Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-07-08
ECLI:NL:RBROT:2026:9481
Rechtbank Rotterdam Meervoudige kamer strafzaken Parketnummer: 10.234809.25 Datum uitspraak: 8 juli 2026 Datum zitting: 24 juni 2026 Tegenspraak Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1964 in [geboorteplaats] ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [woonplaats] . Advocaat van de verdachte: mr. Y.L. Zandbergen Officier van justitie: mr. N.J. Jacobs 1 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte van – samengevat – het in de periode van 19 september 2024 tot 5 juni 2025 medeplegen van vervaardigen en in de handel brengen van MDMA-pillen en het op 5 juni 2025 medeplegen van het voorhanden hebben van ruim 140 kilogram harddrugs. De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat 1hij in of omstreeks de periode 19 september 2024 tot en met 05 juni 2025 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2hij op of omstreeks 5 juni 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad - ongeveer 130.698 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of- ongeveer 4.515 gram, in elk een hoeveelheid van een materiaal bevattende PMMAen/of- ongeveer 4.436 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende 2C-B en/of- ongeveer 179 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevatten amfetamine,zijnde MDMA en/of PMMA en/of 2C-B en/of amfetamine (telkens) een middel alsbedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens hetvijfde lid van artikel 3a van die wet. 2 Bewijs 2.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft overeenkomstig de procesafspraken gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten 1 en 2. 2.2. Conclusie van de verdediging De verdediging heeft overeenkomstig de procesafspraken geen bewijsverweren gevoerd. 2.3. Oordeel van de rechtbank Bewezen is dat: 1hij in de periode 19 september 2024 tot en met 05 juni 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd en/of vervaardigd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2hij op 5 juni 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad - ongeveer 130.698 gram MDMA en - ongeveer 4.515 gram PMMA en - ongeveer 4.436 gram 2C-B en - ongeveer 179 gram amfetamine,zijnde MDMA en PMMA en 2C-B en amfetamine telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. 3 Kwalificatie en strafbaarheid 3.1. Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: Feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd Feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod 3.2. Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 4 Straffen 4.1. Procesafspraken De verdachte en het Openbaar Ministerie hebben procesafspraken gemaakt. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming hiervan. De r