Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-02-03
ECLI:NL:RBROT:2026:948
RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/710200 / KG ZA 25-1141 Vonnis in kort geding van 3 februari 2026 in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TWZ CONNECT B.V. , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CETORHINUS MAXIMUS B.V. , 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ZORGVERVOERCENTRALE NEDERLAND B.V. , 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WILLEMSEN-DE KONING GROEP B.V. , alle statutair gevestigd te Rotterdam, eiseressen, hierna samen als zodanig aan te duiden en afzonderlijk als: TWZ, CM, ZCN en WKG, advocaten: mrs. A.P.C. Hazelhoff en E. Oude Elferink, tegen 1. de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE ROTTERDAM , advocaten: mrs. M. van Rijn, S.H.G. Cnossen en T.M.O. Bottinga, 2. de publiekrechtelijke rechtspersoon METROPOOLREGIO ROTTERDAM DEN HAAG , advocaten: mrs. E.C. Smith en S.H.W. Stigter, 3. de naamloze vennootschap ROTTERDAMSE ELECTRISCHE TRAM N.V. , advocaat: mr. P.M. Smid, 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ROTTERDAMSE TAXI CENTRALE RTC B.V. , 5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ROTTERDAMSE MOBILITEIT CENTRALE RMC B.V. , 6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RMC ROTTERDAM B.V. , advocaten van gedaagden 4, 5 en 6: mrs. P.H.L.M. Kuypers en C.W.T. Vermeij, alle gevestigd/gezeteld te Rotterdam, gedaagden, hierna samen als zodanig aan te duiden en afzonderlijk als: de gemeente, MRDH, RET, RTC, RMC en RMC Rotterdam. 1 De zaak in het kort In dit kort geding vorderen enige ondernemingen inzage in een aantal documenten van onder meer de gemeente in verband met een aanbesteding aangaande contractueel taxivervoer. Verder vorderen zij dat door hen gedaagde concurrenten die hebben geprofiteerd van beweerdelijk genoten onrechtmatige staatssteun een bedrag van € 3 miljoen in depot storten. Deze vorderingen worden om uiteenlopende redenen afgewezen. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaardingen van 18 november 2025- de akte houdende overlegging producties 1 tot en met 19 van eiseressen - de akte houdende overlegging producties 20 tot en met 41 van eiseressen - de conclusie van antwoord van de gemeente- de conclusie van antwoord van MRDH, met twee producties- de conclusie van antwoord van RTC, RMC en RMC Rotterdam, met twaalf producties - de brief van 19 januari 2026 van RTC, RMC en RMC Rotterdam, waarin de conclusie van antwoord op twee punten wordt gerectificeerd- de mondelinge behandeling van 20 januari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt- de pleitnota van eiseressen- de pleitnota van de gemeente - de pleitnota van MRDH - de pleitnota van RET - de pleitnota van RTC, RMC en RMC Rotterdam. 3 De feiten Partijen 3.1. TWZ, CM en ZCN behoren tot de BIOS-groep. WKG opereert los van de BIOS-groep, maar houdt wel 50% van de aandelen in TWZ. Alle eiseressen zijn actief op de Nederlandse markt voor contractueel taxivervoer ten behoeve van speciale doelgroepen met een supra-regionaal of nationaal karakter. CM is de managementvennootschap van de BIOS-groep. De bestuurder van CM is Sardina Management B.V. Enige bestuurder van Sardina Management B.V. is de heer [persoon A] . [persoon A] is samen met mevrouw [persoon B] en de heer [persoon C] bestuurder bij TWZ. [persoon B] is daarnaast directeur en bestuurder bij ZCN en [persoon C] directeur-grootaandeelhouder bij WKG. 3.2. RET is een zelfstandig openbaarvervoersbedrijf dat actief is in de stadsregio Rotterdam. RET biedt onder andere op basis van concessies vervoer per metro, bus en tram aan. De gemeente houdt 99,18 % van de geplaatste aandelen in RET. MRDH houdt een geplaatst bijzonder aandeel in RET van 0,82 %. 