Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-06-10
ECLI:NL:RBROT:2026:6890
VvE-besluit, Tegemoetkoming Tijdelijke Blokverwarming, verzoek tot vernietiging besluit VvE over de verdeling van de subsidieregeling TTB (voor huishoudens met een blokaansluiting ter compensatie voor de hoge energiekosten zoals die golden in 2023) op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW in samenhang met artikel 5:130 BW. Kantonrechter geeft uitgebreide toelichting van de artikel 5 in de ministeriele regeling van 4 april 2023 en de aanpassing van de hoofdregel: verdelen naar verbruik, mede op verzoek van onder andere vertegenwoordigers van VvE’s omdat men in de praktijk tegen problemen aanliep zoals het niet (eenvoudig en zonder redelijke bijkomende kosten) kunnen splitsen van jaarrekeningen als er sprake is van een gebroken boekjaar. De subsidie is namelijk in het leven geroepen als tegemoetkoming voor de hoge energiekosten in 2023 en geldt niet voor andere jaren. Als gevolg van onder meer dit probleem is artikel 5 aangepast bij ministeriele regeling van 27 september 2023. Oordeel luidt dat besluit VvE niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid: uit artikel 5 van de ministeriele regeling en de toelichting daarop volgt dat de hoofdregel is om te verdelen naar verbruik. Hiervan mag worden afgeweken als er sprake is van een gebroken boekjaar én de afrekening niet eenvoudig en zonder onredelijke kosten gesplitst kan worden, met andere woorden: als het verbruik over het subsidiejaar 2023 niet makkelijk kan worden berekend. Door verzoeker is niet aangevoerd dat het verbruik eenvoudig kan worden berekend over alleen 2023. Gevolg is dat VvE zich in die situatie op de uitzondering van de hoofdregel mocht beroepen. VvE had eigenlijk wel eerst de uitzondering van lid 5 moeten toepassen: verdelen naar oppervlakte. Dat heeft zij niet gedaan, uit de notulen blijkt immers dat zij de subsidie per wooneenheid heeft verdeeld en dat is de uitzondering zoals in lid 6 genoemd. Dit blijft echter in deze zaak zonder gevolg nu alle appartementen dezelfde oppervlakte hebben zodat de gehanteerde verdeling per wooneenheid in dit geval op hetzelfde neerkomt als een verdeling per oppervlakte. Ten overvloede wordt overwogen dat het standpunt van VvE dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is als verzoeker een hoger bedrag aan subsidie krijgt nu zijn huurders (ook) in 2023 er ‘op los stoken’ terwijl alle andere eigenaren energiebesparende maatregelen hebben genomen, niet op gaat. In de toelichtingen op de ministeriele regeling en de aanpassing daarvan staat namelijk dat het nemen van besparende maatregelen geen invloed heeft op de hoofdregel: verdeling van de subsidie naar verbruik. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Dordrecht zaaknummer: 11961627 VZ VERZ 25-213 datum uitspraak: 10 juni 2026 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van [verzoeker] , woonplaats: [woonplaats] , verzoeker, die zelf procedeert, tegen [verweerster] , vestigingsplaats: [plaatsnaam] , verweerster, gemachtigde: mr. M.R. van Gelderen. Partijen worden hierna “ [verzoeker] ” en “ [verweerster] ” genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: het verzoekschrift (ontvangen op 11 november 2025), met bijlagen; het verweerschrift, met (aanvullende) bijlagen. 1.2. Op 15 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [verzoeker] en namens [verweerster] bestuurder [persoon 1] ( [huisnummer 1] ) bijgestaan door genoemde gemachtigde en vergezeld van de VvE-leden [persoon 2] ( [huisnummer 2] ), [persoon 3] ( [huisnummer 3] ), [persoon 4] ( [huisnummer 4] ), [persoon 5] ( [huisnummer 5] ), [persoon 6] en [persoon 7] ( [huisnummer 6] ), [persoon 8] ( [huisnummer 7] ) en [persoon 9] ( [huisnummer 8] ). 