Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-01-30
ECLI:NL:RBROT:2026:778
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 22/179 T tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen [eiser], uit Capelle aan den IJssel, eiser (gemachtigden: mr. S.K. Reijke en mr. drs. J.M. Lammers), en het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (gemachtigde: mr. S. Yavuzyiğitoğlu). Als derde-partij neemt aan het geding deel [naam 1] te Capelle aan den IJssel, vergunninghouder (gemachtigde: mr. M.L.M. Frantzen). Procesverloop 1. Met het besluit van 29 juni 2021 (het primaire besluit) heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het vernieuwen van de bestaande serre en berging achter de woning aan de [adres] (het perceel). 1.1. Met het besluit van 7 december 2021 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is het college onder een aanvullende motivering bij dat besluit gebleven. 1.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiser, de gemachtigde van het college, bijgestaan door mr. C. Haak en [naam 2] en vergunninghouder en zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 31 mei 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Toetsingskader 3. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Totstandkoming van het bestreden besluit 4. Vergunninghouder wil met zijn bouwplan de bestaande serre achter zijn woning vervangen door een nieuwe aanbouw (hieronder aangeduid als ‘serre en berging’). 4.1. Op grond het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Middelwatering” heeft het perceel de enkelbestemming “Wonen” en voor zover relevant de dubbelbestemming “Waarde – Beschermd dorpsgezicht”. Verder geldt de specifieke bouwaanduiding gemeentelijk monument. 4.2. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen (artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo) en de activiteit slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of herstellen, gebruiken of laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, van een gemeentelijk monument (artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo). Is eiser belanghebbende? 5. Vergunninghouder stelt zich op het standpunt dat eiser niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in zijn bezwaar, omdat hij geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) is. 5.1. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. In artikel 7:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende, alvorens beroep in te stellen, bezwaar moet maken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. 5.2. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspra De woning van eiser is direct gelegen naast de woning van vergunninghouder. Niet valt in te zien dat er geen verwevenheid bestaat tussen de belangen van eiser bij een goede kwaliteit van zijn directe woon- en leefomgeving en het algemeen belang bij de bescherming van cultuurhistorische waarden als hierboven bedoeld. Dat betekent dat het relativiteitsvereiste op dit punt niet in de weg staat aan een eventuele vernietiging. Het betoog van het college slaagt dus niet. Strijd met artikel 14.2.2, onder b, van de planregels 8. Eiser betoogt dat het college ten onrechte de aanvraag niet mede heeft aangemerkt als een activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan”, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Daartoe voert eiser aan dat de serre en berging in strijd met artikel 14.2.2, onder b, van de planregels worden gebouwd. Op grond van dat artikel mogen gebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd met uitzondering van het bepaalde onder i. De serre en berging vallen volgens eiser echter buiten het bouwvlak. De uitzondering genoemd onder artikel 14.2.2, onder i, van de planregels is volgens eiser niet van toepassing, omdat het perceel geen aanduiding “bijgebouwen” heeft. Ook kan artikel 26.3 van de planregels niet van toepassing zijn. Daarin is geregeld dat indien een bestaand bouwwerk krachtens de Wabo op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, maar buiten het bouwvlak is geplaatst, de bestaande locatie van het bouwwerk mag worden aangehouden als toelaatbaar. Herbouw van dergelijke bouwwerken mag uitsluitend plaatsvinden op dezelfde locatie. Volgens eiser ziet dit artikel gelet op artikel 1.19 van de planregels enkel op legale bebouwing. Daar is volgens eiser geen sprake van. De bestaande berging is illegaal, omdat deze (op of) na 2013 zonder de daartoe vereiste vergunning is gebouwd. Voorts is gelet op de strijdigheid met artikel 14.2.2, onder b, van de planregels sprake van strijd met artikel 21.2.1, onder a, onder 1, van de planregels, omdat de serre en berging niet mogelijk zijn krachtens de onderliggende (woon)bestemming. 8.1. Niet in geschil is dat de serre en berging gelet op artikel 4a, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) niet vergunningvrij zijn. 8.2. Artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. 8.3. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, wordt de omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” geweigerd indien deze in strijd is met het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening, het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. Het tweede lid bepaalt dat bij strijd met het bestemmingsplan de aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan”, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo kan het college de omgevingsvergunning verlenen voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan”. 