3.3. MRDH is een gemeenschappelijke regeling in de vorm van een openbaar lichaam zoals bedoeld in de Wet op de gemeenschappelijke regelingen, waarin 21 gemeenten in de metropoolregio Rotterdam Den Haag deelnemen. Zij is aangewezen als vervoerregio en d Onder andere TWZ (met Trevvel, de zittende contractant, als onderaannemer), RMC Rotterdam en Transvision hebben ingeschreven op de aanbesteding. De opdracht is op 3 juni 2025 voorlopig gegund aan RMC Rotterdam. TWZ en Transvision zijn op de tweede en derde plaats geëindigd. 3.13.2. TWZ heeft tegen de voorlopige gunning van de opdracht op 13 juni 2025 bezwaar gemaakt. Dat bezwaar heeft de gemeente op 1 juli 2025 afgewezen. Vervolgens heeft TWZ tegen de gemeente een kortgedingprocedure aanhangig gemaakt om zo te voorkomen dat de opdracht definitief aan RMC Rotterdam zou worden gegund. TWZ was van mening dat de offerte van RMC Rotterdam terzijde geschoven had moeten worden vanwege een ernstige beroepsfout en op basis van past performance . Daarnaast was TWZ van mening dat er sprake was van een onjuiste scoretoekenning. RMC Rotterdam en Transvision zijn in die kortgedingprocedure tussengekomen. De door TWZ in het kort geding ingestelde vorderingen die dus strekten tot ingrijpen in de aanbestedingsprocedure zijn bij vonnis van 14 oktober 2025 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank afgewezen. Het door TWZ ingestelde hoger beroep tegen dit vonnis loopt nog. In het hoger beroep is op 13 januari 2026 een memorie van antwoord genomen. 3.13.3. De gemeente heeft de opdracht ‘Doelgroepenvervoer’ op 21 oktober 2025 definitief aan RMC Rotterdam gegund. 3.13.4. In het petitum van de dagvaarding in hoger beroep tevens houdende grieven van 30 oktober 2025 onder 3 heeft TWZ gevorderd de gemeente te gebieden: “(…) afschriften te verstrekken van (i) alle informatie en documenten die samenhangen met het besluit tot de verkoop van de aandelen in RMC door de RET in het bijzonder waar het de bepaling van de koopprijs betreft (…)”. De gewenste inzage 3.14. Naar aanleiding van een verzoek van 7 juli 2025 aan de gemeente van een particulier gerelateerd aan (één of meer van) eiseressen heeft de gemeente, op basis van een besluit van 30 september 2025 in de zin van de Wet open overheid (Woo) op 6 oktober 2025 informatie over het verkooptraject van de aandelen in RMC publiek gemaakt. Aan MRDH was een soortgelijk verzoek gedaan. MRDH heeft de openbaarmaking door de gemeente bij besluit van 7 oktober 2025 bekrachtigd. 3.15. Eiseressen hebben iedere (cluster van) gedaagde(n) afzonderlijk op 10 november 2025 gesommeerd om inzage in of afschrift van gegevens te verstrekken ten behoeve van het bepalen van de rechtspositie van eiseressen. 3.15.1. Op 18 november 2025 heeft MRDH afwijzend op deze sommatie gereageerd. Zij schrijft onder meer: “(…) U stelt dat wordt voldaan aan alle wettelijke voorwaarden. MRDH deelt uw standpunt niet. U baseert uw verzoek op de stelling dat sprake zou zijn van onrechtmatige staatssteun en dat de opgevraagde stukken essentieel zijn voor het bepalen van de rechtspositie van uw cliënte, TWZ (…). Deze stelling wordt echter op geen enkele wijze feitelijk of juridisch onderbouwd. Een enkele, niet-gemotiveerde aanname is onvoldoende om een rechtmatig voldoende belang als bedoeld in artikel 194 Rv aannemelijk te maken. U voldoet dus niet aan de wettelijke voorwaarden. Voor zover er wel een inzagerecht zou bestaan, prevaleren de gewichtige redenen van MRDH om de inzage te weigeren: De door u verzochte stukken zijn reeds door de gemeente Rotterdam openbaar gemaakt, zij het in gelakte vorm. MRDH ziet geen grondslag waarom TWZ recht zou hebben op de ongelakte versies, welke vertrouwelijke bedrijfsinformatie van een concurrent bevatten. Het beschermen van deze concurrentiegevoelige gegevens vormt een gewichtige reden voor weigering. Voor zover uw verzoek betrekking heeft op aanvullende documenten die nog niet openbaar zijn gemaakt, stelt MRDH zich op het standpunt dat zij deze documenten niet onder haar berusting heeft. Gezien het bovenstaande is MRDH van oordeel dat uw verzoek tot inzage op grond van artikel 194 Rv geen juridische basis heeft. (…)” 3.15.2. RTC en RMC hebben op 16 januari 2026 gehoor gegeven aan de sommatie en een aan De voorzieningenrechter beschouwt RMC Rotterdam daarom als door eiseressen onterecht in rechte betrokken en zal RMC Rotterdam in dit kort geding verder buiten beschouwing laten. 