2 De beoordeling De kern van het geschil 2.1. [verzoeker] verzoekt samengevat: - het onder 2.7 genoemde besluit van 9 oktober 2025 te vernietigen; - te bepalen dat de Tijdelijke Tegemoetkoming Blokverwarming (afgekort: TTB) moet worden verdeeld naar rato van gemeten individueel verbruik; - de [verweerster] te verplichten de verdeling voor het betreffende jaar te corrigeren en wel volgens de berekening van productie 6 en aan [verzoeker] een schadevergoeding te betalen ad € 8.333,67; - de [verweerster] te veroordelen in de proceskosten. 2.2. [verzoeker] baseert zijn verzoeken op het volgende. De [verweerster] heeft in de vergadering van 9 oktober 2025 het besluit genomen de TTB in gelijke delen per wooneenheid (voordeurstelsel) uit te betalen in plaats van te verdelen naar werkelijk gebruik. Dit besluit is in strijd met het causaliteitsbeginsel (kosten die rechtstreeks verband houden met individueel gebruik moeten worden verdeeld op basis van dat gebruik) en de redelijkheid en billijkheid. 2.3. [verweerster] is het niet eens met de verzoeken en voert daar – kort gezegd – het volgende voor aan. Ten eerste heeft [verzoeker] niet voldaan aan zijn stelplicht ex artikel 150 Rv nu zijn verzoeken onvoldoende feitelijk en juridisch zijn onderbouwd en verwijzingen bevatten naar niet-bestaande of irrelevante bronnen. Ten tweede geldt dat er geen sprake is van een besluit, er is slechts sprake van een bekrachtiging achteraf van de door de [verweerster] toegepaste verdeelsleutel. Voor zover de rechter oordeelt dat er wel sprake is van een besluit geldt dat dit besluit niet in strijd is met de redelijkheid & billijkheid. De [verweerster] mocht volgens de subsidieregeling afwijken van de hoofdregel nu er sprake was van een gebroken boekjaar en daarom een alternatieve verdeelsleutel hanteren. Er bestaat dan ook geen grond voor vernietiging van het besluit en de terugdraaiing van de gevolgen daarvan. 2.4. [verzoeker] krijgt van de kantonrechter ongelijk, dat betekent dat zijn verzoeken worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is. De ontvankelijkheid van [verzoeker] 2.5. [verzoeker] heeft zijn verzoeken gedaan binnen een maand na de dag waarop hij van die besluiten kennis heeft kunnen nemen. [verzoeker] is dan ook ontvankelijk in zijn verzoeken. 2.6. [verweerster] heeft ter zitting de vraag opgeworpen of [verzoeker] wel ontvankelijk is omdat hij wellicht geen recht heeft op subsidie nu hij niet zelf in het appartement woont maar het appartement permanent verhuurt aan elkaar afwisselende groepen arbeidsmigranten. [verweerster] werpt hiermee een vraag op die een inhoudelijke toets van een overheidsmaatregel betreft en niet behoort tot de competentie van deze civiele rechter. Daarnaast is het standpunt van [verweerster] ter zitting strijdig met haar standpunt van destijds, uit de stukken blijkt namelijk dat zij voor twintig appartementen subsidie heeft aangevraagd (en gekregen en verdeeld) en dat is inclusief het appartement van [verzoeker] . Het besluit 2.7. Op de vergadering van 9 oktober 2025 is gestemd over het agendapunt ‘Afrekenen stookkosten en verrekening TTB’. De twee mogelijkheden waren in het kort: 1) blijven bij de verdeling naar gelijke delen of 2) een aanpassing naar verdelen op basis van gebruik. Een meerderheid van de stemmen was voor de eerste optie zodat het besluit is genomen de verdeling niet aan te passen. Anders dan in de Rotterdamse zaak waar [verweerster] naar verwijst is in deze zaak dus wel sprake van een door de [verweerster] genomen besluit. De subsidieregeling 2.8. De TTB is een subsidie voor huishoudens met een blokaansluiting om deze te compenseren voor de hoge energiekosten zoals die golden in 2023. In de ministeriele regeling van 4 april 2023 luidt artikel 5 als volgt: “1. De subsidieontvanger brengt het bedrag voor de tegemoetkoming voor bewoners van wooneenheden die op een blokaansluiting voor elektriciteit zijn aangesloten, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, of de tegemoetkoming voor bewoners van wooneenheden die op een blokaansluiting voor warmte zijn aangesloten, bedoeld in artikel 3.2, tweede lid, volledig in mindering op de betalingsverplichtingen voor de kosten voor elektriciteit of warmte in 2023 van bewoners, of geeft opdracht daartoe, waarbij: a. de hoogte van het in mindering te brengen bedrag per wooneenheid in verhouding staat tot de wijze van verdeling van de kosten over de wooneenheden voor de levering van elektriciteit of warmte voor het gehele jaar 2023; en b. wordt aangesloten bij de periodiciteit waarmee de kosten voor de levering van elektriciteit of warmte voor het gehele jaar 2023 in rekening zijn of worden gebracht bij de bewoners.” 