Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-07-17
ECLI:NL:RBROT:2026:8659
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/7045 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. A. Šimičević), en de minister van Financiën (gemachtigde: [naam] ). Samenvatting 1. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om overname van geldschulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister heeft de aanvraag gedeeltelijk afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dat terecht gedaan. Hij mocht ook in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing laten. Het beroep is ongegrond. Procesverloop 2. Met het besluit van 20 januari 2025 heeft de minister de aanvraag van eiseres om overname van private schulden gedeeltelijk afgewezen op grond van de Wht. 2.1. Met het besluit van 7 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 20 januari 2025 ongegrond verklaard. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. Partijen hebben de rechtbank laten weten een zitting niet nodig te vinden. De rechtbank heeft bepaald dat een zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiseres is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft een aanvraag gedaan om overname van private schulden op grond van de Wht. De minister heeft zeven schulden overgenomen, een schuld gedeeltelijk overgenomen en zes schulden niet overgenomen. Met het bestreden besluit is de minister daarbij gebleven. Overname van private schulden 4. Eiseres betoogt dat de minister de aanvraag ten onrechte gedeeltelijk heeft afgewezen. Uit het dossier blijkt niet dat de schuld aan [bedrijf 1] na 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. De minister heeft miskend dat de eerste schuld aan [bedrijf 2] met referentie [kenmerk 1] is ontstaan in april 2021 door de financiële problemen als gevolg van de toeslagenaffaire. De overname van de tweede schuld aan [bedrijf 2] (referentie [kenmerk 2] ) is ten onrechte geweigerd, omdat uit het dossier blijkt dat de schuld is ontstaan op 12 november 2019. Ten aanzien van de derde schuld aan [bedrijf 2] (referentie [kenmerk 3] ) heeft de minister ten onrechte het verhaal dat eiseres hierover heeft verteld niet meegewogen. 4.1. Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. De minister neemt op aanvraag de geldschulden over van een gedupeerde toeslagenouder. De geldschulden die worden overgenomen zijn ontstaan na 31 december 2005, waren voor 1 juni 2021 opeisbaar en zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. Een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad wordt niet overgenomen. 4.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de aanvraag om overname van de schulden aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] terecht afgewezen. De rechtbank licht dat hierna toe. 4.2.1. Uit het overzicht met kredietdetails van Stichting BKR blijkt dat eiseres op 23 april 2019 een aflopend krediet van € 14.071,- heeft afgesloten bij [bedrijf 1] . Uit hetzelfde overzicht blijkt dat op 4 juni 2021 een achterstand is ontstaan. Dat betekent dat de schuld na 1 juni 2021 opeisbaar is geworden en dus niet voldoet aan de voorwaarden voor overname van een geldschuld op grond van de Wht. 4.2.2. De schuld aan [bedrijf 2] met referentie [kenmerk 1] betreft een huurschuld. Uit een specificatie van de deurwaarder blijkt dat op 1 mei 2021 sprake was van een achterstand van € 713,68. De huurtermijn van juni 2021 bedroeg € 999,16. Op 1 juni 2021 is € 142,74 betaald en op 25 juni 2021 € 999,16. Omdat de oudste schuld als eerste wordt afgelost, is met de betaling op 25 juni 2021 de achterstand die voor 1 juni 2021 bestond volledig betaald. Dat betekent dat de door eiseres ingediende huurschuld van € 8.918,85 is ontstaan en opeisbaar is geworden na 1 juni 2021. De schuld komt daarom niet in aanmerking voor overname op grond van artikel 4.1 van de Wht. Verder bli