Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-01-28
ECLI:NL:RBROT:2026:858
RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Vonnis van 28 januari 2026 in de verwezen en gevoegde procedure met zaaknummer: C/10/696825 / HA ZA 25-276 (was C/19/148921 / HA ZA 24-131) [eiser] , te [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. N. Lubach, tegen 1. [gedaagde 1A] , te [plaats 2] , advocaat: mr. A.J. ter Wee, 2 . DOMAIN GASSELTERVELD B.V. , te Bergentheim, niet verschenen, 3 . DJH MEPPEL B.V. , te Zwolle, advocaat: mr. A.J. ter Wee 4 . CANADA RESORT DEN HAM B.V. , te Meppel, advocaat: mr. A.J. ter Wee, 5 . HUTTEN MEPPEL BEHEER B.V. , te Zwolle, advocaat: mr. A.J. ter Wee, 6 . HV BOUWONTWIKKELING MEPPEL B.V. , te Meppel, advocaat: mr. A.J. ter Wee, gedaagde partijen, gedaagden hierna samen te noemen: [gedaagde 1A] c.s. en in de procedure met zaaknummer: C/10/683857 / HA ZA 24-682 [eiser] , te [plaats 1] , eisende partij, advocaat: mr. N. Lubach, tegen 1. [gedaagde 1B] , 2 . [gedaagde 2] , te [plaats 3] , gedaagde partijen, hierna te noemen [gedaagde 1B] c.s. advocaat: mr. G.P. Polders, en in de vrijwaringszaak met zaaknummer: C/10/699532 / HA ZA 225-403 1. [gedaagde 1A] , te [plaats 2] , advocaat: mr. A.J. ter Wee, 2 . DOMAIN GASSELTERVELD B.V. , te Bergentheim, niet verschenen, 3 . DJH MEPPEL B.V. , te Zwolle, advocaat: mr. A.J. ter Wee, 4. CANADA RESORT DEN HAM B.V. , te Meppel, advocaat: mr. A.J. ter Wee, 5 . HUTTEN MEPPEL BEHEER B.V. , te Zwolle, advocaat: mr. A.J. ter Wee, 6 . HV BOUWONTWIKKELING MEPPEL B.V. , te Meppel, advocaat: mr. A.J. ter Wee, eisende partijen, tegen 1. [gedaagde 1B] , 2 . [gedaagde 2] , te [plaats 3] , gedaagde partijen, advocaat: mr. G.P. Polders, 1 De zaken in het kort 1.1. In dit vonnis zijn drie samenhangende zaken aan de orde. [eiser] heeft vorderingen op [gedaagde 1A] c.s. uit geldlening overgenomen. Die geldlening is aan [gedaagde 1A] c.s. verstrekt door de vennootschap van de broer van [eiser] , [naam 1] , die op 27 februari 2017 is overleden. 1.2. [naam 1] heeft ook rechtstreeks betalingen verricht aan [gedaagde 1B] c.s. Het bedrag van die betalingen maakt onderdeel uit van de geldlening die aan [gedaagde 1A] c.s. is verstrekt. 1.3. [eiser] heeft [gedaagde 1A] c.s. aangesproken voor de gehele leningschuld, dus ook voor het deel dat rechtstreeks aan [gedaagde 1B] c.s. is betaald. [eiser] heeft [gedaagde 1B] c.s. aangesproken tot terugbetaling van het gedeelte dat rechtstreeks aan hen is betaald. 1.4. [gedaagde 1A] c.s. hebben [gedaagde 1B] c.s. in vrijwaring opgeroepen. Zij vorderen dat [gedaagde 1B] c.s. worden veroordeeld om aan [gedaagde 1A] c.s. een gedeelte te betalen van het bedrag waartoe [gedaagde 1A] c.s. veroordeeld worden. 1.5. De rechtbank zal bij eindvonnis de vordering van [eiser] tegen [gedaagde 1A] c.s. voor het grootste deel toewijzen. [eiser] krijgt de opdracht om te bewijzen dat de betalingen aan [gedaagde 1B] c.s. ten titel van geldlening zijn verricht. De beslissingen worden intussen aangehouden. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de verwezen en gevoegde procedure met nummer C/10/696825/ HA ZA 25-276 ( [eiser] v. [gedaagde 1A] c.s.) blijkt uit: - het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 22 januari 2025 in de zaak C/19/148921 / HA ZA 24-131 en de daarin genoemde stukken; - het anticipatie-exploot namens [eiser] van 20 maart 2025; - de conclusie van antwoord van 14 mei 2025 met producties 1-8; - de brief van de rechtbank van 16 juli 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de akte van [eiser] van 8 december 2025 met producties 9-31; - productie 9 van [gedaagde 1A] c.s. 2.2. Het verloop van de procedure in de zaak met nummer C/10/683857 HA ZA 24-682 ( [eiser] v. [gedaagde 1B] c.s.) blijkt uit: - de dagvaarding van 30 juli 2024 met producties 1-8; - de conclusie van antwoord van 25 september 2024 met producties G1-G5; - de akte uitlating partijen van [gedaagde 1B] c.s. van 18 december 2024; - de brief van de rechtbank van 16 juli 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de ak De geldlening loopt tot 8 juli 2019. Indien de schuldenaar op 8 juli 2019 geen aflossing heeft gedaan, zal de schuldenaar uiterlijk 15 juli 2019 schriftelijk een aflossingsvoorstel doen aan de schuldeiser. De leningschuld is opeisbaar op een termijn van 14 dagen na een schriftelijke opzegging. 3.13. In de overwegingen van Overeenkomst II staat: “ In aanmerking nemend dat: (…) - de schuldenaar per 31 december 2016 een bedrag groot EUR 405.397,24 van schuldeiser heeft geleend voor het aflossen andere financieringen, het dragen van de exploitatiekosten en het doen van noodzakelijke aanbetalingen voor het verkrijgen van een herfinanciering bij een derde partij; - onderdeel van het bedrag van EUR 405.394,24 is een lening groot EUR 180.752,74 van schuldeiser aan de heer [naam 7] en mevrouw [gedaagde 2] (gespecificeerd in het bijgevoegde verloopoverzicht); - op het moment dat de heer [naam 7] en/of mevrouw [gedaagde 2] tot aflossing aan schuldeiser overgaat zal het afgeloste bedrag in mindering worden gebracht op de hoofdsom van EUR 549.231,64 die schuldenaar schuldig is; - de hoofdsom van de lening door rente en de verrekening van voor dienstverlening verstuurde facturen opgelopen is tot een bedrag van EUR 549.231,64 per 19 juni 2019; (…)” 3.14. Bij akte van 1 juli 2023 heeft [naam 2] de vordering op [gedaagde 1A] c.s. uit hoofde van Overeenkomst II overgedragen aan [eiser] . 3.15. Bij e-mail van 7 augustus 2023 heeft [eiser] aan [gedaagde 1A] c.s. mededeling van deze cessie gedaan. De e-mail bevat ook een verklaring met de strekking dat de verjaring van de vorderingen op [gedaagde 1A] c.s. wordt gestuit. 3.16. Bij gelijkluidende brieven van 29 november 2023 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde 1A] c.s. gesommeerd om het bedrag van € 549.231,64, dat zij uit hoofde van Overeenkomst II verschuldigd zijn vermeerderd met de contractuele rente, binnen 15 dagen te betalen. [gedaagde 1A] c.s. hebben niets betaald. De lening van Progh 3.17. Progh B.V. is een vennootschap van [eiser] . 3.18. Op 26 juli 2017 hebben Progh, vertegenwoordigd door [eiser] , en [gedaagde 1A] een “Overeenkomst onderhandse kortlopende lening” gesloten. In die overeenkomst staat onder meer en samengevat het volgende. [gedaagde 1A] verklaart € 15.000,00 ten titel van geldlening te hebben ontvangen van Progh. De lening dient zo spoedig mogelijk maar uiterlijk op 31 december 2017 te zijn terugbetaald. Als [gedaagde 1A] niet op tijd betaalt, is Progh gerechtigd om de leningschuld op te eisen. Over de lening is een rente van 10% per jaar achteraf verschuldigd. 