Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-06-04
ECLI:NL:RBROT:2026:7602
Rechtbank Rotterdam Team familie zaaknummers / rekestnummers: C/10/694601 / FA RK 25-1256 en C/10/696579 / FA RK 25-2266 Beschikking van 4 juni 2026 over de echtscheiding in de zaak van: [naam man] , hierna: de man, wonende te [woonplaats] , advocaat mr. D.V. Garib te Rotterdam, t e g e n [naam vrouw] , hierna: de vrouw, wonende te [woonplaats] , advocaat mr. M.S. Polat te Rijswijk. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 18 februari 2025; het bericht van de man van 18 maart 2025; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 24 maart 2025; het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 6 mei 2025; het bericht van 13 april 2026 met bijlagen van de man; het bericht van 14 april 2026 met bijlagen van de vrouw. 1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. Daarbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat; de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] . 2 De vaststaande feiten 2.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd te Rotterdam op [huwelijksdatum] . 2.2. Het minderjarige kind van partijen is: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboortplaats] . 2.3. Bij beschikking in het kader van voorlopige voorzieningen van 15 mei 2025 is bepaald dat: de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning; de minderjarige wordt toevertrouwd aan de vrouw; de onderlinge regeling over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling), in die zin dat de minderjarige minstens vijf uur per week bij de man is en als partijen geen andere afspraken maken van 12.00 tot 17.00 uur op zondag, wordt opgenomen; de man met ingang van 10 maart 2025 een kinderbijdrage van € 604,- per maand aan de vrouw zal voldoen. 2.4. Partijen hebben zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit. 3 De beoordeling 3.1. Scheiding 3.1.1. De man verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. 3.1.2. De vrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. 3.1.3. Omdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. 3.1.4. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing. 3.1.5. Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv). 3.1.6. De man heeft geen ouderschapsplan overgelegd. De man heeft voldoende gemotiveerd dat het voor hem op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank ontvangt de man daarom in zijn verzoek tot echtscheiding. 3.1.7. De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken. 3.2. Opname ouderschapsplan 3.2.1. De man heeft het verzoek tot opname van het ouderschapsplan ingetrokken. 3.2.2. De rechtbank zal het verzoek om die reden afwijzen. 3.3. Verblijfplaats 3.3.1. Beide partijen verzoeken te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw zal zijn. 3.3.2. Omdat de gewone verblijfplaa Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-I. 3.7.6. Tussen partijen is in geschil met welk inkomen de draagkracht van de man moet worden berekend. De man heeft sinds 1 april 2025 een andere baan met een lager inkomen. Volgens de vrouw is er sprake van verwijtbaar inkomensverlies en heeft de man onvoldoende rekening gehouden met het belang van de minderjarige door een baan te accepteren waarin hij een lager inkomen verdient. De vrouw is van mening dat de draagkracht van de man moet worden berekend aan de hand van het inkomen dat hij vóór 1 april 2025 had. De man voert gemotiveerd verweer en stelt dat zijn draagkracht moet worden berekend aan de hand van zijn huidige inkomen. Zijn contract bij zijn vorige werkgever werd per 1 april 2025 niet meer verlengd. Hij moest daarom op zoek naar een nieuwe werkgever. Omdat hij nu ook de zorg voor de minderjarige in het weekend heeft, heeft hij er voor gekozen om bij zijn huidige werkgever te gaan werken omdat hij daar – in tegenstelling tot zijn vorige baan – niet in de weekenden hoeft te werken. Zijn inkomen valt daardoor wat lager uit dan bij zijn vorige werkgever. 3.7.7. De rechtbank is van oordeel dat van de man niet kan worden gevergd dat hij zijn oude inkomen gaat verdienen. Door de echtscheiding is een nieuwe situatie ontstaan waarbij de man in het weekend de zorg voor de minderjarige heeft. Daarbij past niet dat de man dan in het weekend moet werken. De rechtbank berekent daarom de draagkracht van de man aan de hand van zijn huidige inkomen, zoals dat blijkt uit de loonstrook van januari 2026 (productie 7). Uit de overgelegde loonstroken blijkt niet dat de man een onregelmatigheidstoeslag ontvangt of een dertiende maand. De rechtbank zal daar dan ook geen rekening mee houden. 3.7.8. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige netto besteedbaar inkomen van de man op € 2.807,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties): - basisloon € 3.307,- bruto per maand - vakantiegeld 8% op jaarbasis - pensioenpremie € 216,- per maand - WIA premie € 19,- per maand - SOOB bruto € 8.- per maand. De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen: - de algemene heffingskorting - de arbeidskorting 3.7.9. De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.200,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.365)] en bedraagt € 420,- per maand. 3.7.10. Partijen zijn het er over eens dat de draagkracht van de vrouw € 25,- per maand bedraagt. Draagkrachtvergelijking 3.7.11. Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen lager is dan de behoefte van de minderjarige kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van de man is beperkt tot zijn draagkracht. Zorgkorting 3.7.12. Gezien de overeengekomen zorgregeling van minimaal vijf uur per week en een verdeling van de vakanties in onderling overleg, stelt de rechtbank vast dat de man gemiddeld minder dan één dag per week de zorg heeft voor de minderjarige. Hierbij hoort een zorgkorting van 5%. 3.7.13. Omdat de behoefte van de minderjarigen € 690,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 34,- per maand. 3.7.14. Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarige te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Omdat de helft van dit tekort hoger is dan de zorgkorting kan de man de zorgkorting niet in mindering brengen op de eerder berekende bijdrage. Conclusie 3.7.15. Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 420,- per maand. Het verzoek van de vrouw zal tot dit bedrag worden toegewezen. 3.7.16. Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing. 3.8. Verdeling 3.8.1. De man verzoekt een verklaring Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 18 februari 2025. 3.8.15. Voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgemeenschap gaat de rechtbank in beginsel uit van de datum van de feitelijke verdeling van het betreffende bestanddeel, tenzij partijen een andere datum zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard. 3.8.16. De rechtbank bespreekt hierna de bestanddelen die volgens partijen, dan wel één van hen, tot de beperkte gemeenschap van goederen behoren. 3.8.17. Partijen zijn het eens over de verdeling van de volgende bestanddelen: de inboedel wordt in onderling overleg verdeeld; de kleding, sieraden en persoonlijke goederen in de echtelijke woning worden toegedeeld aan degene aan wie het toebehoort; de vrouw behoudt de saldi op de bankrekening met nummer [rekeningnummer 1] ten name van de vrouw en op de aan die rekening gekoppelde spaarrekeningen en de man behoudt de saldi op bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] ten name van de man en op de daaraan gekoppelde spaarrekeningen, zonder nadere verrekening, waarbij partijen verklaren geen andere bankrekeningen te hebben; ten aanzien van de verkoop van de Audi A3 met kenteken [kentekennummer 1] zal de man een bedrag van € 3.400,- aan de vrouw voldoen. De rechtbank zal de onderlinge regeling die partijen hebben getroffen opnemen in deze beschikking. Peugeot 308 met kenteken [kentekennummer 2] 3.8.18. Partijen verschillen van mening of deze auto onderdeel uitmaakt van de beperkte gemeenschap van goederen. 3.8.19. De man stelt dat hij de auto op 19 maart 2025, dus na de peildatum, heeft gekocht. Daarvoor heeft hij de auto die van een vriend was, gebruikt en omdat dat goed beviel heeft hij de auto van hem gekocht. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling de tenaamstelling van de auto van 5 juni 2025 laten zien. De vrouw betwist de stelling van man. Volgens haar heeft de man de auto gekocht voor de peildatum. Zij heeft een verkeersboete in de post gevonden van 11 maart 2025 in verband met een verkeerovertreding die door de man is begaan met deze auto. Het klopt volgens de vrouw dus niet dat de man pas op 19 maart 2025 de auto heeft overgenomen. 3.8.20. Partijen zijn dus verdeeld of de auto op 18 februari 2025 (de peildatum) een gemeenschapsgoed was. De man beroept zich er daarbij op dat de auto pas op 5 juni 2025 is geregistreerd op naam van de man. De tenaamstelling in het kentekenregister levert echter geen bewijs van eigendom op. Verder heeft de vrouw als weerlegging van de stelling van de man onderbouwd naar voren gebracht dat de man in ieder geval op 11 maart 2025 gebruikmaakte van de auto. De man heeft ook erkend dat hij de auto al gebruikte, voordat die op zijn naam was gesteld. Die vaststellingen zijn van belang, omdat op grond van de artikelen 3:109 en 3:119 van het Burgerlijk Wetboek iemand die een goed houdt vermoed wordt rechthebbende te zijn van dat goed (in dit geval de auto). De stelling van de vrouw dat de man de auto ook al vóór de peildatum gebruikte, is onvoldoende weersproken. Het had op de weg van de man gelegen om nader te onderbouwen dat hij pas bij na de peildatum eigenaar is geworden van de auto bij de man. Zo had de man bewijsstukken van de aankoop van de auto in het geding kunnen brengen, bijvoorbeeld de overeenkomst dan wel een nadere onderbouwing vanaf welk moment de man gebruikmaakte van de auto. 3.8.21. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de auto in de beperkte gemeenschap van goederen valt en verdeeld moet worden. De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de waarde van de auto € 6.424,- bedraagt. Dit betekent dat de auto aan de man wordt toegedeeld en dat hij de helft van de waarde van de auto met de vrouw moet verrekenen, dat wil zeggen hij een bedrag van € 3.212,- aan de vrouw moet voldoen. 3.9. Uitvoerbaar bij