Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-03-27
ECLI:NL:RBROT:2026:6678
RECHTBANK Rotterdam locatie Rotterdam zaaknummer: 11105822 CV EXPL 24-12715 datum uitspraak: 27 maart 2026 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] , gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] , eiseres, gemachtigde: mr. M.M.A. Timmermans, advocaat te Druten, tegen [gedaagde] , die handelt onder de naam [handelsnaam] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, gemachtigde: mr. P.E. van Dam, advocaat te Zwolle. Partijen worden hierna “ [eiseres] ” en “ [gedaagde] ” genoemd. 1 De verdere procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: - het tussenvonnis van 1 november 2024 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;- de akte bewijslevering van [eiseres] , met bijlagen 20 tot en met 22;- het proces-verbaal van het getuigenverhoor op 9 april 2025; - het proces-verbaal van het getuigenverhoor op 4 november 2025. 1.2. Partijen zijn in januari 2026 geïnformeerd dat er een rechterswissel heeft plaatsgevonden, omdat mr. W.J.J. Wetzels is overleden. Mr. C. Sikkel heeft de behandeling van de zaak overgenomen. Vervolgens is de uitspraak van het vonnis bepaald op vandaag. 2 De verdere beoordeling 2.1. In het tussenvonnis van 1 november 2024 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter [eiseres] opgedragen om te bewijzen dat de [naam schip 1] schuld heeft aan de schadevaring in de vroege ochtend van 6 februari 2023. 2.2. Om aan de bewijsopdracht te voldoen heeft [eiseres] bij akte een aantal producties in het geding gebracht en heeft zij de sluiswachter, die in dienst is van de gemeente Waalwijk, als getuige laten horen. [gedaagde] heeft daarna tijdens het tegenverhoor zichzelf laten horen. Vervolgens heeft [eiseres] de kantonrechter laten weten dat zij afziet van het nemen van een conclusie na getuigenverhoor. 2.3. De kantonrechter begrijpt dat [eiseres] de [naam schip 1] verwijt een fout te hebben gemaakt door in weerwil van rood sein in strijd met artikel 6.28a BPR de sluis in te varen nadat de [naam schip 2] deze had verlaten, zonder groen sein af te wachten of met de sluismeester af te stemmen dat de [naam schip 1] de sluis veilig kon invaren. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] ten eerste betwist dat het sein op rood stond en ten tweede stelt dat de sluismeester hem acht minuten voor de schadevaring telefonisch een instructie, althans toestemming had gegeven voor het invaren van de sluis. 2.4. De kantonrechter stelt (onder 2.10) de toedracht vast aan de hand van de op de dag van het ongeval (6 februari 2023) opgestelde verklaringen van de sluiswachter (geciteerd in het tussenvonnis en hieronder weergegeven) en van [gedaagde] (in de schademelding van 6 februari 2023), in samenhang met de getuigenverklaringen van de sluiswachter en van [gedaagde] . De verklaringen 2.5. De schriftelijke verklaring van de sluiswachter op 6 februari 2023 luidt als volgt: “Ik ben bezig met een schutting van buiten (Maas) naar binnen (haven). In de kolk ligt ms [naam schip 2] . Tijdens deze schutting krijg ik telefoon (06.37 uur) van [naam 1] schipper van ms [naam schip 1] . Hij meldt dat hij naar buiten wil vanuit de haven naar de Maas. Ik geef hem te kennen dat ik met een schutting naar binnen bezig ben en de deur voor hem open laat staan. Ik zet het grote beeldscherm op camera 10 (Ik kijk hiermee de kolk in) zodat ik ms [naam schip 2] kan zien uitvaren richting de haven. Intussen ga Ik verder met het inschrijven van ms [naam schip 2] in onze administratie en houdt het schip op het grote scherm in de gaten. Ms [naam schip 2] is voorbij de binnenhoofd en ik zet het uitvaarsein in de kolk op rood en tevens staan op dat moment alle seinen op rood (zowel binnen als buiten). In het systeem verschijnt het kader