Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-04-15
ECLI:NL:RBROT:2026:6429
vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven Vonnis van 15 april 2026 in de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/640540 / HA ZA 22-513 van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. Y.M.M. Ooijkaas te Rotterdam, tegen de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging ICC HANDELS GMBH , gevestigd te Zug, Zwitserland, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. D.J.C. van Bemmel te Rotterdam, en de vennootschap naar buitenlands (Luxemburgs) recht BAMALITÉ S.A. , gevestigd te Luxemburg, gevoegde partij aan de zijde van verweerster in reconventie, advocaat mr. T. Roos. en in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/657847 / HA ZA 23-447 van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres in vrijwaring, advocaat mr. Y.M.M. Ooijkaas te Rotterdam, tegen de vennootschap naar buitenlands (Luxemburgs) recht BAMALITÉ S.A. , gevestigd te Luxemburg, gedaagde in vrijwaring, advocaat mr. T. Roos. Partijen zullen hierna [bedrijf] , ICC en Bamalité genoemd worden. 1 De zaken in het kort 1.1. ICC heeft aan [bedrijf] opdracht gegeven tot het vervoer van een partij benzeen over de binnenwateren. Deze partij benzeen werd in Rotterdam vanuit het zeeschip ‘Otello’ overgeslagen in een door [bedrijf] gesteld koppelverband, toebehorend aan Bamalité. ICC stelt dat de lading aan boord van het koppelverband gecontamineerd is geraakt en ‘ off spec ’ is geraakt. [bedrijf] en Bamalité betwisten dit en stellen dat de schade is ontstaan uit het gebruik van een verontreinigde overslagslang die ICC ter beschikking heeft gesteld. 1.2. De rechtbank vermoedt dat de schade inderdaad voortkomt uit deze overslagslang, waarvan vaststaat dat deze in contact heeft gestaan met de in de benzeen aangetroffen contaminant. Een andere mogelijke bron van contaminatie is niet concreet gesteld en evenmin gebleken. De schepen zijn tevoren voor ICC gecontroleerd en geaccepteerd. Eventuele restlading was uit de tanks van het koppelverband met behulp van een nalenssysteem verwijderd. Dat was tussen partijen overeengekomen. Omdat ook met het laden was aangevangen is er sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden. De rechtbank legt de verhouding tussen het CDNI en het CMNI op dit punt uit. Verder is duidelijk dat ICC de belading heeft voltooid hoewel de kleur van de eerstevoetmonsters al iets was opgelopen. Onder die omstandigheden wordt de schade vermoed het gevolg te zijn van handelingen van ICC en/of de behandeling van de lading door (personen aan de zijde van) ICC. Er bestaat onvoldoende aanleiding om ICC bewijs tegen dit vermoeden te laten leveren. Op grond van artikel 18 CMNI is [bedrijf] daarom ontheven van aansprakelijkheid. De rechtbank wijst de vorderingen in de hoofdzaak en de vrijwaring af. 2 De procedure in de hoofdzaak en de vrijwaringszaak 2.1. Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit: - het vonnis van de (enkelvoudige kamer van de) rechtbank van 5 juni 2024 en de daaraan ten grondslag liggende stukken; - de brief van de rechtbank van 19 juni 2024 waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling door de meervoudige kamer; de akte houdende ‘vordering 843a Rv overlegging stukken’ van [bedrijf] ; het door ICC overgelegde productieoverzicht met productie 40; het door ICC voorafgaand aan de tweede mondelinge behandeling overgelegde rapport van Baker & O’Brien; de op 2 september 2024 gehouden mondelinge behandeling; de spreekaantekeningen van mr. Ooijkaas; de spreekaantekeningen van mr. Van Bemmel; de op 18 september 2024 ingekomen akte eisvermindering van ICC. 2.2. Het verloop van de procedure in de vrijwaringszaak blijkt uit: - het vonnis van de (enkelvoudige kamer van de) rechtbank van 5 juni 2024 en de daaraan ten grondslag liggende stukken; - de brief van de rechtbank van 19 juni 2024 waarbij partijen Eerst is een proefhoeveelheid lading in de achterste tanks (nummers 8) van de Voluntas en Voluntas II gepompt. Daaruit heeft Bureau Veritas first foot monsters genomen. Bureau Veritas heeft deze ter plaatse bekeken en in orde bevonden. Vervolgens is de belading voortgezet en in de vroege ochtend van 11 juni 2021 afgerond. 