Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-04-02
ECLI:NL:RBROT:2026:8065
RECHTBANK ROTTERDAM Team kanton Zaaknummer: 11706063 CV EXPL 25-2104 Vonnis van 2 april 2026 in de zaak van [persoon A] , woonplaats: [woonplaats 1] , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, gemachtigde: mr. H.J.C. de Waard, Zwijndrecht, tegen 1. [persoon B] , woonplaats: [woonplaats 2] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie, gemachtigde: mr. F.C. Frederiks, Zwijndrecht; 2. [persoon C] , woonplaats: [woonplaats 3] , gedaagde in conventie en in reconventie, die niet formeel in de procedure is verschenen; 3. [persoon D] , woonplaats: [woonplaats 2] , gedaagde in conventie, verweerster in reconventie, gemachtigde: mr. L.A. Jansen, Oud-Beijerland; 4. [persoon E] , woonplaats: [woonplaats 4] , gedaagde in conventie, verweerder in reconventie, gemachtigde: mr. L.A. Jansen, Oud-Beijerland. De partijen worden ‘ [persoon A] ’, ‘ [persoon B] ’, ‘ [persoon D] ’ en ‘ [persoon E] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 28 januari 2025; de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie van [persoon B] ; de exceptie van onbevoegdheid, tevens conclusie van antwoord van [persoon D] en [persoon E] ; de incidentele conclusie van antwoord van [persoon A] ; het vonnis in incident van 14 mei 2025 (zaaknummer: C/10/693910/HA ZA 25-133); de akte aanvulling van eis van [persoon A] van 16 februari 2026; het proces-verbaal van de op 26 februari 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarin een gedeeltelijke schikking tussen partijen is opgenomen; door partijen overgelegde bijlagen. 1.2. Op 26 februari 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen besproken. Aanwezig waren [persoon A] met mr. De Waard, [persoon B] met mr. Frederiks, [persoon D] en [persoon E] met mr. Jansen, en [persoon C] . Ook aanwezig waren de echtgenote van [persoon B] en de echtgenoot van [persoon C] . 1.3. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen een gedeeltelijke schikking bereikt. Met die schikking zijn de vorderingen tegen [persoon B] (die op zijn beurt zijn reconventionele vordering heeft ingetrokken) en [persoon C] geëindigd, zodat nu vonnis wordt gewezen in de procedure tussen [persoon A] , [persoon D] en [persoon E] wat betreft de resterende vorderingen. 2 Het geschil Waar gaat de zaak (nog) over? 2.1. De zaak gaat over de nalatenschap van de op [overlijdensdatum 1] overleden moeder van partijen. Na een bereikte schikking over de verdeling van de nalatenschap van moeder en een vermindering van eis, resteert alleen nog de vraag te beantwoorden of [persoon D] en [persoon E] veroordeeld moeten worden om de gedenksteen/dekplaat bij het graf van hun ouders op eigen kosten terug te brengen in de oude staat. Die vraag beantwoordt de kantonrechter ontkennend. Dit betekent dat de vorderingen van [persoon A] worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd hoe tot dit oordeel is gekomen. Feiten die voor de beslissing van belang zijn. 2.2. Op [overlijdensdatum 1] is [overledene 1] overleden. Zij was de moeder van partijen en de weduwe van de op [overlijdensdatum 2] overleden vader van partijen, [overledene 2] . In het graf van vader heeft op 8 januari 2022 de bijzetting van moeder plaatsgevonden. 2.3. Op de staande steen staat de volgende tekst: Voor altijd in ons hart mijn lieve man, onze vader en opa [overledene 2] * [geboortedatum 2] † [overlijdensdatum 2] onze lieve moeder, oma en overgrootoma [overledene 1] * [geboortedatum 1] † [overlijdensdatum 1] 2.4. En op de dekplaat staat de volgende tekst: Bedankt voor alle liefde, Bedankt voor wie je was. We missen je mam. 2.5. De grafakte van 13 januari 2022 en de brief van de beheerder van de Algemene Begraafplaats Papendrecht van dezelfde datum, melden dat het ‘uitsluitend grafrecht’ (dat na het overlijden van vader was toegekend aan moeder) is overgeschreven ten name van [persoon D] . De vordering van [persoon A] 2.6. [persoon A] vordert na vermindering van eis – samengevat – dat [persoon D] en [persoon E] worde