Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-07-16
ECLI:NL:RBROT:2026:8653
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/4882 uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juli 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker (gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro), en de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) (gemachtigde: mr. S. Sheikchote). Samenvatting Het CBR heeft verzoeker een onderzoek naar zijn alcoholgebruik (rijgeschiktheid) opgelegd en de geldigheid van verzoekers rijbewijs hangende dit onderzoek geschorst. Verzoeker is het hier niet mee eens en verzoekt daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Procesverloop 1. Met het bestreden besluit van 29 mei 2026 heeft het CBR verzoeker te kennen gegeven dat hij een onderzoek naar zijn alcoholgebruik moet laten doen en hangende dit onderzoek de geldigheid van verzoekers rijbewijs geschorst. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 1.1. Het CBR heeft op het verzoekschrift gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het CBR. Beoordeling door de voorzieningenrechter Wat is er gebeurd? 2. Verzoeker is op 27 mei 2025 om 02:30 uur als bestuurder van een bedrijfsauto door de politie aangehouden op verdenking van het rijden onder invloed van alcohol (artikel 8, tweede lid aanhef en onder a, van de WVW 1994 (WVW). De aanhouding vond plaats op de [straat] in [plaats 2] . Verzoeker viel op door zijn rijgedrag (met zeer lage snelheid optrekken). Bij verzoeker is een blaastest afgenomen. Het resultaat van de ademanalyse bedroeg 345 μg/l (0,794 ‰). 2.1. Op 21 februari 2026 is verzoeker opnieuw als bestuurder van een bedrijfsauto door de politie aangehouden op verdenking van het rijden onder invloed van alcohol. De dienstdoende politiebeambten kregen om 02:56 uur de melding van een verkeersongeval op de A38 bij Ridderkerk. Ter plaatse bleek het te gaan om een eenzijdig ongeval. Verzoeker was rechtdoor gereden in een bocht en tegen een boom gebotst. Na een voorlopige ademtest is verzoeker wegens (vermoedelijk) letsel overgebracht naar het ziekenhuis. Uit het daar verrichte bloedonderzoek bleek een alcoholgehalte van 700 μg/l (1,610 ‰). 2.2. Op 19 april 2026 rond 02:53 uur is verzoeker wederom als bestuurder van een bedrijfsauto door de politie staande gehouden op verdenking van het rijden onder invloed van alcohol. Bij verzoeker is een blaastest afgenomen . Het resultaat van de ademanalyse bedroeg 570 μg/l (1,311 ‰). 2.3. Van de genoemde incidenten is proces-verbaal opgemaakt. Met het proces-verbaal van 17 mei 2026, dat ziet op het incident op 19 april 2026, heeft de politie tevens mededeling gedaan aan het CBR van het vermoeden dat verzoeker niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid en/of lichamelijke of geestelijke geschiktheid om een motorrijtuig te besturen (artikel 130 van de WVW). 3. Met het besluit van 22 mei 2026 heeft het CBR verzoeker in verband met de incidenten van 27 mei 2025 en 21 februari 2026 een Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (EMA-cursus) opgelegd. 4. Bij brief van 29 mei 2026 heeft het CBR verzoeker bericht dat hij de EMA-cursus niet meer hoeft te volgen. Het CBR heeft nieuwe informatie ontvangen, waaruit blijkt dat een EMA-cursus niet langer de juiste maatregel is. Het CBR zal verzoeker bij afzonderlijk besluit een andere maatregel opleggen. Vervolgens heeft het CBR nog diezelfde dag het bestreden besluit genomen. Waar gaat deze zaak om? 5. Met het bestreden besluit heeft het CBR verzoeker een onderzoek naar zijn alcoholgebruik opgelegd. Zijn rijbewijs is hangende dit onderzoek geschorst. Naar aanleiding van de mededeling van de politie van 17 mei 2026 en de onderliggende politierapportage is bij het CBR het vermoeden gerezen dat verzoeker niet langer geschikt is om een motorrijtuig te best Op basis van dit (derde) incident heeft het CBR besloten dat een EMA-cursus niet langer een juiste maatregel is en dat een nieuw besluit moet worden genomen. Vervolgens heeft het CBR nog diezelfde dag (29 mei 2026) het bestreden besluit genomen en verzoeker een onderzoek naar de rijgeschiktheid opgelegd. