Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-01-28
ECLI:NL:RBROT:2026:878
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/11626 uitspraak van de meervoudige kamer van 28 januari 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit Rotterdam, eiseres en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister (gemachtigde: mr. P.C van der Voorn). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een eenmalig bedrag op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (het Tijdelijk besluit). Eiseres is het niet eens met deze afwijzing en voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. 1.2. Aan de hand van deze beroepsgronden heeft de rechtbank de afwijzing beoordeeld. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen . Eiseres heeft dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor het eenmalige bedrag op grond van het Tijdelijk besluit. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 15 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 november 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De minister heeft op het beroep gereageerd met verweerschriften. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2025 op zitting behandeld, samen met het beroep onder zaaknummer 25/4759. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar echtgenoot, de gemachtigde van de minister en mr. K. Verbeek. 2.5. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend. 2.6. Namens de minister is een nader stuk ingediend. 2.7. Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om ter nadere zitting te worden gehoord. Met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) sluit de rechtbank het onderzoek. Beoordeling door de rechtbank Achtergrond en wettelijk kader 3. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) wordt voor ieder niet verzekerd jaar een korting van 2% toegepast. Hierdoor heeft een groep ouderen van Surinaamse herkomst geen volledige AOW-uitkering opgebouwd, omdat de jaren waarin zij in Suriname woonden niet meetellen, aangezien zij toen geen ingezetenen waren. . Dit is als onrecht ervaren, omdat Suriname voor de onafhankelijkheid onderdeel was van het Koninkrijk der Nederlanden. Op grond van artikel 2 van het Tijdelijk besluit “wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheidsproces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidings-overeenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de AOW te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de AOW is opgebouwd, en de politiek bestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen.”. Als aan de voorwaarden van artikel 3 wordt voldaan, heeft de belanghebbende op grond van artikel 4 van het Tijdelijk besluit recht op een eenmalig bedrag van € 5.000,-. 4. In artikel 3 van de het Tijdelijk besluit is bepaald dat een persoon recht heeft op een eenmalig bedrag, indien deze: a. uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst; b. voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde; c. ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en d. op 1 juli 2024 ten minste 20 jaar in Nederland heeft Uit de Nota van toelichting bij het Tijdelijk besluit blijkt dat ervoor is gekozen om het eenmalige bedrag toe te kennen aan ouderen van Surinaamse herkomst die voor de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975 bewust de keuze hebben gemaakt om naar Nederland te komen. Daarbij is betrokken dat er Surinaamse ouderen na de onafhankelijkheid naar Nederland zijn gekomen. Zij vallen niet onder de doelgroep van het gebaar. Hiervoor is blijkens de Nota van toelichting gekozen omdat deze groep, anders dan de groep die recht heeft op het eenmalige bedrag, niet direct heeft gehandeld toen Suriname onafhankelijk werd, inmiddels de Surinaamse nationaliteit had verkregen en feitelijk van buiten het Koninkrijk naar Nederland is verhuisd. Gelet op het voorgaande heeft de regelgever hiermee naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom de ene groep wel en de andere niet voor het eenmalig bedrag in aanmerking komt. Er doet zich niet de situatie voor dat een groep in vergelijkbare omstandigheden niet in enige afweging is betrokken of dat de afwegingen van de regelgever bij (de totstandkoming van) het Tijdelijk besluit willekeurig zijn. De verwijzing van eiseres naar de vestigingsovereenkomst kan niet tot een andere beoordeling leiden, nu deze overeenkomst een ander onderwerp regelde en met een ander doel. Dat Nederlanders van Surinaamse herkomst die al ver voor 1975 naar Nederland zijn gekomen wel aanspraak kunnen maken op het eenmalige bedrag leidt evenmin tot een ander oordeel. Ook voor die personen geldt de voorwaarde dat zij op 25 november 1975 in Nederland woonden en daardoor kunnen ook zij worden geacht op dat tijdstip bewust te hebben gekozen voor het behoud van de Nederlandse nationaliteit. Het evenredigheidsbeginsel 8.1. Volgens eiseres is sprake van strijd met het evenredigheidsbeginsel, omdat het bestreden besluit door toepassing van de eis van artikel 3, aanhef en onder a, van het Tijdelijk besluit gelet op de bijzondere omstandigheden in haar geval leidt tot een onevenredige uitkomst. Eiseres heeft gewezen op het plotselinge overlijden, na een verkeersongeval, van haar schoonmoeder op 17 november 1975 en van haar schoonzus op 23 november 1975. Door deze omstandigheden stelt eiseres mentaal en financieel gezien niet in staat te zijn geweest om eerder dan in 1979 met haar gezin terug te keren naar Nederland. 8.2. In hetgeen eiseres aanvoert - hoe tragisch de familieomstandigheden ook waren - liggen naar het oordeel van de rechtbank toch geen zodanig bijzondere omstandigheden besloten dat de minister bij afweging van de belangen in haar geval artikel 3, aanhef en onder a, van het Tijdelijk besluit buiten toepassing had moeten laten. De afbakening van de groep ouderen van Surinaamse herkomst die in aanmerking komt voor het eenmalige bedrag, en daarmee de daarbij gehanteerde datumgrens, is gebaseerd op politiek-bestuurlijke afwegingen. De rechtbank is van oordeel dat de gekozen datumgrens de terughoudende rechterlijke toets kan doorstaan. Die in het Tijdelijk besluit gemaakte keuze is inzichtelijk en voldoende gemotiveerd. De door eiseres genoemde omstandigheden komen erop neer dat volgens haar sprake was van een situatie van overmacht. Uit wat eiseres aanvoert over de reden van haar vertrek naar Suriname in augustus 1975 – in haar aanvullend beroepschrift van 20 januari 2025: de heftige ervaring van de bevalling van haar eerste kind, waarna voor haar herstel en bij de verzorging van haar kind hulp nodig was; in haar aanvullend beroepschrift van 26 mei 2025: om de grootouders voor het eerst kennis te laten maken met hun kleinkind, terwijl eiseres herstellende was – en de situatie waarin zij daarna in Suriname terecht was gekomen, volgt echter niet dat eiseres zonder de genoemde familieomstandigheden op 25 november 1975 weer in Nederland zou hebben gewoond, terwijl daaruit overigens evenmin volgt dat de overmacht vier jaar heeft voortgeduurd. Voorts moet in aanmerking worden genomen dat het Tijdelijk besluit voo