Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-03-18
ECLI:NL:RBROT:2026:6757
RECHTBANK ROTTERDAM locatie Dordrecht zaaknummer: 11984552 HA VERZ 25-95 datum uitspraak: 18 maart 2026 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van [werkgever] , vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , verzoekster, verweerster in het tegenverzoek, gemachtigde: mr. S. Wouters, tegen [werknemer] , woonplaats: [woonplaats] , verweerder, verzoeker in het tegenverzoek, gemachtigde: [naam gemachtigde] . De partijen worden hierna [werkgever] en [werknemer] genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: het verzoekschrift van [werkgever] (ontvangen op 25 november 2025), met bijlagen; het verweerschrift van [werknemer] met tegenverzoek (ontvangen op 5 februari 2026), met bijlagen; de aanvullende productie 32 van [werkgever] ; de akte reactie op productie 32 van [werknemer] ; de aanvullende productie 33 van [werkgever] ; de spreekaantekeningen van mr. Wouters. 1.2. Op 18 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: namens [werkgever] : mevrouw [persoon A] (HR medewerkster, hierna: [persoon A] ), de heer [persoon B] (general manager, hierna: [persoon B] ) en de heer [persoon C] (HR manager, hierna: [persoon C] ), met mr. Wouters; [werknemer] met een tolk (Portugees). 2 De feiten 2.1. [werknemer] is vanaf 1 december 2020 bij [werkgever] in dienst. De functie van [werknemer] is lasser met een salaris van € 3.794,94 bruto per maand op basis van 40 uur per week. 2.2. [werknemer] heeft zich op 7 november 2024 voor het eerst ziek gemeld in verband met knieklachten. Vervolgens was er sprake van arbeidsongeschiktheid over de periodes 7 november 2024 tot 24 maart 2025 en van 7 april 2025 tot 30 september 2025. Op 24 oktober 2025 heeft [werknemer] zich weer ziek gemeld. 2.3. [werknemer] is op 1 oktober 2025 op non-actief gesteld. 3 Het geschil 3.1. [werkgever] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden, omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). 3.2. [werknemer] is het niet eens met het verzoek en vindt dat het moet worden afgewezen. Daarbij verzoekt hij te bepalen dat [werkgever] het re-integratietraject moet hervatten en dat [werkgever] [werknemer] gedurende een redelijke termijn niet mag confronteren met maatregelen die de re-integratie belemmeren. 3.3. Als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt, verzoekt [werknemer] [werkgever] te veroordelen om een transitievergoeding en een billijke vergoeding te betalen. Volgens [werknemer] is de ontbinding namelijk het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] . 4 De beoordeling Geen opzegverbod 4.1. [werknemer] heeft zich op het standpunt gesteld dat een opzegverbod geldt, omdat hij arbeidsongeschikt is. Dat sprake is van arbeidsongeschiktheid staat tussen partijen niet ter discussie. [werkgever] heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat de arbeidsongeschiktheid los staat van het ontbindingsverzoek, omdat de ziekte ziet op knieklachten terwijl het ontbindingsverzoek te maken heeft met het gedrag en de houding van [werknemer] . Waar in het verweerschrift nog leek te worden gesteld dat het gedrag van [werknemer] wellicht te maken had met ziekte, heeft [werknemer] ter zitting verklaard dat de arbeidsongeschiktheid slechts betrekking heeft op knieklachten en dat hij verder volledig gezond is. Ook na een herhaalde vraag op dit punt heeft [werknemer] benadrukt dat er slechts sprake is van knieklachten. Ook de bedrijfsarts heeft slechts geoordeeld over de knieklachten van [werknemer] en geen melding gemaakt van andere mogelijke aandoeningen. Er geldt dus weliswaar een opzegverbod, nu [werknemer] arbeidsongeschikt is, maar het verzoek houdt hier geen verband mee (artikel 7:671b lid 6 BW). Het opzegverbod staat dan ook niet aan ontbinding in de weg, zodat het verzoek inhoudelijk zal worden beoordeeld. Dit betekent ook dat niet van belang is, wat daar ook van zij, op wiens initiatief [werknemer] zich heeft beter gemeld na het gesprek op 30 