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de brief van 29 mei 2026 en het besluit van 29 mei 2026, in onderlinge samenhang gelezen, voldoende duidelijk maken dat het eerdere besluit van 22 mei 2026 als ingetrokken moet worden beschouwd. Verzoeker kan dus geen gerechtvaardigd beroep doen op het vertrouwensbeginsel. Mocht het CBR verzoeker een onderzoek naar het alcoholgebruik opleggen? 11. De bevoegdheid voor het CBR om een onderzoek naar het alcoholgebruik op te leggen staat in artikel 131 van de WVW gelezen in samenhang met artikel 23 van de Regeling. Die bevoegdheid is er als tijdens een ademonderzoek een bepaald ademalcohol-gehalte is vastgesteld (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1943). 12. Niet is in geschil dat verzoeker als bestuurder van een motorrijtuig binnen een tijdsbestek van één jaar drie maal door de politie is aangehouden op verdenking van het rijden onder invloed van alcohol. Op 19 april 2026 bedroeg het resultaat van de ademanalyse 570 μg/l (1,311 ‰), op 21 februari 2026: 700 μg/l (1,610 ‰) en op 27 mei 2025: 345 μg/l (0,794 ‰). Het CBR stelt zich daarom terecht op het standpunt dat voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met de artikelen 5 en 6 van de Regeling. Dit betekent dat het CBR bevoegd is om verzoeker een onderzoek naar de rijgeschiktheid (lees: zijn alcoholgebruik) op te leggen en hangende dit onderzoek het rijbewijs van verzoeker te schorsen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2325). 13. Het CBR heeft hierbij het incident van 19 april 2026 alsnog, als derde relevant feit, mogen meenemen in de besluitvorming. Het CBR is eerst op 17 mei 2026 door de politie van dit feit op de hoogte gesteld. Mogelijk hebben de politierapportage en het als ingetrokken te beschouwen besluit van 22 mei 2026 elkaar gekruist. Voor zover verzoeker stelt dat het voor hem onduidelijk was wat het nieuwe feit was, kan de voorzieningenrechter hem niet volgen. In het bestreden besluit is naast de in het besluit van 22 mei 2026 genoemde feiten een nieuw feit van 19 april 2026 vermeld. Overigens wist verzoeker dat dit feit er lag en had hij dus in redelijkheid kunnen vermoeden dat dit ten onrechte niet in het besluit van 22 mei 2026 was meegenomen en hem (wellicht) alsnog op een later tijdstip zou worden tegengeworpen. Daarbij heeft het CBR niet onzorgvuldig gehandeld door al binnen een week een nieuw besluit te nemen. Is het bestreden besluit evenredig? 14. Verzoeker stelt dat hij door het bestreden besluit onevenredig wordt benadeeld. Hij heeft het rijbewijs nodig voor het uitoefenen van zijn eigen bedrijf. 15. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2924) laten de toepasselijke bepalingen van de WVW en de Regeling geen ruimte om een belangenafweging te maken en op grond van persoonlijke omstandigheden daarvan af te wijken. Wel kan de rechter, in een zeer uitzonderlijk geval, oordelen dat de Regeling buiten toepassing moet blijven, omdat de gevolgen van de Regeling onevenredig uitwerken. 16. De voorzieningenrechter ziet geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onevenredig is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hier geen sprake van een zeer uitzonderlijk geval. De situatie van verzoeker wijkt niet af van die van andere personen aan wie een onderzoek naar de rijvaardigheid is opgelegd en van wie de geldigheid van het rijbewijs is geschorst en die een eigen bedrijf hebben. Conclusie en gevolgen 17. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat