Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-01-12
ECLI:NL:RBROT:2026:76
Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/9181 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen [eiseres], te [plaats], eiseres, (gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen), en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur , voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, (gemachtigde: mr. D.J. van der Bij). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 5.000,- die verweerder met het besluit van 24 mei 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. 1.2. Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 29 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, bijgestaan door [naam], en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door [naam], toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Totstandkoming van het bestreden besluit 3.1. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 7 augustus 2023 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. De toezichthouder schrijft in het rapport onder meer het volgende. “ Datum en tijdstip van de bevinding: 3 augustus 2023 omstreeks 10:45 uur. Ik heb in het bedrijf aangesproken en ben met naam en functie bekend bij: [naam], functie: productiemanager. Tijdens mijn inspectie bevond ik mij op de expeditie. Op dit punt in het slachtproces zijn alle slacht- en opknaphandelingen in het kader van de PM-keuring afgelopen. Het bedrijf heeft een Critical Control Point : CCP01 beheersing zichtbare fecale bezoedeling op kalverkarkassen. De norm is dat er geen zichtbare bezoedeling op de karkassen aanwezig mag zijn voordat deze de snelkoeltunnel ingaan. Ik controleerde op de expeditie de temperatuur van kalvervleesdelen voor export naar Italië. Ik zag dat deze vleesdelen klaar hingen voor laden. Ik zag dat er fecale bezoedeling aanwezig was op de schouder en op een voorpoot van een voordeel van een kalverkarkas. Aan de kleur en consistentie was duidelijk te zien dat het fecale bezoedeling was, zie foto's 1 t/m 5. Dit karkasdeel was al goedgekeurd voor menselijke consumptie, te zien aan de 'EG 49' op het etiket zie foto 3. Omdat het vleesdeel verontreinigd is met fecale bezoedeling is het niet geschikt voor menselijke consumptie. Het karkas was de specifieke CCP01 controle plaats voor fecale bezoedeling, welke zich net vóór het stempelen bevindt, gepasseerd en was niet door de monitoring en/of bij de verificatie opgemerkt. Naar aanleiding van mijn bevindingen heb ik [de productiemanager] geïnformeerd en hem de bezoedeling getoond. Hij heeft direct de bezoedeling verwijderd. Ik zag dat levensmiddelen niet in alle stadia van de productie en verwerking werden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op zodanige wijze kunnen worden ve Verweerder hanteert als uitgangspunt dat als een bezoedeling wordt aangetroffen in de uitslachtfase of kort na de stempelaar, punt 7 en 10 ten laste wordt gelegd en daarbuiten punt 3. Of dit uitgangspunt in een specifieke zaak wordt gevolgd is afhankelijk van de inrichting van het slachthuis en de feiten en omstandigheden in dat geval. De rechtbank vindt deze werkwijze navolgbaar en kan eiseres niet volgen in haar stelling dat het handelen van verweerder volkomen onduidelijk is. De verwijzing van eiseres naar ECLI:NL:RBROT:2024:7550 waarin verweerder punt 7 en 10 aan de overtreding ten grondslag had gelegd, treft ook geen doel. De bezoedeling was in die zaak aangetroffen in een koelcel waar het vlees direct na de uitslachtfase wordt opgehangen en dus niet in een veel verder stadium zoals in dit geval in de expeditieafdeling. 4.3. De rechtbank stelt vast dat eiseres haar subsidiaire standpunten over nog uit te voeren controles en het ontbreken van een Critical Control Point op de expeditieafdeling, ter zitting heeft laten vallen. Hoogte en evenredigheid van de opgelegde boete 5. Eiseres voert aan dat de boete ten onrechte is verhoogd vanwege recidive. Verweerder verwijst naar een eerder boetebesluit, maar dat betreft een lekkage van het dak en is absoluut niet te vergelijken met bezoedeling tijdens een slachtproces. De overtreden norm (bescherming van levensmiddelen) is dermate ruim dat afzonderlijke overtredingen niet altijd met elkaar vergeleken kunnen worden, enkel omdat dezelfde norm is overtreden. De overtreding zal vergelijkbaar moeten zijn en een verband moeten hebben. Hier is geen sprake van eenzelfde feitencomplex, aldus eiseres. 5.1. Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres de overtreding heeft begaan. Gelet op artikel 8.7 van de Wet dieren was verweerder bevoegd om eiseres daarvoor een boete op te leggen. In de bijlage van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is de standaardboete voor deze overtreding vastgesteld op € 2.500,-. Uit artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren volgt dat het boetebedrag wordt verhoogd met het bedrag van een eerder aan de overtreder opgelegd boete als er nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds die eerdere boete onherroepelijk is geworden en die boete was opgelegd voor eenzelfde overtreding. In de Nota van Toelichting bij het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren is benoemd dat dit voorschrift is beperkt tot gevallen waarin hetzelfde voorschrift opnieuw wordt overtreden . Eiseres is bij besluit van 16 december 2022 een boete opgelegd van € 2.500,- voor overtreding van artikel 4, tweede lid, en Bijlage II, hoofdstuk IX, onder 3, van Verordening 852/2004. Die boete was dus opgelegd voor overtreding van hetzelfde voorschrift als de onderhavige boete. In beide gevallen was sprake van een situatie waarin eiseres levensmiddelen niet heeft beschermd tegen verontreiniging. Dat de oorzaak of het soort verontreiniging verschilt, is geen reden om de recidivebepaling niet toe te passen. Dezelfde voorschriften zijn overtreden en het is de bedoeling van de wetgever geweest dat in dat geval de boete wordt verhoogd met het bedrag van de eerder opgelegde boete. Verder is de rechtbank niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan de boete moet worden gematigd. De rechtbank vindt de opgelegde boete van € 5.000,- evenredig. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is dus ongegrond. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026. De griffier is verhinderd te tekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naa