3.13. Tijdens of na de belading heeft Bureau Veritas via de gesloten (Dopak-) monsternemingssystemen van het koppelverband running samples genomen uit iedere ladingtank. De analyse van composite samples samengesteld uit deze monsters leidde op 11 juni 2021 tot de verdenking dat de benzeen was gecontamineerd. 3.14. In de avond van 11 juni 2021 heeft Bureau Veritas nieuwe running samples uit alle ladingtanks genomen, ditmaal niet vanuit het gesloten systeem maar - hoewel de ADN dit niet toelaat - via de geopende tankdeksels van de tanks ( open hatch ). Uit deze monsters is een composite sample samengesteld. De samengestelde monsters scoorden bij analyse volgens de ASTM D5368 gemiddeld de kleurwaarde 12. 3.15. Op instructie van ICC bleef het koppelverband in beladen toestand aan een nabijgelegen steiger wachten tot en met 30 juni 2021. 3.16. Op 14 juni 2021 heeft ICC [bedrijf] aansprakelijk gesteld. 3.17. Partijen en hun verzekeraars stelden experts aan. Vermaas Marine is ingeschakeld door Bamalité en haar verzekeraar, Van Ameyde Marine (hierna: Van Ameyde) door de eigenaar van de Otello en Interlloyd Averij door ladingverzekeraars. 3.18. Op 16 juni 2021 heeft Bureau Veritas opnieuw monsters genomen in het bijzijn van Van Ameyde, Interlloyd Averij en Intertek (voor Otello/Van Ameyde). 3.19. Op 21 juni 2021 mailde Bureau Veritas aan ICC en Interlloyd Averij (maar niet aan [bedrijf] ) dat zij sporen van een contaminant ‘vergelijkbaar aan FAME’ - fatty acid methyl esters - in de benzeen had aangetroffen en dat dit tot kleurafwijkingen kan leiden. 3.20. Vervolgens is de lading verkocht aan (nieuwe) kopers in India, die minder hoge producteisen stelden. Van 30 juni 2021 tot en met 2 juli 2021 heeft het koppelverband de benzeen in het m.s. Chem Rotterdam gelost. Daarbij zijn verdere monsters genomen. 3.21. Analyse door Bureau Veritas van een samengesteld monster uit de Chem Rotterdam leidde op 2 juli 2021 tot kleurwaarde 31. 3.22. Op 4 juli 2021 heeft Amspec monsters samengesteld uit monsters genomen uit ladingtanks 4S, 6S en 8P van de Chem Rotterdam. Bij e-mail van diezelfde dag rapporteert Amspec aan ICC, voor zover van belang: “Platinum Cobalt Color is off spec (max: 10, result: 30) measured on two different methods (D1209 & D5386).” 4 Het geschil in de hoofdzaak in conventie 4.1. In het tussenvonnis van 22 maart 2023 heeft de rechtbank al vastgelegd dat de vordering in conventie is verminderd tot nul, zodat geen geschil in conventie meer voorligt. in reconventie 4.2. ICC vordert na vermindering van eis, verkort weergegeven, dat de rechtbank [bedrijf] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling van: I. de waardevermindering van de goederen groot USD 707.845,63, althans een bedrag vastgesteld in goede justitie, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW te berekenen vanaf de dag van aflevering van de goederen tot en met de dag van volledige betaling; II. de beredderingskosten groot USD 303.673,09 en € 11.093,76, althans een bedrag vastgesteld in goede justitie, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW te berekenen vanaf de vervaldag van de daarvoor gestelde factuur tot en met de dag van volledige betaling; III. de proceskosten. 4.3. [bedrijf] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van ICC met veroordeling van ICC, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten. 4.4. Als gevoegde partij voert Bamalité ook verweer. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van ICC en tot veroordeling van ICC in de proceskosten. 4.5. Op de standpunten van partijen gaat de rechtbank voor zover nodig hieronder in. 5 Het geschil in de vrijwari ICC dient daarom te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat de benzeen niet in dezelfde staat door [bedrijf] is afgeleverd als waarin deze in ontvangst was genomen (zie ook artikel 3 lid 1 CMNI). ICC hoeft niet meteen (zie namelijk hieronder 6.9) te bewijzen hoe de lading precies beschadigd is geraakt gedurende de periode dat [bedrijf] deze als vervoerder onder haar hoede had. 6.7. Mocht achteruitgang van de benzeen tijdens de aansprakelijkheidsperiode van [bedrijf] komen vast te staan, dan ontkomt [bedrijf] ingevolge artikel 16 lid 1 CMNI (geheel of ten dele) aan aansprakelijkheid voor zover zij bewijst dat de schade voortvloeit uit omstandigheden die een zorgvuldig vervoerder niet heeft kunnen vermijden en waarvan hij de gevolgen niet heeft kunnen verhinderen. 6.8. Ook indien [bedrijf] een beroep doet op één of meer van de in artikel 18 CMNI genoemde bijzondere gronden voor ontheffing van aansprakelijkheid, rusten stelplicht en bewijslast op haar. Artikel 18 lid 1 CMNI bepaalt onder meer dat de vervoerder is ontheven van aansprakelijkheid: “indien het verlies, de schade of de vertraging het gevolg is van één van de hierna opgesomde omstandigheden of risico's: het handelen of nalaten van de afzender, van de geadresseerde of van de persoon die beschikkingsbevoegd is; het behandelen, laden, stuwen of lossen van de goederen door de afzender of de geadresseerde of derden die handelen voor de afzender of de geadresseerde.” 6.9. Artikel 18 lid 2 CMNI geeft, ingeval onzeker is of en in hoeverre de schade is veroorzaakt door de omstandigheden en risico’s die een ontheffingsgrond opleveren, een bewijsvermoeden ten gunste van [bedrijf] , dat ICC dan weer kan ontkrachten: “Wanneer, gelet op de omstandigheden van het geval, schade een gevolg heeft kunnen zijn van één van de in het eerste lid van dit artikel genoemde omstandigheden of risico's, wordt vermoed dat de schade is ontstaan door deze omstandigheid of dit risico. Dit vermoeden vervalt, indien de benadeelde bewijst dat de schade niet of niet uitsluitend voortvloeit uit één van de in het eerste lid van dit artikel genoemde omstandigheden of risico's.” invloed van de bewijsvermoedens ontleend aan de CDNI 6.10. Partijen hebben gediscussieerd over de plaats die binnen dit juridisch kader toekomt aan de door [bedrijf] en Bamalité ingeroepen bewijsvermoedens ontleend aan de CDNI . Dit betreft artikel 8:929a BW en artikel 7.02 leden 1 en 3 van de Uitvoeringsregeling CDNI-Verdrag . 6.11. Het bewijsvermoeden van artikel 8:929a lid 1 BW kan in deze zaak geen rol spelen. Partijen hebben immers in de fixture recap voor toepassing van de CMNI gekozen, en uit artikel 8:889 BW volgt dat dan de regels voor goederenvervoer over binnenwateren van Boek 8 BW, waaronder artikel 8:929a lid 1 BW, niet van toepassing zijn. Hierop strandt het beroep op dit artikel. 6.12. Het niet van toepassing zijn van artikel 8:929a BW doet echter niet af aan de gelding van de Uitvoeringsregeling CDNI-Verdrag in dit geval. Artikel 7.02 leden 1 en 3 daarvan (‘Beschikbaarstelling van het schip’) heeft dezelfde strekking als artikel 8:929a BW. Dit artikel 7.02 luidt: “1. De vervoerder stelt de verlader het schip met een zodanige losstandaard ter beschikking dat de lading onbelemmerd vervoerd en afgeleverd kan worden. Dat is in de regel het geval met een losstandaard “laadruim bezemschoon” of “nagelensde ladingtank” en wanneer het schip vrij van overslagresten is. 2. Een hogere losstandaard of beschikbaarstelling na wassen kan vooraf schriftelijk worden overeengekomen. 