Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-06-24
ECLI:NL:RBROT:2026:8944
RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 12163878 VZ VERZ 26-1486 datum uitspraak: 24 juni 2026 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van [verzoekster] , woonplaats: [woonplaats] , verzoekster, gemachtigde: mr. A.Th. de Haan, tegen [verweerster] B.V. , vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , verweerster, gemachtigde: mr. J.B. Kloosterman. De partijen worden hierna ‘ [verzoekster] ’ en ‘ [verweerster] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: het verzoekschrift (ontvangen op 30 maart 2026), met bijlagen; het verweerschrift, met bijlagen; de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [verzoekster] . 1.2. Op 1 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [verzoekster] en haar gemachtigde. Namens [verweerster] waren aanwezig [persoon A] ( financieel directeur ) en [persoon B] ( HR manager ) met de gemachtigde. 2 Het verzoek 2.1. [verzoekster] verzoekt samengevat: de arbeidsovereenkomst te ontbinden en [verweerster] te veroordelen een vergoeding van € 6.401,53 bruto te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente; [verweerster] te veroordelen de mobiliteitsvergoeding van € 8.591,60 te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging; [verweerster] te veroordelen de vakantietoeslag over 2025 en 2026 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente; [verweerster] te veroordelen een bedrag van € 15.165,76 bruto aan openstaande vakantie-uren te betalen; [verweerster] te veroordelen een bedrag van € 2.637,42 bruto aan openstaande tijd-voor-tijd uren te betalen; [verweerster] te veroordelen om binnen veertien dagen na de betalingen deugdelijke bruto-netto specificaties te verstrekken; [verweerster] veroordelen in de kosten van deze procedure. 3 De beoordeling Inleiding 3.1. [verzoekster] is op 1 juli 2023 bij [verweerster] in dienst getreden in de functie van HR manager op basis van een contract voor onbepaalde tijd. Het salaris van [verzoekster] bedraagt € 6.624,- bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld. [verzoekster] is op 6 maart 2024 uitgevallen wegens ziekte. Op 6 maart 2026 is de loondoorbetalingsverplichting van [verweerster] verstreken. Partijen hebben geprobeerd een vaststellingsovereenkomst te sluiten maar dat is niet gelukt. Partijen zijn het over een aantal onderdelen van de eindafrekening niet eens. Vooral de betaling van de mobiliteitsvergoeding houdt partijen verdeeld. Ontbinding arbeidsovereenkomst 3.2. [verzoekster] vraagt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden (artikel 7:671c BW). Omdat [verweerster] zich hiertegen niet verzet en de loondoorbetalingsverplichting na twee jaar arbeidsongeschiktheid is verstreken, is de kantonrechter van oordeel dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve moet eindigen. De ontbinding zal worden uitgesproken per de datum van deze beschikking. 3.3. Hierna wordt puntsgewijs ingegaan op de overige onderdelen van het verzoek van [verzoekster] . Vakantietoeslag, verlofuren en tijd-voor-tijd uren 3.4. Tijdens de zitting heeft [verweerster] de verschuldigdheid hiervan niet (meer) betwist. De kantonrechter zal deze verzoeken toewijzen zoals door [verzoekster] verzocht. Over de vakantietoeslag wordt de gevraagde wettelijke rente ook toegewezen. Mobiliteitsvergoeding 3.5. [verzoekster] maakt aanspraak op doorbetaling van de mobiliteitsvergoeding tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid. Volgens [verzoekster] is die betaling onterecht stopgezet. In de arbeidsovereenkomst onder 6 ‘Auto van de zaak’ is over de mobiliteitsvergoeding het volgende opgenomen: 6.4 In plaats van het beschikbaar stellen van een bedrijfsauto kunnen werkgever en werknemer een vaste maandelijkse reis- en/of mobiliteitsvergoeding overeenkomen ter compensatie van het zakelijk gebruik van de privéauto van werknemer. Werknemer verklaart zich alsdan uitdrukkelijk bereid om haar auto voor zakelijke doeleinden te gebruiken. De eventuele fiscale consequenties van een dergelijke vergoeding zijn voor rekening van werknemer. 3.6. [verzoe