Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-03-17
ECLI:NL:RBROT:2026:7541
Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam Meervoudige kamer strafzaken Parketnummers: 10-325397-25; 96-184732-25; 96-004760-25 Datum uitspraak: 17 maart 2026 Datum zitting: 3 maart 2026 Tegenspraak Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 2000 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] . Advocaat van de verdachte: mr. V.T.E. Kuijpers Officier van justitie: mr. M. van Drunen Benadeelde partij: [slachtoffer] Advocaat van de benadeelde partij: mr. M.R.M. Schaap Kern van het vonnis De verdachte heeft met een zeer hoge snelheid (87,5 km/u bij een maximum snelheid van 30 km/u), onder invloed van alcohol en zonder geldig rijbewijs het slachtoffer op een fiets aangereden. Het slachtoffer heeft daardoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Bovendien had de verdachte zich een aantal maanden eerder ook al schuldig gemaakt aan het rijden onder invloed van alcohol. De rechtbank legt hem een gevangenisstraf van acht maanden op met aftrek, waarvan vier maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar en daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid van drie jaar. 1 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte er in de zaak met parketnummer 10-325397-25 van dat – samengevat – een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, dan wel dat hij gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond. Ook is ten laste gelegd dat hij onder invloed van alcohol heeft gereden en dat hij heeft gereden zonder geldig rijbewijs. In de zaak met parketnummer 96-184732-25 beschuldigt de officier van justitie de verdachte ervan dat hij met een geschorst rijbewijs heeft gereden en in de zaak met parketnummer 96-004760-25 dat hij onder invloed van alcohol heeft gereden. De volledige tenlasteleggingen houden in dat Parketnummer 10-325397-25 1 primair hij, op of omstreeks 29 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken] ), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat voertuig roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het Weena, welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte toen daar, terwijl hij, verdachte, onder invloed van alcohol was (0,71 milligram per milliliter bloed alcohol/ethanol) en/of verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994 en/of verdachte niet in het bezit was van een geldig rijbewijs, - met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur - in verband met wegwerkzaamheden - heeft gereden (te weten ongeveer rond 87,5 km per uur), in elk geval heeft gereden met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was en/of (vervolgens) - niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de gewijzigde verkeerssituatie ter plaatse, althans onvoldoende heeft gelet op de weg en/of mogelijke weggebruikers en/of (vervolgens) - bij het naderen en/of oprijden van een voetgangers- en/of fietsersoversteekplaats geen snelheid heeft geminderd en/of heeft gereden met een, mede gelet op het naderen en/of oprijden van een voetgangers- en/of fietsersoversteekplaats, te hoge snelheid en/of (vervolgens) - niet heeft opgemerkt dat een fietser, genaamd [slachtoffer] , zich op het voetgangers- en/of fietsersoversteekplaats bevond en/of (vervolgens) - niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of heeft niet, althans niet tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen en/of (vervolgens) - in botsing of aanrijding is gekomen met die [slachtoffer] , waardoor [slachtof Parketnummer 96-004760-25 hij op of omstreeks 4 januari 2025 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 585 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven. 2 Bewijs / Vrijspraak 2.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het in de zaak met parketnummer 10-325397-25 onder 1 primair ten laste gelegde, waarbij sprake is van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Ook heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het onder de parketnummers 96-184732-25 en 96-004760-25 ten laste gelegde. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken. 2.2. Conclusie van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het met parketnummer 10-325397-25 onder 1 primair ten laste gelegde feit en voor het onder parketnummer 96-184732-25 ten laste gelegde feit. De verdediging heeft zich ten aanzien van de overige feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken. 2.3. Oordeel van de rechtbank 2.3.1. Vrijspraak parketnummer 96-184732-25 Het feit waarvan de verdachte in de zaak met parketnummer 96-184732-25 wordt beschuldigd is niet bewezen, omdat het dossier geen bewijs bevat dat de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten weten dat zijn rijbewijs was geschorst. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. 2.3.2. Bewezenverklaring en bewijsmiddelen Bewezen is dat de verdachte op 29 november 2025 te Rotterdam zich als bestuurder van een auto zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht en daarbij onder invloed van alcohol en met een ongeldig rijbewijs heeft gereden. Ook is bewezen dat de verdachte op 4 januari 2025 te Rotterdam onder invloed van alcohol heeft gereden. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de met parketnummer 10-325397-25 onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten en het met parketnummer 96-004760-25 ten laste gelegde feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven. 1. Verklaring van de verdachte 2. Proces-verbaal van de politie 3. Schriftelijk stuk, Maasstad ziekenhuis rapport Alcohol en Drugs in het verkeer van 24 december 2025 4. Proces-verbaal van de politie 5. Proces-verbaal van de politie 6. Proces-verbaal van de politie De bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 10-325397-25 onder 1 primair ten laste gelegde feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering. 1. Verklaring van de verdachte Het klopt dat ik op 29 november 2025 in Rotterdam als bestuurder van een grijze Opel op het Weena een verkeersongeluk heb veroorzaakt. Ik heb die avond sterke drank gedronken. Ik wist dat ik niet mocht rijden. 2. Proces-verbaal van de politie Op zaterdag 29 november 2025, omstreeks 01.40 uur kregen wij via de portofoon te horen dat er een rood assistentie Het verzoek was om op basis van ter beschikking gestelde camerabeelden een indicatieve snelheid te bepalen van de bij het ongeval betrokken personenauto. Voor het bepalen van de indicatieve snelheid heb ik de positie bepaald van de camera, die de gebruikte beelden had vastgelegd. Vervolgens heb ik, vanaf de camerapositie, referentielijnen vastgesteld, die terug te plaatsen waren op een satellietweergave van Politie Atlas. Vervolgens heb ik de afstand bepaald tussen de punten waar de Opel de referentielijnen snijdt. Voor het bepalen van deze afstand heb ik de rechterzijde van de enige ter plaatse opengestelde rijstrook opgemeten. Deze zijde was de kortste lengte op de rijstrook. Hierdoor zal de bepaling van de indicatieve snelheid op een ondergrens uitkomen. Uit mijn onderzoek was gebleken dat de Opel de linker referentielijn voorbij reed op tijdstip: 01:41:20.180 uur en dat op tijdstip 01:41:21.620 uur de rechter referentielijn werd gepasseerd. Het verschil tussen deze tijdstippen was 1,44 seconden. Verder was mij gebleken dat de Opel in dit tijdvak een minimale afstand had afgelegd van 37 meter. Vervolgens is door mij vastgesteld uit hoeveel frames per seconde (framerate) het videobestand was opgebouwd. Hierbij zijn door mij bij meerdere seconden het aantal frames geteld en is door mij vastgesteld dat het een stabiel beeld was dat uit 25 frames per seconde bestond. Vervolgens is door mij geteld hoeveel frames de Opel nodig had om van de positie op afbeelding 7 naar de positie op afbeelding 8 te komen. Hieruit bleek dat het 36 beeldframes waren. Concluderend had de Opel de afstand van 37 meter in 36 beeldframes afgelegd. Om de tijd per gereden seconde uit de beeldframes te berekenen, is de berekening: - totaal aantal beeldframes / door aantal beeldframes per seconde - 36 beeldframes / 25 beeldframes = 1,44 seconden Hieruit blijkt dat de vastgestelde benodigde tijd uit de camerabeelden in overeenstemming zijn met de vastgestelde tijd uit de beeldframes. Om een minimale ondergrens van de snelheid te berekenen is door mij een correctie van 1 frame toegepast om eventuele onnauwkeurigheden in de meting te corrigeren. Ook heb ik de totale afstand gecorrigeerd met één meter. Deze correcties hebben als resultaat de laagst mogelijke indicatieve snelheid. De door mij gebruikte gegevens voor de berekening zijn: 37 beeldframes (1,48 seconden) en een afgelegde afstand van 36 meter. Op basis van deze gegevens is door mij een berekening gemaakt van de indicatieve snelheid van de Opel over het vastgestelde traject. 36/1,48 = 24,3 m/s v = 24,3 x 3,6 = 87,5 km/u Gereden afstand (m) Tijd (s) Snelheid m/s Snelheid km/u 36 1,48 24,3 87,5 7. Proces-verbaal, verkeersongevallenanalyse 2.3 Wegomschrijving Uit ons onderzoek bleek dat het verkeersongeval had plaatsgevonden op de voetgangersoversteekplaats, die was gelegen op de zuidelijke rijbaan van het Weena ter hoogte van het Weena-zuid. De rijbaan van het Weena, was vanuit de richting Kruisplein en in de richting van het Hofplein, voorzien van tijdelijke verkeersmaatregelen, in verband met wegwerkzaamheden, die plaatsvonden op dit traject. Ten tijde van ons onderzoek bleek dat één rijstrook beschikbaar was voor bestuurders, die de rijbaan van het Weena volgden. Aan zowel de linker- als rechterzijde van deze rijstrook waren geleidebakens en stalen veiligheidsbarriers geplaatst voor de geleiding van het verkeer op het Weena. Wij zagen dat ongeveer 120 meter voor de ongevalslocatie, bord Al uit bijlage 1 van het RVV 1990 aan de rechterzijde van de rijbaan was geplaatst, waarop een snelheid werd weergegeven van 30 km/uur. Boven dit bord was het bord J16 uit bijlage 1 van het RVV 1990 (werk in uitvoering) geplaatst. Ter hoogte van de stopstreep, bij de voetgangersoversteekplaats, was rechts naast de rijbaan, een tijdelijke verkeersbordpaal geplaatst met daarop bord B6 uit bijlage 1 van het RVV 1990 en onder dit bord een bord, waarop een omleidingsroute werd weergegeven. Aan de rechterzijde van de rijbaan De verdachte heeft met een snelheid van minimaal 87,5 km/u gereden, terwijl daar in verband met werkzaamheden en een gewijzigde wegsituatie een maximumsnelheid van 30 km/u gold. Daarbij komt dat hij op dat moment onder invloed was van alcohol. Gelet op deze combinatie van gedragingen en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden als gevolg waarvan hij zijn auto niet tijdig voor het overstekende slachtoffer tot stilstand heeft kunnen brengen. De verdachte heeft daarom schuld aan het verkeersongeval als bedoeld in de zin van artikel 6 WVW. De verdediging heeft zich nog op het standpunt gesteld dat het verkeersongeval (mede) heeft kunnen ontstaan als gevolg van de onduidelijke verkeerssituatie aan het Weena in verband met de werkzaamheden aan het Hofplein. Voor zover al sprake zou zijn van een onduidelijke verkeerssituatie, neemt dit volgens de rechtbank de schuld van de verdachte niet weg. De verdachte reed immers onder invloed van alcohol en met een snelheid van ongeveer 87,5 km/u op een weg waar – ook zonder werkzaamheden – maar 50 km/u is toegestaan. Hij heeft daarmee op een dusdanige wijze gehandeld dat hij volstrekt geen mogelijkheid heeft gehad de wegsituatie te overzien, laat staan dat hij de onduidelijkheid over de voorrangsregels ter plaatse heeft kunnen waarnemen. Daar komt nog bij dat doordat de verdachte zelf met een veel te hoge snelheid een oversteekplaats naderde zijn gedrag niet voorzienbaar was voor de andere verkeersdeelnemers. Het verweer wordt dan ook verworpen. 2.3.4. Volledige bewezenverklaring Bewezen is dat: Parketnummer 10-325397-25 Feit 1 primair: hij, op 29 november 2025 te Rotterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken] ), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat voertuig zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het Weena, welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte toen daar, terwijl hij, verdachte, onder invloed van alcohol was (0,71 milligram per milliliter bloed alcohol/ethanol) en verdachte niet in het bezit was van een geldig rijbewijs, - met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 30 kilometer per uur - in verband met wegwerkzaamheden - heeft gereden (te weten ongeveer rond 87,5 km per uur), en (vervolgens) - niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en