Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-03-12
ECLI:NL:RBROT:2026:9214
beschikking RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rekestnummer: C/10/ 716229 KG RK 26-283 Beschikking van de voorzieningenrechter van 12 maart 2026 in de zaak van de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging PACIFIC BASIN SG PTE LTD , gevestigd te Singapore, verzoekster, advocaat mr. H.C.A. van der Houven van Oordt te Rotterdam, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RIETLANDEN TERMINALS B.V. , gevestigd te Amsterdam, advocaat mr. A. van Hal te Rotterdam, 2. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging OCEAN-FRONT SHIPPING SINGAPORE PTE LTD. , gevestigd te Singapore, advocaat mr. J.J. van de Velde te Rotterdam, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EUROPEAN METAL RECYCLING B.V. , gevestigd te Rotterdam, niet verschenen, 4. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging DAVA PTE LTD., gevestigd te Singapore, advocaat mr. K.L.A. van Waasbergen, verweersters. Partijen worden hierna Pacific, Rietlanden, Ocean-front en EMR genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift van 11 maart 2026, met 3 producties (houdende een ‘Letter of protest’ van 5 maart 2026, een e-mailbericht van LBH Agency-NL aan Dimitris Lemos van 6 maart 2026 en een overzicht met de contactgegevens van de belanghebbenden en hun experts); het verweerschrift van mr. Van Hal namens Rietlanden van 11 maart 2006; de spreekaantekeningen van mr. Van de Velde; de mondelinge behandeling, gehouden op 12 maart 2026. 1.2. Bij de mondelinge behandeling zijn mr. Van der Houven van Oordt, mr. B.T. Pos en [naam 1], expert van Pacific, voor Pacific verschenen. Verder zijn verschenen mr. Van de Velde voor Ocean en mr. Van Hal voor Rietlanden en mr. Van Waasbergen voor DAVA Pte Ltd. te Singapore (hierna DAVA). 1.3. Vervolgens is de beschikking vanwege de spoedeisendheid bepaald op heden. 2 De feiten 2.1. Ocean-Front is eigenaar van het zeeschip MBS TAISHA met IMO-nummer: [nummer] (hierna aangeduid als ‘het schip’). Ocean-Front heeft het schip in bevrachting gegeven aan DAVA Pte Ltd. te Singapore die het schip heeft vervracht aan Pacific. Pacific heeft vervolgens het schip op haar beurt in reisbevrachting gegeven aan EMR voor het vervoer van een lading ‘scrap’ van Nederland naar Turkije/Egypte. 2.2. Op of omstreeks 5 maart 2026 heeft zich een incident voorgedaan waarbij schade is ontstaan aan het schip. Tijdens het beladen van het schip aan de terminal van Rietlanden is een gat ontstaan in een bunkertank waardoor een forse hoeveelheid bunkerolie in het ruim is gestroomd en de daar al geladen lading scrap ernstig heeft verontreinigd. 2.3. Het schip ligt nu voor anker bij de terminal van Rietlanden. De planning is dat het schip kort na 13 maart 2026 uit zal varen. 3 Het geschil 3.1. Pacific verzoekt dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad - op alle dagen en uren - te verklaren beschikking, een gerechtelijk onderzoek zal gelasten door een maritiem gerechtsdeskundige type ‘volledig’, aan boord van het schip MBS TAISHA en op de terminal van Rietlanden, naar de aard en de oorzaak van het incident waarbij in het ruim een gat is ontstaan in de bunkertank en als gevolg waarvan de lading in het ruim is verontreinigd door bunkerolie en ook overige schade is veroorzaakt en: de [naam 2] NIVRE-re aanstelt als maritiem gerechtsdeskundige; gelast dat verweersters door de maritiem gerechtsdeskundige worden opgeroepen voor en uitgenodigd worden om aanwezig te zijn bij het onderzoek aan boord van het schip en op de terminal; de maritiem gerechtsdeskundige opdraagt om ook de door verzoekster en de verweersters aangestelde experts uit te nodigen om aanwezig te zijn bij zijn onderzoek en hen gelegenheid te bieden om vragen te stellen en suggesties te doen ten aanzien van de uitvoering van het onderzoek en ten aanzien van het horen van bemanningsleden en overige getuigen op de terminal; de maritiem gerechtsdeskundige opdraagt om ges Deze zaak heeft een internationaal karakter, nu zowel Pacific als Ocean-Front gevestigd zijn in Singapore en Rietlanden en EMR in Nederland. De voorzieningenrechter dient daarom ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. 