Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-02-03
ECLI:NL:RBROT:2026:773
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/9956 uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 februari 2026 in de zaak tussen [verzoekster], uit Nieuw-Lekkerland, verzoekster (gemachtigden: [naam 1] en mr. R. Kramer), en het college van burgemeester en wethouders van Alblasserdam, het college (gemachtigde: mr. W.M. Berendsen). Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een aan verzoekster opgelegde last onder dwangsom. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij heeft beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. 1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe . Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in de beroepsprocedure. Procesverloop 2. Het college heeft met het primaire besluit van 3 juni 2025 aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd vanwege een overtreding van de Huisvestingswet in combinatie met de Huisvestingsverordening. Met het bestreden besluit van 17 november 2025 op het bezwaar van verzoekster is het college daarbij gebleven en heeft het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 2.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 januari 2026 gelijktijdig, maar niet gevoegd, met het verzoek van verzoekster met zaaknummer ROT 26/376 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verzoekster en namens het college [naam 2]. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat het in deze zaak om? 3. Op 20 februari 2025 is het pand aan de [adres] geïnspecteerd. Daarbij is geconstateerd dat de woonruimte is omgezet naar onzelfstandige woonruimten zonder de daarvoor vereiste vergunning. Het pand wordt bewoond door vijf personen die samen geen duurzaam gemeenschappelijke huishouding vormen. Er zijn daarnaast acht slaapplaatsen aangetroffen. Op basis van de feitelijke situatie heeft het college vastgesteld dat de woning wordt gebruikt als onzelfstandige woonruimte voor huisvesting van werknemers van Daxxa personeel. Omdat er meer dan twee onzelfstandig gehuisveste bewoners in de woning verblijven, handelt verzoekster volgens het college in strijd met de Huisvestingswet en de Huisvestingsverordening Alblasserdam. Op 27 maart 2025 heeft het college aan verzoekster schriftelijk het voornemen kenbaar gemaakt een last onder dwangsom te zullen opleggen. Met het primaire besluit (dat het college in het bestreden besluit heeft gehandhaafd) heeft het college aan verzoekster gelast binnen vier weken na verzending van het besluit het aantal bewoners van het pand terug te brengen naar maximaal twee onzelfstandig gehuisveste bewoners, op straffe van een dwangsom van € 27.500,- ineens. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst totdat is beslist op het beroep. Spoedeisend belang 4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op het bezwaar of het beroep niet kan worden afgewacht. Verzoekster heeft aangevoerd dat het besluit directe negatieve gevolgen heeft, waaronder leegstand, de onmogelijkheid om contractuele verplichtingen na te komen en complicaties voor de gehuisveste personen en de betrokken werkgever. Gelet op wat verzoekster heeft aangevoerd, heeft zij aannemelijk gemaakt dat sprake is van een spoedeisend belang. Voorlopig rechtmatigheidsoordeel 5. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een overtreding, omdat het pand reeds sinds 2013 omgezet was ten tijde van de aankoop in 2024. 6. Het college heeft in het verweerschrift en op zittin