om deuren te sluiten en zoals gewoonlijk klik ik ‘deuren sluiten’ aan. Ik ben op dat moment de ms [naam schip 1] vergeten. Deuren kunnen alleen bediend worden als alle seinen op rood staan. Vanuit camera 10 zie ik een schip aankomen dat vervolgens tegen de Via telefonisch contact toestemming gekregen om meteen de sluis in te varen, nadat het schip [naam schip 2] de sluis uit komt gevaren en de sluis open blijft staan. Eenmaal de buitendeuren gepasseert, beginnen de binnendeuren te sluiten. Nadat dit geconstateerd word op de camera van het voorschip, heb ik de kopschroef en hoofdmotor meteen volaan achteruit laten slaan om het schip te laten stoppen en terug te varen. Dit was niet meer mogelijk hierdoor raakte het voorschip de deur. Eenmaal achteruit de sluis uit, meteen telefonisch contact opgenomen met de sluismeester die ook in shock was en verklaarde dat hij mij vergeten was”. Dit is de situatieschets die [gedaagde] heeft gemaakt bij de schademelding: 2.8. [gedaagde] heeft onder ede voor zover relevant het volgende verklaard: “(…) Ik kom bijna dagelijks met mijn schip bij de sluis waar de aanvaring heeft plaatsgevonden. Ik ken de sluiswachter en hem spreek ik aan met [naam 4] . Ik heb hem gebeld toen ik met mijn schip voor de sluis lag. Op dat moment was de [naam schip 2] bezig om de sluis uit te varen. Ik heb tegen [naam 4] gezegd dat ik er uit wilde en hij heeft toen gezegd dat de [naam schip 2] bezig was om uit te varen, dat ik daarna naar binnen kon varen en dat hij de deuren van de sluis zou open laten voor mij. Nadat de [naam schip 2] de sluis verlaten had ben ik met mijn schip de sluis ingevaren. (…) Op het moment dat ik de sluis ingevaren ben stond het licht in mijn beleving op groen. (…) Ik wijs u op de schets waarvan u zegt dat deze als productie 1 bij de conclusie van antwoord is overgelegd. Daarop ziet u dat ik met het schip al in de sluis gevaren was, dat ik de eerste deur al gepasseerd was en dat ik toen tegen de tweede deur ben aangevaren omdat de sluiswachter die deur dichtgedaan had. (…) Nadat ik met mijn schip tegen de tweede deur was aangevaren heb ik de sluiswachter gebeld en hem gezegd ‘ [naam 4] wat doe je nu’ hij heeft daarop gereageerd met de woorden ‘sorry ik ben je vergeten’. Uit de mededeling van de sluiswachter ‘ik laat de deuren voor je open’ heb ik afgeleid dat hij mij toestemming gaf om de sluis in te varen. Hij heeft ook tegen mij gezegd dat ik naar binnen kon varen als de [naam schip 2] uitgevaren was. (…) Tussen het moment dat de sluiswachter telefonisch tegen mij gezegd heeft dat hij de deuren voor mij openliet en het moment van de aanvaring heb ik geen contact meer gehad met de sluiswachter. Tussen die twee momenten zat een tijdsverloop van 8.36 minuten. Dat tijdsverloop is betrekkelijk kort omdat het ook wel vaker een half uur duurt voordat ik de sluis in kan varen. Dat korte tijdsverloop duidt erop dat ik al met mijn schip kort voor de sluis lag en de sluiswachter mij kon zien vanuit zijn sluishuisje.” [eiseres] is geslaagd in het haar opgedragen bewijs 2.9. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] is geslaagd in het haar opgedragen bewijs. Hierna legt de kantonrechter uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. De toedracht 2.10. Op 6 februari 2023 is de sluiswachter bezig met een schutting van buiten (Bergsche Maas) naar binnen (haven in Waalwijk). In de sluiskolk ligt het schip de [naam schip 2] . Tijdens de schutting belt [gedaagde] om 06.37 uur naar de sluiswachter met de melding dat hij van binnen naar buiten wil (vanuit de haven in Waalwijk richting de Bergsche Maas). De sluiswachter zegt in dit telefoongesprek tegen [gedaagde] dat hij met de schutting van de [naam schip 2] naar binnen bezig is en dat hij de sluisdeuren voor hem open zal laten staan. Het voor [gedaagde] zichtbare