3. Bij aanvang van het laden wordt het schip geacht door de vervoerder ter beschikking te zijn gesteld in de toestand welke overeenkomt met de eisen van het eerste of tweede lid.” 6.13. Uit lid 3 volgt dat een bewijsvermoeden ten gunste van de vervoerder geldt vanaf de aanvang van het laden. In dit geval is aangevangen met laden, dus geldt het bewijsvermoeden. Dat dit onweerlegbaar is, staat terecht niet ter discussie. 6.14. Voor een goed begrip van wat d Deze uitleg past ook bij hetgeen is vermeld in de Memorie van Toelichting Goedkeuring en uitvoering van het CDNI-verdrag . Deze vermeldt onder meer: “Tot de zorg van een zorgvuldig vervoerder behoort thans ook dat de vervoerder het schip zodanig gereinigd ter beschikking stelt, dat het voldoet aan de vereiste losstandaard, zodat de lading onbelemmerd vervoerd en afgeleverd kan worden. (...) Ingevolge de tweede volzin van het eerste lid van artikel 929a, dat een uitwerking vormt van artikel 7.02, derde lid, van de Uitvoeringsregeling, wordt de vervoerder geacht het schip conform de vereiste losstandaard ter beschikking te hebben gesteld zodra het laden is begonnen. Het betreft hier een onweerlegbaar rechtsvermoeden, dat de positie van de vervoerder versterkt.” 6.17. In dit geval gold de losstandaard ‘nagelensde ladingtank’. Dat tussen Bamalité en [bedrijf] als losstandaard is overeengekomen dat het koppelverband nagelensde, geventileerde (ontgaste) ladingtanks diende te hebben is gesteld, onderbouwd met de voor dit vervoer gegeven Voyage Orders en niet betwist. Dit staat dus vast. Tussen [bedrijf] en ICC is niet expliciet een losstandaard afgesproken. [bedrijf] betoogt dat het in de markt voor vloeibare lading gebruikelijk is dat ‘nagelensde ladingtank’ de losstandaard is, tenzij anders overeengekomen. ICC heeft dit niet betwist en dit strookt ook met artikel 7.02 leden 1 en 2 Uitvoeringsregeling CDNI-Verdrag. Daarmee staat vast dat ook tussen [bedrijf] en ICC de losstandaard ‘nagelensde ladingtank’ gold. Uit artikel 7.02 Uitvoeringsregeling CDNI-Verdrag volgt, en partijen zijn het daarover eens, dat bij die losstandaard de scheepstanks niet hoefden te zijn gewassen. 6.18. ICC heeft tijdens de tweede mondelinge behandeling betoogd dat - nu door [bedrijf] niet is betwist dat er een hoeveelheid restlading aan boord van het koppelverband is achtergebleven – het gezien de bepalingen van de CDNI onvolledig is dat Bamalité niet bewijst dat het nalenssysteem van het koppelverband voldoet aan de standaard van 5 liter achtergebleven product in ladingtanks en 15 liter in het leidingsysteem, ofwel in totaal 55 liter per schip. Het certificaat waaruit deze informatie volgt behoort aan boord of tenminste in haar bezit te zijn, aldus ICC. Bamalité acht deze stelling misleidend en voert aan dat meetgegevens bij deze grote hoeveelheden nooit exact zijn en er altijd een meetverschil (0,1 % wordt alom geaccepteerd) is.Het is de rechtbank niet helemaal duidelijk wat de strekking van het betoog van ICC is. Voor zover ICC bedoelt te stellen dat het nalenssysteem van het koppelverband ondeugdelijk was, dan oordeelt de rechtbank dat het in strijd met de beginselen van een goede procesorde is om dat voor het eerst tijdens de tweede mondelinge behandeling (en dus ruim drie jaar na het lensen) te stellen. Mocht ICC met haar betoog zelfs willen stellen dat de contaminatie is veroorzaakt door 148 althans 93 liter aan achtergebleven lading, dan is dat tegen het licht van de drie voorladingen van het koppelverband onvoldoende gemotiveerd. Gelet op het derde lid van artikel 7.02 van de Uitvoeringsregeling CDNI-Verdrag kan zij in dit geval sowieso geen verweer ontlenen aan haar betoog. In verbinding met het in r.o. 6.13 overwogene volgt hieruit dat de rechtbank moet vermoeden dat de Voluntas en Voluntas II aan de losstandaard ‘nagelensde ladingtank’ voldeden én vrij waren van overslagresten. Dit vermoeden kan niet worden weerlegd en daarmee staat dit vast. 6.19. De vraag is welke