Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-05-28
ECLI:NL:RBROT:2026:7336
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/7983 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaak tussen [naam 1] en [naam 2] , uit [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. B.M. Brandenburg-Stroo), en het college van burgemeester en wethouders van Zwijndrecht (gemachtigde: mr. H.J.M. Dierkx). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door het college van de aanvraag om omgevingsvergunning van eisers voor het legaliseren van een warmtepomp. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat het college eisers ten onrechte tegenwerpt dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Nu met het bouwplan echter niet aannemelijk wordt gemaakt dat het voldoet aan het Bouwbesluit 2012, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor het legaliseren van een warmtepomp op het dak van hun woning aan de [adres] (het perceel) . 2.1. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 oktober 2023 (primair besluit) afgewezen. 3. Met het besluit van 9 juli 2024 (bestreden besluit) op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 3.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 3.2. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo). 4.1. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 11 mei 2023. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Totstandkoming van het bestreden besluit 5. Eisers hebben naar aanleiding van handhaving door het college een aanvraag ingediend om twee warmtepompunits van het merk en type Airwell AWHW PAC BT MB 9Kw H11 op het dak van hun woning te legaliseren. In het kader van de handhavingsprocedure is eerder een geluidsrapport opgesteld door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ). 6. Het perceel heeft op grond van het (oude) bestemmingsplan Maasboulevard onder meer de bestemming “Wonen”. Verder geldt er een maximum bouwhoogte van drie meter. 7. Het college heeft met het primaire besluit de omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” en “handelen in strijd met de ruimtelijke regels” geweigerd. Volgens het college is niet aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan het Bouwbesluit 2012. Ook is het bouwplan in strijd met artikel 16.2.1, onder d, van de planregels, omdat een hoofdgebouw hoger is dan de toegestane drie meter. Het college wil geen medewerking verlenen aan de afwijking van het bestemmingsplan, omdat de plaatsing van de warmtepompen op het dak niet optimaal is voor omwonenden. Ook voldoet het bouwplan niet aan de redelijke eisen van welstand. 8. Met het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet meer strijdig is met het bestemmingsplan, zoals eerder betoogd, omdat de warmtepompen als een ondergeschikt bouwo De geluidsdeskundige van OZHZ betwist dat het geluid geen tonaal karakter heeft, omdat dit geluid ten tijde van de handhavingsprocedure is waargenomen. Verder wordt aangegeven dat er geen enkel beoordelingspunt is gekozen dat op de perceelgrens ligt van de naast gelegen woningen. Alle beoordelingspunten liggen op de voorgevels en/of in de patio’s. De waarde op de perceelgrens zal volgens de geluidsdeskundige hoger liggen dan in het geluidsrapport wordt aangegeven. Verder wordt volgens de geluidsdeskundige uit het rapport niet duidelijk of er met de gehanteerde gegevens van de fabrikant met allebei de units is gerekend. Ook is er een theoretische berekening gedaan met de gegevens die men heeft gekregen van derden. Er is geen meting ter plaatse uitgevoerd. Dit kan volgens de geluidsdeskundige een groot verschil opleveren, mede door de plaatsing van de units, de leeftijd van de units en eventueel het onderhoud in de afgelopen jaren. 10.6. Gelet op het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk mogen achten dat de waterpompunits niet voldoen aan de in artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012 opgenomen maximale geluidsniveau van 40 dB. In wat eisers (in reactie hierop) hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Welstand 11. Het college stelt dat het bouwplan nog moet voldoen aan de redelijke eisen van welstand (artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo).Uit de bij het bestreden besluit gevoegde integrale motivatie aanvraag omgevingsvergunning van 13 juni 2024 volgt echter dat er, na een eerder aangehouden advies op 31 mei 2023, op 12 juli 2023 een positief welstandsadvies is afgegeven dat als volgt luidt: “(…) Niet strijdig is met redelijke eisen van welstand , mits de units voorzien worden van een donkere gedekte omkasting, ook de leidingen in donkere kleur uitgevoerd ”. Het college neemt in verweer ten onrechte het standpunt in dat gelet op dit welstandsadvies het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand omdat het niet op voorhand kan stellen dat elke ‘donkere kleur’ voor de omkasting op instemming van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (welstandscommissie) kan rekenen. Op grond van het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat het college eisers ten onrechte de eis tegenwerpt dat het bouwplan moet voldoen aan de redelijke eisen van welstand (artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo). 