daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorzieningen worden verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. Onvoldoende spoedeisend belang bij vordering tot verrichten en dulden werkzaamheden 5.3. [persoon A] vordert in deze procedure dat de VvE wordt veroordeeld om ervoor zorg te dragen dat de herstelwerkzaamheden aan de muur binnen vijf maanden na betekening van dit vonnis zijn afgerond. De VvE vordert op haar beurt dat [persoon A] wordt veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan de voorgenomen herstelwerkzaamheden. Deze vorderingen (vordering 2 in conventie, vordering 1 in reconventie) worden afgewezen bij gebrek aan spoedeisend belang. Daarvoor is het volgende redengevend. 5.4. Hoewel partijen naar elkaar wijzen voor de reden, staat vast dat de offerte voor de herst De VvE heeft tegen deze vordering geen verweer gevoerd en aangegeven geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de vergunning, zodat de vordering wordt toegewezen. De voorzieningenrechter ziet vanwege de hiervoor genoemde uitlatingen van VvE aanleiding om aan deze veroordeling geen dwangsom te verbinden. Partijen moeten vooropname verrichten 5.9. [persoon A] vordert dat de VvE een vooropname van zijn gehele perceel dient te maken, omdat partijen dit zijn overeengekomen. 5.10. De VvE voert geen verweer tegen deze vordering, anders dan dat partijen zijn overeengekomen dat de vooropname betrekking moet hebben op de “huidige situatie” en niet “het gehele perceel”. De VvE heeft niet toegelicht wat het eventuele verschil is, zodat de vordering van [persoon A] wordt toegewezen. 5.11. Aan de veroordeling wordt een dwangsom verbonden zoals vermeld in de beslissing. [persoon A] moet aannemer en VvE toelaten op zijn perceel voor overleg 5.12. De VvE vordert dat [persoon A] toegang moet geven tot zijn perceel voor overleg en toelichting, zodat [persoon A] de offerte voor de herstelwerkzaamheden definitief kan maken. Beide vorderingen worden deels toegewezen. Daarvoor is het volgende redengevend. 5.13. Volgens [persoon A] hoef hij de aannemer (nu) niet op zijn terrein toe te laten. Hij heeft de aannemer eerder toegelaten en zal dat weer doen wanneer er duidelijkheid is over de werkzaamheden. Dit deel van de vordering moet daarom worden afgewezen, aldus [persoon A] . De voorzieningenrechter gaat aan dit verweer voorbij. Partijen zijn overeengekomen dat er herstelwerkzaamheden moeten worden verricht. Deze afspraak brengt met zich dat toegang wordt verleend tot het perceel waar de werkzaamheden moeten plaatsvinden indien dat noodzakelijk is voor uitvoering daarvan, ook wanneer dat wellicht niet uitdrukkelijk is overeengekomen. Partijen moeten zich ingevolge artikel 6:2 BW jegens elkaar gedragen volgens de eisen van redelijkheid en billijkheid. Het gaat dan niet aan dat [persoon A] de VvE verwijt de werkzaamheden niet te verrichten en ondertussen beperkingen oplegt aan de voorbereiding van die werkzaamheden. Van beide partijen mag worden verwacht dat zij zich erop richten en doen wat redelijkerwijs noodzakelijk is om de herstelwerkzaamheden verwezenlijkt te zien, zoals zij ook hebben afgesproken en daarbij elkaars redelijke belangen in acht te nemen. 5.14. [persoon A] heeft verder aangevoerd dat hij enkel ermee kan instemmen dat de heer [persoon C] van de VvE het perceel zou mogen betreden zoals gevorderd, maar dat een veroordeling niet nodig is, omdat [persoon A] de toegang niet onredelijk zal onthouden. De voorzieningenrechter acht het, gelet op de lange historie tussen partijen, de eerdere weigeringen en het verweer dat strekt tot afwijzing van de gevorderde toegang, niet aannemelijk dat [persoon A] zonder veroordeling de gevraagde toegang zal verlenen. De verzochte beperking komt de voorzieningenrechter evenwel niet onredelijk voor. De vordering wordt daarom toegewezen, maar beperkt tot de aannemer en de heer [persoon C] van de VvE. Bovendien wordt [persoon A] een langere termijn worden gegund waarbinnen hij toegang tot het perceel moet verlenen. 5.15. Aan de veroordeling wordt een dwangsom verbonden zoals vermeld in de beslissing. Proceskosten 5.16. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 6 De beslissing De voorzieningenrechter in conventie 6.1. veroordeelt de VvE om de omgevingsvergunning voor de voorgenomen herstelwerkzaamheden, indien en zodra zij deze heeft verkregen, binnen een week na verkrijging daarvan over te leggen aan [persoon A] , 6.2. veroordeelt de VvE om binnen vier weken na betekening van dit vonnis een opdracht te verlenen aan een bouwkundig bureau om een vooropname uit te laten voeren van het gehele perceel van [persoon A] , met onverwijlde overlegging van de opdrachtbevestiging aan [persoon A] , 6.3. veroo