Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-01-23
ECLI:NL:RBROT:2026:872
ECLI:NL:RBROT:2026:872 text/xml public 2026-03-12T10:04:24 2026-02-02 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-01-23 ROT 25/10083 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Rotterdam Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl Omgevingswet VTH 2026/534 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:872 text/html public 2026-02-02T14:17:58 2026-02-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:872 Rechtbank Rotterdam , 23-01-2026 / ROT 25/10083 Omgevingswet. Vovo hangende bezwaar. Het college heeft het verzoek van verzoeker om handhavend op te treden tegen de geluidoverlast van de PowerNEST-installatie afgewezen. De PowerNEST-installatie staat op het dak van het appartementencomplex, waarin de woning van verzoeker is gevestigd. Appartement is in 2022 casco opgeleverd. Verzoeker is niet woonachtig in de woning vanwege de (geluid)hinder. Verzoeker woont daarom noodgedwongen ergens anders en heeft hierdoor dubbele woonlasten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker spoedeisend belang. Geen sprake van een overtreding van artikel 3.8 van het Bouwbesluit 2012. Handhavingsverzoek is ingediend na 1 januari 2024. Voorzieningenrechter is van oordeel dat de norm van 30 dB voor nieuwbouw uit artikel 4.108 van het Bbl nog steeds van toepassing op de PowerNEST-installatie. Norm van 30 dB voor nieuwbouw uit artikel 3.9 van het Bouwbesluit 2012 is overgenomen in artikel 4.108 van het Bbl. De PowerNEST-installatie komt niet voor op de lijst met installaties in artikel 4.108 van het Bbl. De voorzieningenrechter leidt uit de nota van toelichting bij afdeling 3.2 van het Bouwbesluit 2012 af dat artikel 4.108 van het Bbl, dat nagenoeg gelijkluidend is met artikel 3.9 van het Bouwbesluit 2012, zo moet worden uitgelegd dat het ook is bedoeld om gelijksoortige overlast van een vergelijkbare installatie voor op hetzelfde perceel gelegen gebruiksfuncties te beperken. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat de in artikel 4.108, tweede lid, van het Bbl opgenomen normering van 30 dB van toepassing is op de PowerNEST-installatie. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de PowerNEST-installatie de norm overschrijdt en dat er aldus sprake is van een overtreding van artikel 4.108, tweede lid, van het Bbl. Verzoek afgewezen. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/10083 uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 januari 2026 in de zaak tussen [naam verzoeker] , uit Almere , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij). Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [bouwbedrijf X] ( [afkorting bouwbedrijf X] ) (gemachtigde: mr. C.A.B. Geertman) en de Vereniging van Eigenaars [naam VvE] te Rotterdam (belanghebbenden). Procesverloop Bij besluit van 30 september 2019 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor onder meer de activiteit bouwen van een appartementencomplex, waarin de woning van verzoeker is gevestigd. Op het dak van het appartementengebouw is een PowerNEST-installatie gerealiseerd. Bij besluit van 5 december 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het verzoek van verzoeker om handhavend op te treden tegen de geluidoverlast van de PowerNEST-installatie afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2.1. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft hierop schriftelijk gereageerd. Ook [afkorting bouwbedrijf X] heeft schriftelijk gereageerd. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college, vergezeld door bouwinspecteur [persoon A] en [persoon B] , en de gemachtigde van [afkorting bouwbedrijf X] , vergezeld door [persoon C] en [persoon D] . Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Verzoeker is eigenaar van de woning aan de [adre Op grond van artikel 4.108, tweede lid, van het Bbl geldt voor een mechanische voorziening voor luchtverversing of warmterugwinning, of een installatie voor warmte- of koudeopwekking veroorzaakt in een niet-gemeenschappelijk verblijfsgebied van de gebruiksfunctie een volgens NEN 5077 bepaald karakteristiek installatie-geluidsniveau van ten hoogste, voor zover hier relevant, 30 dB. 7.3. De voorzieningenrechter ziet zich eerst voor de vraag gesteld of artikel 4.108 van het Bbl van toepassing is. [afkorting bouwbedrijf X] en het college stellen zich in dit verband op het standpunt dat dat niet het geval is. 7.4. De voorzieningenrechter volgt [afkorting bouwbedrijf X] niet in haar stelling dat er sprake is van “bestaande bouw” en dat daarom artikel 4.108 van het Bbl niet van toepassing is. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de PowerNEST-installatie bij de oplevering in 2022 moest voldoen aan de norm van 30 dB voor nieuwbouw uit artikel 3.9 van het Bouwbesluit 2012 en dat deze bepaling is overgenomen in artikel 4.108 van het Bbl. In zoverre geldt dus nog steeds dezelfde normering van 30 dB. Gelet hierop is naar het oordeel van de voorzieningenrechter de norm van 30 dB voor nieuwbouw uit artikel 4.108 van het Bbl nog steeds van toepassing op de PowerNEST-installatie. 7.5. De voorzieningenrechter volgt [afkorting bouwbedrijf X] en het college evenmin in het standpunt dat de PowerNEST-installatie niet valt onder de installaties die in artikel 4.108 van het Bbl worden genoemd. Alhoewel de voorzieningenrechter het met [afkorting bouwbedrijf X] en het college eens is dat een PowerNEST-installatie niet voorkomt op de lijst met installaties in artikel 4.108, eerste of tweede lid, van het Bbl, is de voorzieningenrechter van oordeel dat een PowerNEST-installatie vergelijkbaar is met een “mechanische voorziening voor warmteterugwinning” uit het tweede lid van dit artikel. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat een mechanische voorziening voor warmteterugwinning en een PowerNEST-installatie eenzelfde soort geluidhinder kan veroorzaken en dat er in beide gevallen sprake is van een energievoorziening voor de bewoners. In de nota van toelichting bij Afdeling 3.2 van het Bouwbesluit 2012 is opgemerkt dat voor de woonfunctie voortaan ook voorschriften zijn opgenomen ter voorkoming van geluidoverlast van de eigen gebouwinstallaties. Dat is volgens de nota van toelichting vooral van belang omdat men met het oog op energiezuinigheid en de kwaliteit van het binnenmilieu steeds meer afhankelijk wordt van installaties. Geluidoverlast van dergelijke installaties kan de gezondheid schaden, hetzij door het geluid zelf, hetzij doordat men de installatie uitschakelt om de geluidhinder te beperken. Artikel 3.9 van het Bouwbesluit 2012 is volgens de nota van toelichting opgenomen ter beperking van overlast van installaties voor op het zelfde perceel gelegen gebruiksfuncties. Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat artikel 4.108 van het Bbl, dat nagenoeg gelijkluidend is aan artikel 3.9 van het Bouwbesluit 2012, zo moet worden uitgelegd dat het ook is bedoeld om gelijksoortige overlast van vergelijkbare installaties voor op hetzelfde perceel gelegen gebruiksfuncties te beperken. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat er geen bescherming wordt geboden tegen geluidhinder in gevallen als deze. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat de in artikel 4.108, tweede lid, van het Bbl opgenomen normering van 30 dB van toepassing is. 7.6. De volgende vraag die de voorzieningenrechter dient te beantwoorden is de vraag of er sprake is van een overtreding van artikel 4.108 van het Bbl. Het college en [afkorting bouwbedrijf X] stellen dat dat niet het geval is. 7.7. Het college stelt onder verwijzing naar het geluidrapport van 29 april 2025 van LBP Sight (het geluidrapport) dat geen sprake is van een overschrijding van de norm van 30 dB. LBP Sight heeft geluidmetingen uitgevoerd in december 2024 om de geluidbelasting vanwege het in