3.19. Bij akte van 1 juli 2023 heeft Progh de vordering op [gedaagde 1A] overgedragen aan [eiser] . 3.20. Bij e-mail van 14 december 2023 heeft [gedaagde 1A] aan de advocaat van [eiser] geschreven: “De totaal genoemde vordering ad. € 549.231,64 aan [eiser] erken ik niet. Wel heeft [eiser] via zijn BV PROGH op 26 juli 2017 een lening aan mij in privé verstrekt van € 13.000,00 Deze is tot op heden niet afgelost, en ik zou daar graag een afbetalingsregeling over willen afspreken.” 4 Het geschil In de verwezen en gevoegde procedure met nummer C/10/696825 / HA ZA 25-276 ( [eiser] v. [gedaagde 1A] c.s.) 4.1. [eiser] vordert - samengevat – (i) hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1A] c.s. tot betaling van € 549.231,64, vermeerderd met contractuele rente van 5% per jaar vanaf 19 juni 2019 tot de dag van algehele betaling en (ii) veroordeling van [gedaagde 1A] tot betaling van € 15.000,00, vermeerderd met contractuele rente vanaf 26 juli 2017 tot de dag van algehele betaling. [eiser] vordert verder dat [gedaagde 1A] c.s. hoofdelijk in de proceskosten met rente worden veroordeeld en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. 4.2. Aan zijn vorderingen heeft [eiser] het volgende ten grondslag gelegd. [eiser] is cessionaris van de vorderingen van [naam 2] op [gedaagde 1A] c.s. uit hoofde van Overeenkomst II. [eiser] vordert nakoming van Overeenkomst II. [gedaagde 1A] c.s. moeten het bedrag van € 549.231,64 dat Naar vaste jurisprudentie werken de door de wel verschenen gedaagden gevoerde verweren niet in het voordeel van de gedaagden die niet zijn verschenen, tenzij sprake is van een rechtsbetrekking tussen partijen die verplicht tot een voor alle partijen gelijke beslissing . Van een dergelijke rechtsbetrekking is geen sprake. De vorderingen tegen Domaine Gasselterveld komen de rechtbank voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor en die zullen daarom bij eindvonnis worden toegewezen. Waar in dit vonnis hierna voor de leesbaarheid over “ [gedaagde 1A] c.s.” wordt gesproken, moet er rekening mee worden gehouden dat de beoordeling die volgt zich niet uitstrekt tot Domaine Gasselterveld . De vorderingen uit hoofde van Overeenkomst II 5.3. [gedaagde 1A] c.s. erkennen dat zij Overeenkomst II hebben getekend, waarin onder meer staat dat [gedaagde 1A] c.s. op 19 juni 2019 een bedrag van € 549.231,64 ten titel van geldlening hadden ontvangen, dat [gedaagde 1A] c.s. over dat bedrag vanaf 19 juni 2019 rente verschuldigd zijn van 5% per jaar en dat die lening tot 8 juli 2019 werd verstrekt. Omvang van de lening 5.4. [gedaagde 1A] c.s. hebben aangevoerd dat van de totale hoofdsom per 19 juni 2019 van € 549.231,64 een bedrag van € 180.752,74 niet aan hen, maar aan [gedaagde 1B] c.s. is geleend. [gedaagde 1A] c.s. hebben in dit verband verwezen naar de overwegingen in Overeenkomst II die hiervoor onder 3.13 zijn weergegeven. [gedaagde 1A] c.s. stellen zich op het standpunt dat hun schuld aan [eiser] met een bedrag van € 180.752,74 verminderd moet worden, althans dat [gedaagde 1B] c.s. voor dit gedeelte van de schuld aan [eiser] hoofdelijk naast [gedaagde 1A] c.s. aansprakelijk zijn. 5.5. [eiser] heeft daartegen ingebracht dat hetgeen aan [gedaagde 1B] c.s. is betaald deel uitmaakt van de leningschuld waarvoor [gedaagde 1A] c.s. in Overeenkomst II hebben getekend. Daaraan doet niet af dat in de overwegingen staat dat wat [gedaagde 1B] c.s. rechtstreeks aan “schuldeiser” betalen af gaat van wat [gedaagde 1A] c.s. moeten betalen. Als [gedaagde 1B] c.s. niets hebben betaald, zoals het geval is, dan kan [eiser] betaling vorderen van [gedaagde 1A] c.s., aldus [eiser] . 