2.9. Op verzoek van onder andere vertegenwoordigers van VvE ’s is de minister gevraagd om een aanpassing van deze hoofdregel (verdelen naar verbruik) omdat men in de praktijk tegen een aantal problemen aanliep, zoals het niet (eenvoudig en zonder redelijke bijkomende kosten) kunnen splitsen van jaarrekeningen als er sprake is van een gebroken boekjaar. De subsidie is namelijk in het leven geroepen als tegemoetkoming voor de hoge energiekosten in 2023 en geldt niet voor andere jaren. Als er sprake is van een energiecontract dat loopt van bijvoorbeeld 1 juli 2023 tot 30 juni 2024 dan is voor de verdeling naar verbruik vereist dat bekend is wat de meterstand op 31 december 2022 (aanvulling van de kantonrechter: en die van 31 december 2023) was om deze als begin (c.q. eind)stand te gebruiken voor het berekenen van het verbruik over 2023. In de praktijk bleek dat deze gegevens vaak ontbraken omdat een meterstand in het midden van het boekjaar niet wordt geregistreerd en ook niet meer kan worden teruggehaald, althans niet tegen redelijke kosten . Als gevolg van onder meer dit probleem is artikel 5 aangepast en zijn bij ministeriele regeling van 27 september 2023 de leden 5 en 6 toegevoegd. Deze luiden: “5. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan de hoogte van het in mindering te brengen bedrag in verhouding staan tot het gedeelte van 2023 waarvoor energiekosten voor een wooneenheid bij de bewoner in rekening zijn gebracht en het aandeel van die wooneenheid in het totale vloeroppervlak van de wooneenheden achter de blokaansluiting, indien de wijze van verdeling van de kosten voor elektriciteit of warmte in 2023 in verhouding staat tot het aandeel per wooneenheid in het totale energieverbruik en: a. het jaar waarvoor de kosten voor elektriciteit of warmte in rekening worden gebracht, niet gelijk is aan een kalenderjaar; of b. zowel wooneenheden als andere eenheden op de blokaansluiting zijn aangesloten. 6. Indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van het vijfde lid, maar het aandeel per wooneenheid in het totale vloeroppervlak van de wooneenheden achter de blokaansluiting niet bekend is bij de subsidieontvanger, kan de hoogte van het in mindering te brengen bedrag het product zijn van het gedeelte van 2023 waarvoor energiekosten voor een wooneenheid bij de bewoner in rekening zijn gebracht, en: a. € 915,05 voor de tegemoetkoming voor elektriciteit voor een zelfstandige wooneenheid; b. € 384,96 voor tegemoetkoming voor elektriciteit voor een onzelfstandige wooneenheid; c. € 1.063,21 voor de tegemoetkoming voor warmte voor een zelfstandige wooneenheid; d. € 445,46 voor de tegemoetkoming voor warmte voor een onzelfstandige wooneenheid.” Het toetsingskader voor vernietiging 2.10. Op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW in samenhang met artikel 5:130 BW kan de kantonrechter een besluit vernietigen als dat besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Dit is een marginale toets. Het gaat erom of de vergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het oordeel: besluit is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid 2.11. In alle twintig appartementen van het complex, die even groot zijn qua oppervlakte, wordt het verbruik van warmte per appartement geregistreerd en gemeten op basis van individueel verbruik. De contractperiode voor de energie loopt over de periode van 1 juli 2023 tot 30 juni 2024. Uit artikel 5 van de ministeriele regeling en de toelichting daarop volgt dat de hoofdregel is om te verdelen naar verbruik. Hiervan mag worden afgeweken als er sprake is van een gebroken boekjaar én de afrekening niet eenvoudig en zonder onredelijke kosten gesplitst kan worden, met andere woorden: als het verbruik over het subsidiejaar 2023 niet makkelijk kan worden berekend. 