4.2. De voorzieningenrechter heeft ten aanzien van de tegen Rietland en EMR ingestelde vordering rechtsmacht op grond van artikel 4 en/of 35 Brussel I Bis-Vo, nu zij woonplaats hebben in Nederland. Ten aanzien van de tegen Ocean-Front ingestelde vordering heeft de voorzieningenrechter rechtsmacht op grond van artikel 3 Rv. Daarbij wijzen de leden 1 sub f en 4 van artikel 625 Rv de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam aan om kennis te nemen van verzoeken betreffende schade veroorzaakt aan boord van een schip. Voor wat betreft de aard van het verzoek biedt artikel 196 e.v. Rv in dit geval voldoende grondslag. Daarbij is nog daargelaten dat artikel 8:495 BW jo. artikel 633 Rv die grondslag ook bieden. Dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam bevoegd is, is ook niet in geschil. 4.3. Op de zitting hebben partijen onder meer besproken dat een onderzoek door een maritiem gerechtsdeskundige wenselijk is en hebben zij gedebatteerd over de vraagstelling, de omvang van de ‘medewerkingsplicht’ aan de deskundige, de wenselijkheid van de aanwezigheid van de advocaten bij het onderzoek en de noodzaak van oplegging van een dwangsom en de hoogte daarvan. 4.4. Pacific heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter spoedeisend belang bij het verzamelen van bewijs en het instellen van een onderzoek naar de oorzaak van het incident aan boord van het schip door een onafhankelijke derde, in de zin van een deskundige ‘volledig’ in de zin van het rapport ‘ Afkoersen op vaste maritieme gerechtsdeskundigen ’. Als zodanig zal de genoemde [naam 2] (NIVRE-re) worden benoemd. Ter zitting is bevestigd dat hij in staat en bereid is als zodanig op te treden. 4.5. Pacific heeft verzocht om in ieder geval de onderstaande vragen aan de maritieme gerechtsdeskundige te stellen: Kan u de toedracht van het incident reconstrueren en daarbij alle achterliggende oorzaken identificeren en benoemen die hebben geleid tot het gat in de bunkertank en de daarop volgende contaminatie van de lading scrap in het ruim van de MBS TAISHI? Zijn er aanwijzingen dat de beschadigde bunkertank reeds was beschadigd voordat werd begonnen met het laden van de lading scrap aan boord van de MBS TAISHI? Welke maatregelen zijn voorafgaand aan de belading getroffen aan boord van het schip om de belading van het schip veilig te laten verlopen? Voldeed de betreffende walkraan waarmee het schip werd beladen aan alle toepasselijke (veiligheids)voorschriften en was de walkraan onderhouden volgens alle daaraan te stellen eisen? Wie was de kraanbestuurder van de walkraan en was deze volgens de geldende eisen en normeringen voldoende getraind én bevoegd om de walkraan te opereren? Voldeed de kraanmachinist van de betreffende kraan ten tijde van het incident aan de toepasselijke normen ter zake van werk- en rusttijden? Welke maatregelen zijn door Rietlanden getroffen om incidenten als deze te voorkomen en welke instructies zijn in dat verband door Rietlanden verstrekt aan deze kraanmachinist? Alle nadere vragen die de deskundige relevant en opportuun acht. 4.6. Zoals hiervoor onder rechtsoverwegingen 3.3-3.6 is aangegeven, hebben Rietlanden en Ocean-Front bezwaar tegen de vraagstelling. 4.7. Met Pacific is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak niet kan worden volstaan met - zoals door Rietlanden primair is verzocht en bepleit - het stellen van een enkele algemene vraag luidend “ Wat is – feitelijk en technisch – de oorzaak van het voorval waarbij schade is ontstaan aan de bunkertank van de “MBS Taishi” en bunkerolie in het ruim is gestroomd?”, nu gelet op de aard van de mogelijk te entameren vervolgprocedure(s) en het arrest van de Hoge Raad in de zaak [naam 3] deze algemeen geformuleerde vraag mogelijk te weinig concrete in