11.1. Het beroep is op dit punt gegrond. 12. Hoewel het beroep gegrond is voor wat betreft het bestreden besluit ten aanzien van de welstand, oordeelt de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank komt tot dit oordeel omdat met het bouwplan niet aannemelijk wordt gemaakt dat het voldoet aan artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012. Gelet op het limitatief-imperatief stelsel zoals omschreven onder 10.1 betekent dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat echter met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. 13.1. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 9 juli 2024; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, i Er wordt onderscheid gemaakt tussen een bedrijfstoestand in de dagperiode (7:00 - 19:00 uur) en de avond- en nachtperiode (19:00 - 7:00 uur) als de installatie voor deze perioden afzonderlijke instellingen heeft. Als het instellen van het maximale toerental bij een installatie niet mogelijk is dan wordt de meting uitgevoerd bij in de tabel 1 beschreven omstandigheden. Tabel 1 Bedrijfstoestand Actie Instelling aanvoer temperatuur buitentemperatuur Tapwaterproductie warmtapwater-voorraad ten minste 50% leeg tappen met volledig open douche- of badkraan. 50 °C tapwater Maximaal 18 °C Ruimteverwarming 15 minuten voor de meting de systeemregelaar voor alle zones 5 °C hoger instellen dan de aanwezige ruimtetemperatuur. Ontwerptemperatuur afgiftesysteem Maximaal 10 °C Ruimtekoeling 15 minuten voor de meting de systeemregelaar voor alle zones 5°C lager instellen dan de aanwezige ruimtetemperatuur. Ontwerptemperatuur afgiftesysteem Minimaal 23 °C Hybride (elektrisch of gas-bijstook) 15 minuten voor de meting de systeemregelaar voor alle zones 5 °C hoger instellen dan aanwezige ruimtetemperatuur en bijstooksysteem blokkeren. Ontwerptemperatuur afgiftesysteem bij T-bivalent Minimaal 5°C en maximaal 10°C Naast de genoemde omstandigheden in tabel 1 moet bij installaties voor tapwaterproductie en ruimteverwarming die bij het ontdooien geen gebruik maken van de aanwezige warmte in de woning of van een speciaal warmtebuffer, de meting ook worden uitgevoerd bij het ontdooien. Correctie dagperiode Indien een installatie een afzonderlijke instelling heeft voor de avond- en nachtperiode (19:00 - 7:00 uur), dan wordt het gemeten geluidsniveau in de dagperiode (7:00 - 19:00 uur) gecorrigeerd met -5 dB. Correctie tonaal geluid In afwijking van paragraaf 2.3 van de Handleiding Meten en Reken Industrielawaai wordt het gemeten geluidsniveau als volgt gecorrigeerd als sprake is van tonaal geluid: de tonaliteit wordt bepaald volgens NEN-ISO 1996-2:2017, Annex J, table J.1, waarbij een tonaliteitscorrectie wordt bepaald van 0 dB naar 6 dB met stappen van 1dB. Tot 1 januari 2024 mag in afwijking van de bovengenoemde bepalingsmethode de tonaliteit bepaald worden volgens DIS47315/150257, April 2004 (BfE Basel). Hierbij wordt de tonaliteit bepaalt als een waarde LBi en de aan te houden tonaliteitscorrectie is dan als volgt: LBi< 17,5 een tonaliteitscorrectie van 0 dB; 17,5 ≤ LBi < 25 een tonaliteitscorrectie van 3 dB; LBi >= 25 een tonaliteitscorrectie van 6 dB. Indien beide bepalingsmethoden worden toegepast, dan geldt de laagst bepaalde tonaliteitscorrectie. Plaats waar gemeten wordt op de perceelgrens met een perceel voor een andere woonfunctie (artikel 3.8, tweede lid, van het besluit). […]. De installatie staat op een vloer van een buitenruimte, op een dak of hangt aan een gevel De plaats waar gemeten wordt op de perceelgrens heeft een verticale en een horizontale positie die als volgt worden bepaald: de verticale positie (hoogte) is 1,5 meter boven de onderkant van de installatie; en de horizontale positie waar het hoogste invallende geluidsniveau optreedt. In afwijking van de bovengenoemde verticale positie (hoogte) kan worden uitgegaan van een verticale positie van 1,5 meter boven het maaiveld in de volgende gevallen: als op het naastgelegen perceel voor een andere woonfunctie nergens een invallend geluidsniveau optreedt groter dan 40 dB ter plaatse van: 1,5 1,5 meter boven het maaiveld; en 1,5 het midden van te openen ramen of deuren van verblijfsgebieden van de andere woonfunctie; of als op het naastgelegen perceel voor een andere woonfunctie nergens een invallend geluidsniveau optreedt groter dan 40 dB ter plaatse van: 1,5 1,5 meter boven het maaiveld; en 1,5 de mogelijke gevels of daken van de andere woonfunctie. Plaats waar gemeten wordt bij een te openen raam of deur (artikel 3.9, derde lid, van het besluit). Er wordt gemeten bij het te openen raam of de deur van een aangrenzende woning op hetzelfde perceel waar het hoogste gelu