2.12. [verzoeker] doet een beroep op de hoofdregel. Hij onderbouwt zijn verzoek met de jaarrekeningen van alle eigenaren over de periode van 1 juli 2023 tot 30 juni 2024. Dit is echter niet in overeenstemming met het wettelijke doel van de subsidieregeling, namelijk een compensatie voor de hoge kosten zoals die in het jaar 2023 golden. Het had dan ook op zijn weg gelegen om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat het verbruik over de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 per appartementseigenaar eenvoudig vast is te stellen. Dat heeft hij niet gedaan terwijl dat, zoals gezegd, wel van hem mocht worden verwacht. Er zal daarom van uit worden gegaan dat het verbruik over 2023 niet op de in de ministeriele regeling bedoelde wijze vast te stellen is. Gevolg is dat [verweerster] zich in die situatie op de uitzondering van de hoofdregel mocht beroepen. Dat is dus, anders dan [verzoeker] aanvoert, niet in strijd met de geest c.q. bedoeling van de subsidieregeling gelet op eerder genoemde toelichting die, zoals ook al is overwogen, is aangepast mede op verzoek van vertegenwoordigers van [verweerster]. Kortom, [verweerster] heeft in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit van 9 oktober 2025 heeft kunnen komen. 2.13. [verweerster] had eigenlijk wel eerst de uitzondering van lid 5 moeten toepassen: verdelen naar oppervlakte. Dat heeft zij niet gedaan, uit de notulen blijkt immers dat zij de subsidie per wooneenheid heeft verdeeld en dat is de uitzondering zoals in lid 6 genoemd. Dit blijft echter in deze zaak zonder gevolg nu alle appartementen dezelfde oppervlakte hebben zodat de gehanteerde verdeling per wooneenheid in dit geval op hetzelfde neerkomt als een verdeling per oppervlakte. 2.14. Ten overvloede wordt overwogen dat het standpunt van [verweerster] dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is als [verzoeker] een hoger bedrag aan subsidie krijgt nu zijn huurders (ook) in 2023 er ‘op los stoken’ terwijl alle andere eigenaren energiebesparende maatregelen hebben genomen, niet op gaat. In de toelichtingen op de ministeriele regeling en de aanpassing daarvan staat namelijk dat het nemen van besparende maatregelen geen invloed heeft op de hoofdregel: verdeling van de subsidie naar verbruik. De conclusies 2.15. Dit alles leidt er toe dat het verzoek tot vernietiging wordt afgewezen en dat het besluit blijft staan. De nevenverzoeken, voor zover deze tot de bevoegdheid van de kantonrechter behoren, worden dan ook afgewezen. 2.16. De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] omdat hij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die hij aan [verweerster] moet betalen op € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.009,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking wordt betekend. 2.17. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1. wijst af de verzoeken van [verzoeker] ; 3.2. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, die aan de kant van [verweerster] worden begroot op € 1.009,-; 3.3. verklaart deze beschikking voor zover de veroordeling in de proceskosten betreft uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. R.R. Roukema en in het openbaar uitgesproken. 745 Rechtbank Rotterdam, 8 april 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:4810 Zie de toelichting bij Regeling van de Minister voor Klimaat en Energie van 27 september 2023, nr. WJZ/ 36668817, tot wijziging van de Tijdelijke subsidieregeling tegemoetkoming blokaansluitingen in verband met verlenging van de openstelling en toevoegen van uitzondering op de verdeelsleutel