5.6. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1A] verklaard dat de betalingen die door LH Holding en [naam 1] rechtstreeks zijn gedaan aan [gedaagde 1B] c.s. dienden om [gedaagde 1B] c.s. in staat te stellen om een financiering te regelen ten behoeve van de vastgoedprojecten van [gedaagde 1A] c.s. Het ging met name om de kosten van adviseurs, zoals advocaten en notarissen. [gedaagde 1A] heeft desgevraagd erkend dat deze betalingen ten gunste van hemzelf en zijn ondernemingen zijn gekomen. [gedaagde 1A] heeft ook verklaard dat [gedaagde 1B] c.s. rechtstreeks in contact stonden met [naam 1] , zodat [gedaagde 1A] niet steeds op de hoogte was van de betalingen die werden verricht. [gedaagde 1B] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling bevestigd. 5.7. De rechtbank oordeelt als volgt. In Overeenkomst II staat dat [gedaagde 1A] c.s. per 19 juni 2019 een bedrag van € 549.231,64 hebben geleend en dat zij voor dat bedrag “schuldenaar” zijn. Een redelijke uitleg van Overeenkomst II brengt mee dat [gedaagde 1A] c.s. het gehele bedrag van € 549.231,64 aan de “schuldeiser” moesten terugbetalen, behalve voor zover [gedaagde 1B] c.s. al een deel van dat bedrag zouden hebben terugbetaald. Onduidelijk is gebleven waarom de partijen bij Overeenkomst II de verwachting hadden dat [gedaagde 1B] c.s. iets zouden terugbetalen, omdat wat [gedaagde 1B] c.s. van LH Holding en [naam 1] rechtstreeks hadden ontvangen kennelijk werd gebruikt om kosten van derden te betalen die ten behoeve van [gedaagde 1A] c.s. werden gemaakt. Dat [gedaagde 1B] c.s. bij het betalen van die kosten van derden ook zelf belang hadden, hebben [gedaagde 1A] c.s. niet gesteld. Dat de kosten ten behoeve van [gedaagde 1A] c.s. zijn gemaakt, verklaart waarom die kosten “onderdeel zijn” van de lening aan [gedaagde 1A] c.s. [gedaagde 1 Dat betekent dat ook het beroep op verjaring faalt. De verjaring van de vorderingen uit hoofde van Overeenkomst II is door de e-mail met de stuitingsbrief van [eiser] van 7 augustus 2023 tijdig gestuit. Dat geldt niet alleen voor de vorderingen op [gedaagde 1A] , maar ook voor de vorderingen op zijn vennootschappen. De e-mail is aan [gedaagde 1A] gestuurd. [gedaagde 1A] was op dat moment bestuurder van alle vennootschappen die in Overeenkomst II als schuldenaar zijn gedefinieerd. Het moet hem duidelijk zijn geweest dat de stuiting hem in die hoedanigheid werd gestuurd en gold voor de vorderingen op hem en zijn vennootschappen. [gedaagde 1A] c.s. zijn in Overeenkomst II immers gezamenlijk als “schuldenaar” aangeduid. Beroep op artikel 1:88 BW faalt 5.13. [gedaagde 1A] c.s. hebben aangevoerd dat [gedaagde 1A] op grond van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder c BW voor het aangaan van Overeenkomst II de toestemming van zijn echtgenote nodig had en dat door het ontbreken van die toestemming Overeenkomst II ten aanzien van hem vernietigbaar is, althans voor zover de vordering van [gedaagde 1A] c.s. op [gedaagde 1A] meer bedraagt dan € 3.114,50. Alleen dat bedrag is ten goede gekomen aan [gedaagde 