Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-01-12
ECLI:NL:RBROT:2026:75
Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/9807 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen [eiseres], te [plaats], eiseres, (gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen), en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur , voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, (gemachtigde: mr. D.J. van der Bij). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 17.500,- die verweerder met het besluit van 31 mei 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. 1.2. Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 20 september 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, [naam], de gemachtigde van verweerder en [naam], toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Totstandkoming van het bestreden besluit 3.1. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 24 april 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. De toezichthouder schrijft in het rapport onder meer het volgende. “ Datum en tijdstip van de bevinding: 8 september 2023 omstreeks 10:31 uur. In het bedrijf aangesproken en gelegitimeerd aan: [naam], functie: Manager Koud Vlees en Expeditie. Tijdens mijn inspectie bevond ik mij in de expeditie van het slachthuis. De chef van de expeditie had mij gebeld dat het vlees dat geëxporteerd ging worden, klaar hing om in de vrachtwagen geladen te worden. Ik ben naar de expeditie gegaan en de chef heeft mij het te exporteren vlees aangewezen, zodat ik het kon inspecteren. Ik zag daar tijdens deze inspectie tussen het voor humane consumptie goedgekeurde te exporteren vlees, twee halve kalverkarkassen hangen herkenbaar aan de stempel met EG keurmerk. Hier op was bezoedeling te zien, zie foto 1 en 2. Bij beide karkassen zat de bezoedeling aan de buitenzijde van de achter schenkel. De bezoedeling was bruin/groenig van kleur en had een vezelige structuur, zie foto 1 en 2. Door de kleur en structuur van de bezoedeling herkende ik het als mest. Ik heb de chef van de expeditie hiervan op de hoogte gesteld en deze de opdracht gegeven om deze bezoedeling te verwijderen. Vervolgens heb ik [Manager Koud Vlees en Expeditie] een rapport van bevindingen aangezegd. Ik zag dat levensmiddelen niet in alle stadia van de productie en verwerking werden beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor de levensmiddelen ongeschikt kunnen worden voor menselijke consumptie, schadelijk worden voor de gezondheid, dan wel op zodanige wijze kunnen worden verontreinigd dat zij redelijkerwijze niet meer in die staat kunnen worden geconsumeerd. ” 3.2. Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “Levensmiddelen werden niet in alle stadia van de productie en verwerking beschermd tegen elke vorm van verontreiniging waardoor het vlees Daartoe betoogt zij dat volgens verweerder de bezoedeling tijdens de uitslachtfase heeft plaatsgevonden en specifiek op die fase is een andere norm van toepassing, namelijk die van punt 7 en 10 van hoofdstuk IV, sectie I van bijlage III van Verordening 853/2004 . Uit artikel 4, tweede lid, van Verordening 852/2004 volgt ook dat dit specifieke voorschriften zijn, dus een lex specialis, ten opzichte van de algemene bepaling van Bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening 852/2004, en die specifieke bepalingen gaan voor op de algemene bepaling. Eiseres heeft belang bij toepassing van deze specifieke voorschriften omdat verweerder in dat geval moet bewijzen dat de bezoedeling al aanwezig was voordat de karkassen de volgende fase na het uitslachten ingingen. Dit heeft verweerder niet gedaan, aldus eiseres. 4.1. Punt 7 en 10 van hoofdstuk IV, sectie I van bijlage III, van Verordening 853/2004 schrijven voor dat verontreiniging van het vlees moet worden voorkomen en onmiddellijk moet worden verwijderd. Zoals het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) meermaals heeft geoordeeld zien deze voorschriften op de uitslachtfase en moet vóór de postmortemkeuring, die het einde van deze fase van het slachten markeert, aan deze voorschriften zijn voldaan. In dit geval is de bezoedeling van het vlees geconstateerd op de expeditieafdeling, dus ver na de uitslachtfase. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar standpunt dat verweerder in dit geval punt 7 en 10 aan de overtreding ten grondslag had moeten leggen. Dat verweerder ervan uitgaat dat de fecale bezoedeling in de uitslachtfase is ontstaan, wordt door verweerder betwist, maar ook al zou dit het uitgangspunt zijn, dan maakt dat nog niet dat verweerder punt 7 en 10 aan de overtreding ten grondslag moet leggen. De constatering is immers in een ander, veel verder, stadium dan de uitslachtfase gedaan. Bovendien zijn er situaties denkbaar waarin een fecale bezoedeling pas na de uitslachtfase op vlees terecht komt of zichtbaar wordt. Anders dan punt 7 en 10, ziet punt 3 van hoofdstuk IX, bijlage II, van Verordening 852/2004 op alle stadia van de productie, verwerking en distributie en dus ook op de expeditieafdeling van eiseres. Verweerder heeft dan ook terecht punt 3 aan de overtreding ten grondslag gelegd. 4.2. Overigens volgt de rechtbank verweerder in zijn stelling dat de algemene hygiënevoorschriften van bijlage II van Verordening 852/2004 (waaronder punt 3, van hoofdstuk IX) en de specifieke voorschriften van Verordening 853/2004 (waaronder punt 7 en 10 van hoofdstuk IV, sectie I, Bijlage III) elkaar niet uitsluiten en naast elkaar kunnen bestaan. Dat neemt niet weg dat verweerder, zoals ter zitting is toegelicht, wel een keuze maakt in het voorschrift dat bij een bezoedeling ten laste wordt gelegd. Verweerder hanteert als uitgangspunt dat als een bezoedeling wordt aangetroffen in de uitslachtfase of kort na de stempelaar, punt 7 en 10 ten laste wordt gelegd en daarbuiten punt 3. Of dit uitgangspunt in een specifieke zaak wordt gevolgd is afhankelijk van de inrichting van het slachthuis en de feiten en omstandigheden in dat geval. De rechtbank vindt deze werkwijze navolgbaar. De boete 5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres Bijlage II, hoofdstuk IX, punt 3, van Verordening 852/2004 heeft overtreden. Gelet op artikel 8.7 van de Wet dieren was verweerder bevoegd om eiseres daarvoor een boete op te leggen. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen de hoogte van de boete. Evenmin is de rechtbank gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder de boete had moeten matigen dan wel had moeten afzien van de oplegging van een boete. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is dus ongegrond. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Sch