Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-02-03
ECLI:NL:RBROT:2026:774
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/376 uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 februari 2026 in de zaak tussen [verzoekster], uit Nieuw-Lekkerland, verzoekster (gemachtigden: [naam 1] en mr. R. Kramer), en het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam, het college (gemachtigde: mr. W.M. Berendsen). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een aan verzoekster opgelegde last onder dwangsom. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af . Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in de beroepsprocedure. Procesverloop 2. Het college heeft met twee primaire besluiten van 11 juni 2025 aan verzoekster lasten onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 11 december 2025 op de bezwaren verzoekster is het college bij deze besluiten gebleven met een aanvullende motivering. Hiertegen heeft verzoekster beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 2.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 januari 2026 gelijktijdig, maar niet gevoegd, met het verzoek van verzoekster met zaaknummer ROT 25/9956 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekster en namens het college [naam 2]. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat het in deze zaak om? 3. Na administratief onderzoek en controle ter plaatse door de OZHZ is gebleken dat verzoekster woningen aan de Zuiderstek 16 en 20 heeft gekocht, maar er niet zelf is gaan wonen. Dat is volgens het college in strijd met artikel 4.2, eerste lid, van de Huisvestingsverordening gemeente Alblasserdam. Aan verzoekster is op 14 maart 2025 een voornemen tot een last onder dwangsom verstuurd. Op 7 april 2025 heeft het college lasten onder dwangsommen opgelegd voor overtredingen in beide woningen. Aan verzoekster is gelast de woningen niet meer te verhuren aan derden tot ten minste vier jaar na inschrijving in het Kadaster ten aanzien van de huisnummers [huisnummer 1] (ingeschreven op 14 februari 2025) en [huisnummer 2] (ingeschreven op 6 december 2024). Verzoekster heeft vier weken de tijd gekregen om aan de last te voldoen. Voldoet verzoekster hier niet aan, verbeurt zij een dwangsom van € 5.000,- ineens. Nadat hierna meerdere overtredingen zijn geconstateerd door de OZHZ, heeft het college met de primaire besluiten lasten onder dwangsom opgelegd waarbij de hoogte van de dwangsommen is verhoogd naar € 25.000,- ineens. 4. Met het bestreden besluit is het college een aanvullende motivering gegeven voor de hoogte van de dwangsom. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst totdat is beslist op het beroep. Spoedeisend belang 5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht. Verzoekster heeft aangevoerd dat het besluit directe negatieve gevolgen heeft, waaronder leegstand, de onmogelijkheid om contractuele verplichtingen na te komen en complicaties voor de gehuisveste personen en de betrokken werkgever. Gelet op wat verzoekster heeft aangevoerd, heeft zij aannemelijk gemaakt dat sprake is van een spoedeisend belang. Voorlopig rechtmatigheidsoordeel 6. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college terecht een last onder dwangsom opgelegd aan verzoekster vanwege een overtreding van de opkoopvergunningsplicht zoals neergelegd in artikel 4.2 van de Huisvestingsverordening gemeente Alblasserdam. In het eerste lid van