1A] in privé. De echtgenote van [gedaagde 1A] heeft op 28 oktober 2024 een verklaring uitgebracht met de strekking dat zij de rechtshandelingen van [gedaagde 1A] vernietigt, aldus [gedaagde 1A] c.s. 5.14. Het beroep op artikel 1:88 lid 1 onder c BW faalt. Op grond van artikel 3 van Overeenkomst II is [gedaagde 1A] hoofdelijk, naast de overige schuldenaren, verbonden voor de verplichtingen uit Overeenkomst II. Als zodanig valt het aangaan van Overeenkomst II onder het bereik van artikel 1:88 lid 1 aanhef en onder c BW. Artikel 1:88 lid 5 BW bepaalt echter dat toestemming voor een rechtshandeling als bedoeld in lid 1 aanhef en onder c, niet is vereist, indien zij wordt verricht door een bestuurder van besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen houdt en mits zij geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap. Daarvan is hier sprake. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 1A] desgevraagd verklaard dat hij directeur grootaandeelhouder is van DJH Meppel, Canada Resort Den Ham, Hutten Meppel Beheer en HV Bouwontwikkeling Meppel en dat hij directeur grootaandeelhouder is geweest van Domain Gasselterveld. Volgens de eigen stellingen van [gedaagde 1A] c.s. hebben [gedaagde 1A] c.s. financiering betrokken bij LH Holding en [naam 1] om in deze vennootschappen zakelijke vastgoedprojecten te ontwikkelen en waren zij doende voor die projecten elders financiering voor nog eens een bedrag van € 5.000.000,00 aan te trekken. Het is niet ongewoon dat het ontwikkelen van vastgoed met geleend geld gebeurt en dat was ook in dit geval kennelijk zo. Toestemming van de echtgenote van [gedaagde 1A] was onder die omstandigheden niet vereist voor het aangaan van Overeenkomst II. Overeenkomst II is daarom niet ten aanzien van [gedaagde 1A] vernietigbaar. De verklaring van 28 oktober 2024 mist doel. Beroep op artikel 6:248 BW faalt 5.15. [gedaagde 1A] c.s. hebben tenslotte aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om een betalingsverplichting voor [gedaagde 1A] aan te nemen. De omstandigheden die [gedaagde 1A] c.s. in dit verband hebben genoemd zijn de volgende: i) [gedaagde 1A] heeft zelf nooit meer dan enkele duizenden euro’s ontvangen; ii) [gedaagde 1A] en [naam 1] waren bevriend; Overeenkomst II is achteraf, na het overlijden van [naam 1] , door [naam 3] opgemaakt en door [gedaagde 1A] in goed vertrouwen getekend; iii) het ging evident om zakelijke financieringen; iv) [gedaagde 1A] zal persoonlijk failliet gaan of in de schuldsanering belanden; v) [eiser] heeft als cessionaris niet aantoonbaar iets voor de vorderingen op [gedaagde 1A] c.s. betaald; vi) er bestaat op korte termijn uitzicht op De vordering is pas opeisbaar geworden, nadat [eiser] in 2023 aanspraak had gemaakt op terugbetaling. Bovendien heeft [gedaagde 1A] de vordering van [eiser] bij e-mail van 14 december 2023 uitdrukkelijk erkend. 