betekenis aan die vaststelling toekomt in het kader van de beoordeling van de door de CMNI geregelde aansprakelijkheid van [bedrijf] als vervoerder. Dwingt dat onweerlegbare CDNI-bewijsvermoeden in een geval als dit, waarin lading in slechtere conditie uit het schip wordt gelost dan deze in ontvangst werd genomen, onder de CMNI tot de conclusie dat de conditie van de lading niet aan boord van het schip is of kan zijn achteruitgegaan? De rechtbank beantwoordt deze vraag met ‘nee’, med Gezien het milieurechtelijke aspect van de desbetreffende verplichtingen worden deze primair omgezet in het kader van de WVO of de Wm, waardoor publiekrechtelijke handhaving mogelijk is. De onderlinge afbakening van de gehoudenheid tot naleving van deze verplichtingen tussen de bij de vervoerovereenkomst betrokken partijen wordt geregeld in Boek 8, titel 10, afdeling 2, van het BW, in een nieuw artikel 8:929a. Het verdrag is zodanig opgezet dat het geen afwijkende overeenkomsten toestaat, tenzij het daartoe uitdrukkelijk de ruimte geeft. Deze systematiek wijkt af van die van het Nederlandse verbintenissenrecht dat regelend recht is, tenzij uit de wet anders voortvloeit, met dien verstande dat niet kan worden afgeweken van regels waarbij de positie van derden is betrokken. De in het verdrag gevolgde systematiek is dus voorzover het verbintenissenrecht betreft spiegelbeeldig aan die van Boek 8 van het BW. Bij de omzetting van het verdrag in dat kader is om voor de hand liggende redenen de systematiek van het BW gevolgd. Dit heeft ertoe geleid dat de formuleringen die zijn gebruikt in diverse verdragsartikelen op onderdelen moesten worden aangepast. (...) Artikel IV (wijziging BW) (...) b. De verplichtingen van partijen onderling In artikel 8:929 BW is de in de binnenvaart gebruikelijke praktijk vastgelegd met betrekking tot het laden, stuwen en lossen. De bij de vervoerovereenkomst betrokken partijen kunnen echter anders overeenkomen. Artikel 8:929 bepaalt dat de vervoerder het schip ter inlading en ter lossing beschikbaar moet stellen. Als zorgvuldig vervoerder dient hij niet alleen te zorgen voor de veiligheid van het schip en de geschiktheid daarvan voor de vaart, maar ook er op toe te zien dat bij het laden, stuwen of lossen schip en lading niet worden beschadigd. Thans is niet geregeld hoe het schip gereinigd moet zijn als de vervoerder het beschikbaar stelt. Het voorgestelde artikel 929a, eerste lid, brengt hierin verandering. Het vormt een uitwerking van de artikelen 8, tweede lid, en 7.02, eerste lid, van het verdrag. Tot de zorg van een zorgvuldig vervoerder behoort thans ook dat de vervoerder het schip zodanig gereinigd ter beschikking stelt, dat het voldoet aan de vereiste losstandaard, zodat de lading onbelemmerd vervoerd en afgeleverd kan worden. Dat is in de regel het geval als het laadruim bezemschoon is of de ladingtank is nagelensd en het schip vrij is van overslagresten. De losstandaard die vereist is hangt af van de aard van de goederen en is aangegeven in Aanhangsel III behorende bij het verdrag, Losstandaarden en afgifte/-innamevoorschriften met betrekking tot het geoorloofd lozen van waswater, regen- en ballastwater met ladingrestanten, de zogenaamde stoffenlijst. Losstandaard en reinigingsvoorschriften zullen nader worden uitgewerkt in het publiekrechtelijke gedeelte van het SB. Artikel 7.02, tweede lid, van het verdrag expliciteert dat de partijen bij de vervoerovereenkomst kunnen overeenkomen dat het schip met een hogere losstandaard ter beschikking wordt gesteld dan ingevolge het verdrag is vereist. Het verdrag staat echter niet toe dat zij een lagere losstandaard overeenkomen; dit zou de doelstellingen van het verdrag ondermijnen. Het voorgestelde eerste lid in verbinding met het derde lid van artikel 929a verklaart zo'n beding derhalve nietig. Het dwingend-rechtelijk karakter van deze