sein aan de invaartopening van de sluis staat op rood. Als de [naam schip 2] voorbij het binnenhoofd is, klikt de sluiswachter per ongeluk routinematig op de knop waarmee de sluisdeuren gesloten worden. Hij is de afspraak met de [naam schip 1] vergeten. De [naam schip 1] vaart door rood sein de sluis in. Op het moment dat de [naam schip 1] de openstaande buitendeuren van de sluis is gepasseerd, beginnen de binnendeuren te sluiten. Om ongeveer 06.45 uur va Uit de getuigenverklaring van [gedaagde] volgt immers dat [gedaagde] wist dat hij bij rood sein moest stoppen, maar dat hij dacht dat het sein groen was en dat hij op grond van het gesprek met de sluismeester geen aanleiding had te veronderstellen dat het sein op rood stond. Daarmee ontkracht hij zijn standpunt dat hij het rode sein mocht negeren, omdat hij een concrete aanwijzing van de sluiswachter had. 2.16. Dat de sluiswachter vooraf concreet heeft toegestaan dat [gedaagde] door rood sein mocht varen is niet gebleken Uit de verklaring van de sluiswachter volgt dat hij vindt dat [gedaagde] op groen sein had moeten wachten en bij twijfel had moeten bellen en dat hij geen toestemming heeft gegeven om door rood sein te varen. [gedaagde] weerspreekt ook niet dat de sluiswachter hem direct na de raking voorhield “je vaart door rood licht”, waaruit volgt dat ook de sluiswachter verwachtte dat hij niet zonder groen sein zou invaren. 2.17. [gedaagde] heeft dus een fout gemaakt door, in de verwachting dat het sein op groen zou staan, zonder opletten door rood sein de sluis in te varen terwijl hij niet daadwerkelijk veronderstelde dat hij (zelfs) daarvoor toestemming had. Dat is de initiële fout geweest en zonder die fout zou het ongeval niet zijn gebeurd en de schade voor [eiseres] niet zijn ontstaan. Daarmee is het causaal verband gegeven. 2.18. Aannemelijk is dat ook de sluismeester een fout heeft gemaakt. Uit zijn verklaring en de vaststaande feiten volgt dat hij, ongeveer acht minuten na het telefoongesprek met [gedaagde] waarin hij had gezegd de sluisdeuren open te laten staan, op een prompt van het systeem gewoontegetrouw op de knop “deuren sluiten” drukte. De sluiswachter was afgeleid door het trage schutten van nieuwkomer [naam schip 2] en had de [naam schip 1] niet in de gaten. De sluiswachter heeft toen direct en uitdrukkelijk zijn excuses aangeboden en gezegd dat hij de [naam schip 1] was vergeten. Door zijn druk op de knop raakten de sluisdeuren de [naam schip 1] en andersom. Zonder die fout zou het ongeval ook niet zijn gebeurd. De fout van de [naam schip 1] en de fout van de sluiswachter hebben samen de schade veroorzaakt. Een fout van de sluiswachter levert echter geen aftrek op jegens [eiseres] . Omdat de [naam schip 1] meer dan verwaarloosbare schuld heeft, is zij volledig aansprakelijk jegens [eiseres] . Dat is niet anders als de kantonrechter aanneemt dat de sluiswachter bij [gedaagde] de redelijke verwachting heeft gewekt dat hij de sluisdeuren niet zou sluiten en dat hij de [naam schip 1] na de [naam schip 2] zou binnenlaten door groen licht te geven. Dat heeft alleen gewicht in de verhouding van [gedaagde] tot de gemeente Waalwijk, die ook een procedure tegen [gedaagde] heeft aangespannen. Aan het relativiteitsvereiste is voldaan 2.19. [gedaagde] betoogt dat een volgens [eiseres] door [gedaagde] geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade die [eiseres] stelt te hebben geleden. [gedaagde] verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de inhoud van een brief van EOC van 27 november 2023 (productie 17 bij dagvaarding). De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren (vgl. HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, en HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810). Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. [gedaagde] voert verder aan dat [eiseres] geen eigenaar of beheerder van de sluis is en evenmin deelnemer aan het scheepvaartverkeer. Zij heeft geen garantie op een altijd functionerende sluis en evenmin op een continue bereikbaarheid van de haven, aldus [gedaagde] . 2.20. Dit verweer wordt verworpen. Bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan het in artikel 6:163 BW neergelegde vereiste dat d De omvang van schade moet worden bepaald door vergelijking van de situatie waarin [eiseres] na de schadevaring verkeerde in de periode van 9 februari 2023 tot en met 9 maart 2023 dat zij niet bereikbaar was over het water, met de hypothetische situatie waarin de schadevaring niet had plaatsgevonden. Met het overleggen van de facturen van [naam bedrijf 1] en de verklaring van haar commercieel directeur heeft [eiseres] voldoende onderbouwd dat zij in die periode kosten heeft moeten maken van in totaal € 5.777,25, welke kosten zij niet zou hebben gemaakt als de schadevaring niet zou hebben plaatsgevonden. Zoals de directeur heeft verklaard betreffen dit toeslagen die [naam bedrijf 1] voor het uitwijken naar de loslocatie in Waspik aan [eiseres] in rekening heeft gebracht. Die toeslagen staan vermeld op de betreffende facturen. De directeur heeft een geloofwaardige uitleg gegeven waarom ook de toeslag is doorbelast van de enkele keer dat het vanwege de waterstand op zichzelf wel mogelijk was om te lossen in Waalwijk. Dat was omdat [naam bedrijf 1] op die dagen bij het bepalen van de route al had voorzien dat gelost moest worden in Waspik. De directeur heeft verder verklaard dat [eiseres] de betreffende facturen integraal heeft betaald. [gedaagde] heeft niet onderbouwd waarom de toeslagen volgens hem zouden zien op extra reisvoorbereiding, zodat de kantonrechter aan dat verweer voorbij gaat. Met het overleggen van de facturen van Harteman heeft [eiseres] voldoende onderbouwd dat zij in die periode extra transportkosten heeft moeten maken van in totaal € 15.722,50. De facturen zien op de periode van 9 februari 2023 tot en met 9 maart 2023. Uit de omschrijving op de facturen volgt dat het gaat om transport van zand en grind van Waspik naar Waalwijk. [eiseres] heeft daarmee voldoende aangetoond dat de opgevoerde wegtransportkosten van Waspik naar Waalwijk in verband staan met de schadevaring. [gedaagde] heeft zijn verweer dat [eiseres] normaal gesproken havengelden verschuldigd is en dat [eiseres] is gecompenseerd voor kadegelden onvoldoende onderbouwd. De enkele verwijzing naar de Verordening haven- en kadegeld 2023 is niet genoeg. Het voorgaande betekent dat [gedaagde] in totaal € 21.499,75 aan [eiseres] moet betalen, te vermeerderen met de op zichzelf niet betwiste wettelijke rente vanaf 14 november 2023. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 2.25. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 1.409,00 aan griffierecht, € 112,99 aan exploitkosten, € 1.512,00 aan salaris voor de gemachtigde (3,5 punten x € 432,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 3.177,99. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad 2.26. De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat verzoekt en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3 De beslissing De kantonrechter 3.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 21.499,75, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2023 tot de dag van volledige betaling, 3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.177,99, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 144,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, 3.3. verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.21915/16744 Art. 6.28 a lid 1 a t/m c BPR: Voor het invaren van een sluis kunnen tekens worden getoond aan weerszijden van de invaartopening op gelijke hoogt