5.23. De rechtbank oordeelt als volgt. De overeenkomst tussen Progh en [gedaagde 1A] bepaalt dat de lening op 31 december 2017 moest zijn terugbetaald. Op dat moment was de vordering opeisbaar. Op grond van artikel 3:307 lid 1 BW is de verjaringstermijn van vijf jaren op 1 januari 2018 begonnen. De verjaring was op 1 januari 2023 voltooid. Toen [eiser] op 18 juli 2023 als cessionaris van de vordering van Progh aanspraak maakte op betaling was de vordering dus verjaard. [eiser] mocht de e-mail van [gedaagde 1A] van 14 december 2023 (hiervoor weergegeven onder 3.20) niet zo begrijpen dat [gedaagde 1A] de vordering in weerwil van de verjaring erkende en zou betalen. De vorderingen van [eiser] tegen [gedaagde 1A] wordt afgewezen. In de procedure met nummer C/10/683857 / HA ZA 24-682 ( [eiser] v. [gedaagde 1B] c.s.) 5.24. [gedaagde 1B] c.s. hebben betwist dat zij geld van LH Holding en [naam 1] hebben ontvangen ten titel van geldlening. [gedaagde 1B] , [gedaagde 1A] en [naam 1] hebben afgesproken dat [gedaagde 1A] en zijn vennootschappen geld van [naam 1] zouden lenen om de projecten van [gedaagde 1A] c.s. van de grond te krijgen. Die lening zou ook worden gebruikt om de kosten te betalen die door [gedaagde 1B] gemaakt moesten worden om ten behoeve van [gedaagde 1A] c.s. een financiering aan te trekken. Alleen uit praktisch oogpunt vonden de betalingen direct plaats aan [gedaagde 1B] c.s., aldus [gedaagde 1B] c.s. 5.25. De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat LH Holding en [naam 1] bedragen aan [gedaagde 1B] c.s. hebben betaald. De hoogte van het totaal van die bedragen is in geschil. [eiser] vordert € 173.611,33. In Overeenkomst II is dit bedrag vastgesteld op € 180.752,74, maar bij die overeenkomst zijn [gedaagde 1B] c.s. geen partij. Dat enig bedrag aan [gedaagde 1B] c.s. is betaald ten titel van geldlening, dus met de bedoeling dat [gedaagde 1B] c.s. (en niet uitsluitend [gedaagde 1A] c.s.) een overeenkomstige som geld zouden terugbetalen is nog onvoldoende aannemelijk geworden. 5.26. Er is geen overeenkomst van geldlening op schrift. Bij Overeenkomst I en Overeenkomst II zijn [gedaagde 1B] c.s. geen partij. [eiser] heeft zijn stellingen onderbouwd met bankafschriften en SMS-berichten en met verklaringen van [gedaagde 1A] , [naam 4] en van zichzelf. De tientallen SMS-berichten bevatten onvoldoende concrete aanwijzingen dat sprake is geweest van een geldlening aan [gedaagde 1B] c.s. en om welk bedrag het in totaal gaat. Ook de verklaringen bieden hiervoor onvoldoende steun. [gedaagde 1A] heeft een eigen belang bij een uitkomst, waarbij een deel van zijn schuld aan [eiser] als lening aan [gedaagde 1B] c.s. wordt aangemerkt. Hetzelfde geldt voor [eiser] die in deze procedure de eiser is. [eiser] heeft bovendien niet verklaard dat hij in de periode dat de betalingen aan [gedaagde 1B] c.s. werden verricht zelf betrokken is geweest. De verklaring van [naam 4] betreft ook met name een reconstructie en duiding achteraf. [naam 4] is bestuurder geworden van LH Holding in 2019. Volgens zijn verklaring vond de laatste betaling aan [gedaagde 1B] c.s. plaats op 17 februari 2017. Deze verklaringen maken onvoldoende aannemelijk dat sprake is geweest van een geldlening aan [gedaagde 1B] c.s. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] nog verklaard dat [gedaagde 1B] het geld heeft geleend en, als dat niet het geval is, dat dan [gedaagde 1A] het geld heeft geleend. Ook dat wijst erop dat [eiser] beide mogelijkheden open laat. 5.27. [gedaagde 1B] c.s. hebben hun betwisting dat zij enig bedrag ten titel van geldlening hebben ontvangen nader onderbouwd met verklaringen van [naam 3] en [naam 5] . [naam 3] was bestuurder van LH Holding naast [naam 1] sinds 18 mei 2016. [naam 5] heeft onbetwist verklaard dat hij vanaf de oprichting