bepaling vloeit voort uit de in het algemeen deel van deze memorie, onderdeel 10, beschreven opzet van de privaatrechtelijke verdragsbepalingen. Ingevolge de tweede volzin van het eerste lid van artikel 929a, dat een uitwerking vormt van artikel 7.02, derde lid, van de Uitvoeringsregeling, wordt de vervoerder geacht het schip conform de vereiste losstandaard ter beschikking te hebben gesteld zodra het laden is begonnen. Het betreft hier een onweerlegbaar rechtsvermoeden, dat de positie van de vervoerder versterkt. Ingevolge artikel 8:929, tweede lid, draagt de afzender zorg voor het laden en stuwen, de ontvanger voor het Daarnaast weet de rechtbank ambtshalve van gevallen waarin product vanuit andere ladingtanks of vanuit leidingen tijdens overslag wordt ‘meegetrokken’ in het leidingensysteem waardoor contaminatie optreedt. In dergelijke gevallen, waarin de contaminatieoorzaak niet in achtergebleven lading maar uitsluitend in een gebrek of verkeerde handeling aan boord van het schip is gelegen, kan geen rechtvaardige uitkomst worden bereikt indien het voldoen aan de losstandaard zou dwingen tot de conclusie dat de lading in dezelfde staat uit het schip is gekomen als zij erin is gegaan. Die uitkomst zou het met de CMNI beoogde evenwicht tussen de belangen van de vervoerder enerzijds en de lading anderzijds ernstig verstoren, terwijl de CDNI daarvoor geen uitleg of logische rechtvaardiging biedt. Voor zover [bedrijf] en Bamalité het standpunt innemen dat het bewijsvermoeden van de CDNI tot die conclusie c.q. die risico-afwenteling leidt, verwerpt de rechtbank dat standpunt als onjuist. de betekenis van de cleanliness certificates 6.26. Het staat vast dat de schepen voldeden aan de losstandaard ‘nagelensde ladingtank’. Niet ter discussie staat dat de controleur voor ICC de schepen vooraf heeft goedgekeurd en dat geen hogere eisen aan het koppelverband zijn gesteld. [bedrijf] en Bamalité betogen dat eventueel in tanks of leidingen achtergebleven ladingrestanten onder die omstandigheden voor risico van ICC komen. De rechtbank is dat met hen eens. In die zin komt de rechtbank dus terug op haar eerdere uitspraken (ECLI:NL:RBROT:2019:6449 [naam schip 1] en ECLI:NL:RBROT:2020:4219 [naam schip 2] ). Zij neemt daarbij nog het volgende in aanmerking. 6.27. Een controleur geeft bij inspecties zoals de onderhavige een zo goed mogelijk oordeel op basis van wat hij kan waarnemen en constateren, met inachtneming van de aan hem verschafte informatie over het schip, haar voorladingen en de in te nemen lading. Voor zover er bij inspectie redelijkerwijs ladingrestanten kunnen worden geconstateerd, is de aanwezigheid daarvan met de afgifte van een cleanliness certificate geaccepteerd. Maar het is, zoals in r.o. 6.25 overwogen, niet ongebruikelijk dat een controleur een voorbehoud maakt op het cleanliness certificate voor hetgeen hij bij de inspectie niet kan waarnemen. Goedkeuring vooraf is in dat geval nog voorwaardelijk. 6.28. In dit concrete geval verbond Bureau Veritas aan haar acceptatie, zoals ICC terecht betoogt en uit de cleanliness certificates blijkt, de voorwaarde dat de analyse van de eerstevoetmonsters in orde zou zijn. Bureau Veritas trad op aan de zijde van ICC en de voorwaarde was in het belang van ICC gesteld. Het lag dus op de weg van ICC om ervoor te zorgen dat aan deze voorwaarde goede toepassing kon worden gegeven. Dat is niet gelukt. De uit slechts twee van de zestien te beladen tanks genomen eerstevoetmonsters zijn om verschillende redenen niet representatief. Partijen hebben op de tweede mondelinge behandeling eensluidend verklaard dat die monsters daarom buiten beschouwing moeten worden gelaten. Dat betekent dat de gestelde voorwaarde niet in vervulling kan gaan, om redenen die voor risico van ICC komen. Daarbij komt nog dat ICC de belading heeft doen voortzetten na alleen een beoordeling van de eerstevoetmonsters met het blote oog (niet volgens ASTM D1209). Pas drie dagen later zijn de monsters geanalyseerd en zijn de analyseresultaten bekend geworden. Ook die gang van zaken komt voor rekening van ICC. Onder die omstandigheden geldt het koppelverband als onvoorwaardelijk goedgekeurd. 