de gewijzigde verkeerssituatie ter plaatse, althans onvoldoende heeft gelet op de weg en mogelijke weggebruikers en (vervolgens) - bij het naderen en oprijden van een voetgangers- en fietsersoversteekplaats heeft gereden met een, mede gelet op het naderen en oprijden van een voetgangers- en fietsersoversteekplaats, te hoge snelheid en (vervolgens) - niet heeft opgemerkt dat een fietser, genaamd [slachtoffer] , zich op het voetgangers- en fietsersoversteekplaats bevond en (vervolgens) - niet, althans niet tijdig of voldoende, afgeremd en heeft niet, althans niet tijdig en voldoende, af kunnen remmen en (vervolgens) - in aanrijding is gekomen met die [slachtoffer] , waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht. Feit 2: hij op 29 november 2025 te Rotterdam, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0.71 milligram, in elk geval hoger dan 0.50 milligram, alcohol/ethanol per milliliter bloed bleek te zijn. Feit 3: hij op 29 november 2025 te Rotterdam, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen va Tot op heden hebben geldboetes en het invorderen van het rijbewijs hem er niet van weerhouden verkeersovertredingen te maken. De reclassering vraagt zich af of de verdachte in staat is zich te onthouden van alcoholgebruik, zoals hij zich heeft voorgenomen. De verdachte vond zijn alcoholgebruik nooit problematisch. Er is een financiële schuld waarvoor niet alles is geregeld. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld-hoog. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden. Meldplicht bij reclassering; Gedragsinterventie middelengebruik; Ambulante behandeling, indien nodig; Aflossing schulden, indien nodig; Beheersing middelengebruik. 4.3.3. Oplegging straffen Straffen Gelet op de ernst van de strafbare feiten vindt de rechtbank een gevangenisstraf passend. Bij het bepalen van de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en met de LOVS-oriëntatiepunten. Gelet op deze oriëntatiepunten voor artikel 6 WVW, de zeer hoge mate van schuld en het alcoholgebruik van de verdachte en de overige bewezenverklaarde feiten, zal de rechtbank een gevangenisstraf van acht maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen gedurende drie jaar opleggen. De gevangenisstraf wordt voor een gedeelte van vier maanden voorwaardelijk opgelegd, omdat de kans op herhaling wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog en de reclassering diverse factoren ziet die tot herhaling kunnen leiden. De reclassering wenst met de verdachte aan de slag te gaan en aan deze factoren te werken, met als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. De rechtbank verbindt aan deze voorwaardelijke straf daarom de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. 5 In beslag genomen voorwerpen 5.1. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen voorwerp wordt verbeurd verklaard. 5.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen. 5.3. Oordeel van de rechtbank 5.3.1. Teruggave De rechtbank beslist tot de teruggave van de in beslag genomen personenauto Opel Corsa aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, namelijk [persoon A] , omdat niet is voldaan aan de eisen gesteld in artikel 33a lid 2 sub a van het Wetboek van Strafrecht. 6 Wettelijke voorschriften De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 9, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. 7 Beslissingen De rechtbank: Vrijspraak verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit in de zaak met parketnummer 96-184732-25 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 (primair), 2 en 3 in de zaak met parketnummer 10-325397-25 en het feit in de zaak met parketnummer 96-004760-25, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd; Kwalificatie en strafbaarheid stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; Straffen Gevangenisstraf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van acht (8) maanden ; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; Voorwaardelijk strafdeel bepaalt dat vier (4) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist; verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op twee (2) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarde