Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-02-11
ECLI:NL:RBROT:2026:6736
Rechtbank Rotterdam Team insolventie rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 11 februari 2026 in de zaak van: [verzoeker] , wonende te [adres] [postcode] [plaatsnaam], verzoeker. 1 De procedure Verzoeker heeft op 23 september 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten: - Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, in behandeling bij GGN Mastering Credit (hierna: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland); die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling. GGN Mastering Credit heeft namens Rijksdienst voor Ondernemend Nederland voorafgaand aan de zitting op 27 januari 2026 een verweerschrift toegezonden en aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen. Ter zitting van 3 februari 2026 zijn verschenen en gehoord: verzoeker; mevrouw O.S.B. Karsters en mevrouw N. Kloppert, beiden werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening); mevrouw E. Klein, werkzaam bij Klein Budget Beheer B.V. (hierna: beschermingsbewindvoerder). Schuldhulpverlening heeft op 3 februari 2026 aanvullende stukken aan de rechtbank toegestuurd. De uitspraak is bepaald op heden. 2 Het verzoek Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift acht schuldeisers, waarvan één preferente en zeven concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 93.323,59 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 22 mei 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 11,48% aan de preferente schuldeiser en 5,74% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoeker heeft op basis van zijn dienstbetrekking. Verzoeker werkt gemiddeld 37,5 uur per week op basis van een oproepovereenkomst. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij over een aantal maanden een nieuwe functie met een vast contract zal krijgen binnen hetzelfde bedrijf. Daarbij zal het inkomen van verzoeker stijgen. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn beschermingsbewindvoerder voldaan. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de vordering van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ziet op een Tegemoetkoming Vaste Lasten die is aangevraagd in verband met zijn voormalige bedrijf. Verzoeker heeft te kennen gegeven dat derden zonder toestemming zijn gegevens hebben gebruikt om deze tegemoetkoming aan te vragen. Vervolgens heeft verzoeker het bedrag op zijn rekening gestort gekregen en heeft hij onder bedreiging een deel per factuur en een deel in contant moeten betalen aan deze derden. Verzoeker is hieromtrent alsmede gehoord door de FIOD. Het laatste wordt bevestigd door het proces-verbaal van het verhoor, dat na de zitting door schuldhulpverlening is overgelegd. Zeven schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 55.597,69 op verzoeker, welke 59,6% van de totale schuldenlast beloopt. 3 Het verweer In de contacten met schuldhulpverlening heeft Rijksdienst voor Ondernemend Nederland aangegeven dat zij niet akkoord gaan met het aanbod omdat verzoeker destijds de verkeerde gegevens heeft aangeleverd. In haar verweerschrift heeft Rijksdienst voor Ondernemend Nederland zich op het standpunt gesteld dat het verzo