september 2025. De arbeidso (…) Toen ik de metingen controleerde, bleek dat er gesaboteerd was (…). Ik kan het niet bewijzen, maar het is duidelijk dat hij opdracht heeft gegeven om deze problemen te creëren (…) Wetende dat mijn collega-lassers niet de kennis hebben om de eerste lasstap uit te voeren (…) Van maart tot en met augustus was het overduidelijk dat mijn collega’s er alleen maar op uit waren mijn fysieke herstel in gevaar te brengen, mijn imago te bezoedelen, mijn werk te saboteren (…). Zij zelfs wanhopig hun eigen fouten verbergen. Tot slot vind je hieronder een lijst met collega’s die mij en [werkgever] schade berokkenen. (…) [persoon B] , [persoon C] , [persoon F] , [persoon D] , [persoon E] , [persoon G] , [persoon H] , [persoon I] , [persoon J] .’ 4.8. Tijdens het gesprek op 29 augustus 2025 heeft [werkgever] [werknemer] weer aangesproken op zijn houding en gedrag en instructies gegeven over wat van hem werd verwacht nadat hij zou terugkeren van zijn vakantie in september. Dat is ook aan hem bevestigd in de brief van 4 september 2025 (productie 16 bij het verzoekschrift). Daarin is onder andere vermeld: ‘Na jouw vakantie hervat je jouw werkzaamheden. Wij verwachten daarin van jou een professionele houding: heb je klachten over een collega, bespreek dit dan met [persoon E] of met mij, focus je op je eigen werkzaamheden. Escalatie kan leiden tot onveilige situaties en tot onveilig gevoel en dat is onacceptabel. (…) Wij willen je met deze brief ook duidelijk maken dat jij onze grenzen hebt overschreden. Grenzen die nodig zijn om veilig (in jouw functie van lasser op een werf waar je werkt met zware/gevaarlijke materialen) en professioneel te kunnen samenwerken. Onder de omstandigheden als beschreven, willen we jou bewust maken dat een nieuwe escalatie of het niet of niet steeds en volledig in acht nemen van de veiligheidsmaatregelen en het gebruik van de veiligheidsinstrumenten, [werkgever] kunnen noodzaken het dienstverband met jou niet voort te zetten.’ 4.9. Op 29 september 2025 heeft [werknemer] zijn werkzaamheden hervat na zijn vakantie. Als onweersproken gesteld staat vast dat hij de werkinstructie van [persoon E] die dag niet wilde opvolgen en dat hij [persoon E] weer van sabotage heeft beschuldigd en hem niet capabel voor zijn functie heeft genoemd. Ook stuurde [werknemer] die dag foto’s van de werf naar [persoon B] met teksten uit het Wetboek van Strafrecht over het verbergen van bewijsmateriaal. In het gesprek dat de dag hierna heeft plaatsgevonden tussen [werknemer] , [persoon E] en [persoon C] is [werknemer] naar huis gestuurd en bij brief van 1 oktober 2025 is hij vrijgesteld van werk. 4.10. [werknemer] heeft vervolgens twee brieven naar [werkgever] gestuurd, gericht aan [persoon A] . Ze zijn niet gedateerd, maar de verklaring met betrekking tot de vertalingen van het Portugees naar het Nederlands zijn van 8 oktober 2025 zodat de brieven van omstreeks die datum moeten zijn. In deze brieven heeft [werknemer] onder andere het volgende vermeld: ‘Of u bent een zeer sluwe persoon, die vergiftigd vlees aan de wolven heeft gevoerd, of u hebt zich laten misleiden! (…) Jullie zijn een zeer belangrijk element vergeten: het element God. God leert ons geen valse getuigenissen af te leggen. Niet waar? (…) Ik ben op 29 september 2025 met mijn werkzaamheden begonnen, en opnieuw werd mijn werk gesaboteerd. (…) In de vijf jaar dat wij hebben samengewerkt, heb ik kunnen waarnemen dat hij [ [persoon E] , toevoeging kantonrechter] lijdt aan een psychiatrische stoornis: een dwangmatige neiging tot liegen (mythomanie), wat heeft geleid tot arbeidsongevallen. (…) Ik heb al twee keer aangegeven dat mijn collega’s niet beschikken over de kennis, certificering en leergierigheid die nodig zijn om laswerkzaamheden uit te voeren. Ik weet waar ik over spreek! (…) U gaf aan dat ik reeds al uw grenzen heb overschreden. Daar ben ik het mee eens. (…) Ik beschouw mijn houding niet als een daad van wraak of als een afrekening. Maar als een weigering om de incorrecte