5.2. Ter beoordeling liggen hierna dus nog voor de geschillen die bestaan in de rechtsverhouding tussen eiseressen en de overgebleven gedaagden: de gemeente, MRDH, RET, RTC en RMC. 5.3. De gemeente, RET, RTC en RMC hebben, kort gezegd, betoogd dat de onderhavige zaak ongeschikt is om in kort geding te worden behandeld. De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet, omdat het geschil vanuit feitelijk en juridisch oogpunt niet zo ingewikkeld en omvangrijk te achten is dat beslechting daarvan in kort geding niet mogelijk is. Inzagevordering 5.4. Als eerste komt aan de orde de inzagevordering onder 2 gericht tot (de overgebleven) gedaagden. In de dagvaarding hebben eiseressen deze vordering enkel gebaseerd op het bepaalde in artikel 194 Rv. Ter zitting hebben zij de grondslag van de vordering aangevuld in die zin dat zij de gevraagde inzage mede wensen te baseren op het bepaalde in de artikelen 197 lid 1 en 196 lid 2 Rv. Daartegen hebben de gemeente en RET bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter honoreert dat bezwaar niet. In het licht van de aard van deze kortgedingprocedure acht de voorzieningenrechter de aanvulling voldoende tijdig gedaan en, gelet op de spreektijd die aan ieder van gedaagden is gegund en die zij feitelijk ook hebben ingevuld met het voeren van inhoudelijk verweer tegen (de aangevulde grondslag van) de inzagevordering, niet in strijd met de goede procesorde. De voorzieningenrechter begrijpt de inzagevordering daarmee aldus dat eiseressen bedoeld hebben de vordering onder 2 te baseren op artikel 194 Rv in samenhang met artikelen 197 lid 1 en 196 lid 2 Rv. 5.5. Artikel 194 Rv ziet op een buitengerechtelijk inzageverzoek. Als een wederpartij of een derde niet meewerkt aan een buitengerechtelijk inzageverzoek, zoals hier het geval is, kan ingevolge het bepaalde in artikel 197 lid 1 Rv in spoedeisende gevallen het verzoek om inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens aan de voorzieningenrechter in kort ding worden gedaan. In dat geval kan dat worden ingeleid met een dagvaarding (anders dan de gemeente en RET menen). In dat geval gelden de criteria van artikel 196, lid 2 Rv. De rechter wijst het verzoek toe, tenzij hij van oordeel is dat: a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is; b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat; c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde; d. sprake is van misbruik van bevoegdheid, of e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting. De afwijzingscriteria vormen geen van elkaar afgescheiden criteria, maar lopen in elkaar over en kunnen om die reden naast elkaar van toepassing zijn. 5.6. In bijlage 1 bij de dagvaarding, welke bijlage aan dit vonnis is aangehecht, hebben eiseressen schematisch weergegeven in welke gegevens zij van welke gedaagde(n) inzage wensen te krijgen. De voorzieningenrechter overweegt per in het schema opgenomen randnummer als volgt: - randnummers (i), (iv) tot en met (vi) : tussen partijen staat vast dat deze gegevens al aan eiseressen zijn verstrekt. Partijen zijn het erover eens dat met het overhandigd zijn van de meest recente versie van de aandeelhoudersovereenkomst kan worden volstaan (daargelaten of deze getekend is, dat is ter zitting in het midden gebleven). De conclusie is dan ook dat eiseressen bij de gevorderde inzage van de stukken genoemd in deze randnummers geen belang (meer) hebben; - randnummer (ii) : gesteld noch gebleken is wat het belang van eiseressen is bij de inzage in het integrale aandeelhoudersregister van RMC. Voor eiseressen is in het licht van de onderhavige kwestie enkel relevant te achten wie houder was van de aandelen in RMC in de periode vlak voor en tijdens het verkooptraject tot het moment van het geëffectueerd zijn va