8.4. Naar het oordeel van de rechtbank voert eiser terecht aan dat het college de aanvraag gelet op artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo voor de serre en de berging mede had moeten aanmerken als een activiteit als bedoeld onder artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. De rechtbank volgt het betoog van eiser dat het bouwplan voor de serre en berging in strijd is met artikel 14.2.2, onder b, van de planregels. Op grond van dit artikel mogen gebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Het college stelt voor het eerst op zitting dat de bijgebouwen (waaronder de serre en berging) binnen het bouwvlak vallen. De rechtbank volgt dit standpunt niet en stelt aan de hand van de plankaart vast dat de serre en de berging b De omvang van het nieuwe bouwdeel is niet groter dan het bestaande te verwijderen deel. De nieuwe aanbouw is een ondergeschikt volume dat redelijk abstract is vormgegeven in een helder volume met materiaalkeuze in glas en donkere houten latten. Volgens de commissie wordt voldaan aan de regels van het bestemmingsplan met betrekking tot Waarde - Beschermd dorpsgezicht. Er worden geen wezenlijke veranderingen aangebracht in het stedenbouwkundig en architectonisch beeld, bepaald door kapvorm, hoogtematen, gevel- en raamindeling. Rekening wordt gehouden met de aangrenzende architectonische waarden en het stedenbouwkundig beeld. De ruimtelijke structurele samenhang van het Beschermd Dorpsgezicht wordt niet aangetast. De zichtbaarheid vanaf de rivier de IJssel is overigens beperkt door de diepe achtertuin. ” 9.3. Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, mag het op dat advies afgaan, nadat het heeft nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1142). 9.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de onder 9.2 beschreven adviezen aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt geen tegenadvies overgelegd. Ook heeft eiser onvoldoende aangevoerd en onderbouwd waarom aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop moet worden getwijfeld. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het oordeel dat er strijd is met artikel 21.2.1, onder a, onder 2, van de planregels. Het betoog slaagt niet. Strijd met artikel 21.2.2, aanhef, onder a, van de planregels 10. Ook is er volgens eiser strijd met artikel 21.2.2, aanhef, onder a, van de planregels, nu het gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken, te weten de serre, de berging én de bestaande zijaanbouw meer dan 30 m2 bedraagt. Het college heeft volgens eiser ten onrechte niet het oppervlak van de verdieping van de zijaanbouw meegerekend bij het totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken. 10.1. Artikel 21.2.2, aanhef, onder a, van de planregels bepaalt dat voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een woning op de tot “Waarde – Beschermd dorpsgezicht” aangewezen gronden het bij de woning behorende achtererfgebied voor niet meer dan 50% bebouwd mag worden, met dien verstande dat het gezamenlijk grondoppervlak van bijbehorende bouwwerken ten hoogste 30 m2 mag bedragen. 10.2. Het college komt aan een totaal aan bijbehorende bouwwerken uit op 27,86 m2 (6,8 m2 bestaande zijaanbouw + 17 m2 serre + 8 m2 berging). Niet in geschil is dat de zijaanbouw een “bijbehorend bouwwerk” is in het achtererfgebied gebouwd tegen het hoofdgebouw, de woning. Eveneens is niet in geschil dat de zijaanbouw uit twee verdiepingen bestaat. Op grond van artikel 21.2.2, aanhef, onder a, van de planregels moet het gaat om het gezamenlijk grondoppervlak van bijbehorende bouwwerken. Hoewel in het bestemmingsplan geen definitie van het begrip “grondoppervlak” is opgenomen, kan aansluiting worden gezocht bij het begrip “bruto vloeroppervlak” (artikel 2.7 van de planregels). Het betoog griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 1:2 1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. […]. Artikel 7:1 1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij: […]. Artikel 8:1 Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Artikel 8:69a De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk, b. […], c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet, […]. Artikel 2.2 1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om: […] een monument als bedoeld in een zodanige verordening: 1°. te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of 2°. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, [...], geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Artikel 2.10 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien: […]; de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12; […]. 2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is. Artikel 2.12 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: 1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking, 2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of 3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat; […]. Bestemmingsplan Middelwatering Artikel 1 Begrippen 1.7 achtererfgebied Erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant, van het hoofdgebouw. 1.19 bestaand met betrekking tot bebouwing:legale bebouwing die op