Over een rechtsbetrekking met MRDH merkt de voorzieningenrechter enkel op dat, hoewel de onder randnummers (iv), (xi), (xiii) en (xiv) genoemde informatie wel van deze minderheidsaandeelhouder van RET wordt gevorderd, voorshands aannemelijk is dat zij in feite buiten deze kwestie staat. Immers, gebleken is dat zij ten aanzien van de verkoop van de aandelen in RMC van RET aan RTC geen invloed van betekenis had noch daarbij partij was en ook niet over (meer) relevante informatie beschikt dan die 1) bij het Woo-verzoek via de gemeente openbaar is gemaakt en 2) zij alsnog in dit kort geding als producties 1 en 2 heeft overgelegd. Bij het tweede aspect - de gewichtige redenen - overweegt de voorzieningenrechter dat het verweer van meerdere gedaagden dat de gegevens waarvan inzage wordt gevraagd bedrijfsvertrouwelijke informatie bevatten niet te veronachtzamen is, gelet op de vaststaande concurrentieverhouding tussen partijen. Dat pleit op het eerste gezicht tegen inzage. Dit geldt sterker nu de Europese Commissie als toezichthouder op de naleving van de staatssteunregels naar aanleiding van de recent ingediende klacht van eiseressen een met waarborgen omgeven en vertrouwelijkheid geborgd onderzoek kan doen naar de gestelde onrechtmatige staatssteunverlening en in het kader van een dergelijk onderzoek inzage kan verlangen in de relevante stukken. Al het voorgaande leidt ertoe dat het door MRDH naar voren gebrachte aspect van het verstrekken van ongelakte documenten ook geen nadere bespreking behoeft. Eenzelfde lot treft de gevorderde (overigens onredelijk korte) afgiftetermijn van 72 uur en de gevorderde dwangsom. Staatssteunvordering 5.8. De vordering onder 1 strandt vanwege gebrek aan spoedeisend belang. Daarvoor zijn de volgende aspecten van belang. - Vooropgesteld wordt dat de loyaliteitsverplichting van de Nederlandse rechter om mee te werken aan Unierechtelijke regels waaraan de Staat is gebonden (en afgeleid daarvan de gemeente en mogelijk ook RET) meebrengt dat onder omstandigheden de effecten van verboden staatssteun (als hiervan sprake is) geneutraliseerd moeten worden. - In dit kort geding kan het onverwijld treffen van een voorlopige neutraliserende maatregel evenwel niet aan de orde zijn, omdat sprake is van een situatie ‘achteraf’ (terwijl geen (negatief ) besluit van de Europese Commissie bestaat waartegen beroep is ingesteld). RET heeft haar aandelenbelang in RMC immers al op 18 december 2024 aan RTC overgedragen tegen betaling van € 3,5 miljoen. Als eiseressen gevolgd zouden moeten worden in hun stelling dat sprake is van staatssteun, was die steun dus reeds op genoemde transactiedatum verleend met op dat moment de mogelijke marktverstorende consequenties van dien. Het nu treffen van de gevorderde maatregel tot depotverlening kan in de situatie van destijds geen verandering meer brengen. Anders verwoord: de mogelijk plaatsgevonden concurrentieverstoring op de markt kan met de gevorderde maatregel niet meer worden voorkomen noch kan het marktevenwicht dat voor de beweerdelijke steunverlening bestond door een depot worden behouden. Aangenomen wordt dat het peilmoment van steunverlening in de zin van het staatssteunrecht in de periode ligt 1) rond het moment van het vaststellen van de voorwaarden van de aandelentransactie (welk overleg in juni 2024 en tijdens de toen gehouden aandeelhoudersvergadering serieuze vormen aannam), 2) in de op dat moment gegeven juridische, bedrijfsmatige en financieel-economische situatie die ook een risico inschatting voor de toekomst vraagt (zoals die ten aanzien van de op dat moment nog onzekere uitkomst van de claim die CM in rechte pretendeerde te hebben op de aandelen in Transvision), 3) tot het moment van het plaatsvinden van de aandelenoverdracht, en dus niet (ook) nog op dit moment. Uit de onderbouwing van de stelling van eiseressen dat sprake is geweest van een niet-marktconforme prijs voor de aandelen kan worden afgeleid dat de conclusie die eiseressen trekken mede is ingegeven