6.29. Dat betekent dat de schepen ladingtanks hadden waaruit de restlading met behulp van een nalenssysteem was verwijderd en waarin zich mogelijk nog slechts ladingrestanten bevonden (zie 6.14 hierboven) en voor het innemen van lading zijn goedgekeurd door de daartoe door ICC aangestelde controleur. ICC kan zich gelet op die goedkeuring niet meer beklagen over ladingschade voor zover deze aan boord ontstaat als gevolg van vermenging van de benzeen met ladin Van samengestelde monsters kan de rechtbank uit de betreffende certificaten en stukken niet altijd afleiden hoe deze tot stand zijn gekomen. Partijen zijn het er (terecht) over eens dat voor een representatief composietmonster noodzakelijk is dat dit in de juiste volumeverhouding uit onderliggende monsters wordt samengesteld. Diverse composite samples vermelden echter niet uit welke concrete ladingmonsters zij zijn samengesteld, of zelfs niet dat zij uit onderliggende monsters zijn samengesteld. Dat doet afbreuk aan de overtuigingskracht van die monsters en de daarop gebaseerde analyseresultaten. De rechtbank geeft de monsters weer op volgorde van de route die de benzeen heeft afgelegd, waaruit de volgorde volgt waarin de uit de lading getrokken monsters zijn genomen. Zij neemt daarbij ook de referentienummers op waarmee de diverse monsters in de stukken zijn aangeduid. Over die nummers merkt de rechtbank nog het volgende op. Bureau Veritas heeft binnen de serie die begint met opdrachtnummer NLRDMJ231205612 aan ieder monster een volgnummer toegekend (003, 004, 044-045, 062-078, 083-084, 086-087). De nummervolgorde past niet bij de chronologie van de monsternemingen: het monster genomen bij het manifold van de Otello heeft bijvoorbeeld een hoger nummer dan de monsters genomen na belading van het koppelverband. De nummering strookt wél met de chronologie van de analysedata (op 11 juni 2021 zijn monsters 003 en 004 geanalyseerd, op 14 juni 2021 monsters 033 en 044-045, etc. - de enige uitzondering is nummer 078, het composite sample voor de Otello). De rechtbank veronderstelt dan ook dat deze nummers pas in de analysefase zijn toegekend. Dat de nummering geen sluitende rij oplevert, hangt vermoedelijk samen met het feit dat Bureau Veritas nog meer monsters heeft genomen en/of analyses heeft verricht. Aan de betrouwbaarheid van de monsters, wat daar ook verder van zij, doet een en ander niet af. Waar twijfel bestaat over de representativiteit en/of betrouwbaarheid van de monsters of de analyseresultaten is dat ook vermeld. a. welk monster: composite sample Otello na belading door/te/op: Intertek, Immingham (VK), datum onbekend monsternummer: 133423 analyse verricht: door Intertek, datum onbekend analysemethode: ASTM D5386 resultaat: less than 5 gerapporteerd op: 9 juni 2021 betrouwbaarheid: Onduidelijk is hoe/uit welke onderliggende monsters (bijvoorbeeld uit iedere beladen tank van de Otello) dit monster is samengesteld. Desverzocht is dit monster niet beschikbaar gesteld voor tegenonderzoek. Als onvoldoende toetsbaar bestreden door [bedrijf] . welk monster: genomen uit ladingtanks 2, 3, 5, 6 en 7 bakboord en stuurboord Otello voorafgaand aan het lossen in het koppelverband door/te/op: Bureau Veritas te Rotterdam op 10 juni 2021 monsternummer: onbekend analyse verricht: niet gebleken betrouwbaarheid: Uit sampling report Bureau Veritas blijkt het nemen van deze monsters, maar niet om wat voor soort monsters het gaat. Desverzocht niet beschikbaar gesteld voor tegenonderzoek, zouden zijn kwijtgeraakt. Als onvoldoende toetsbaar bestreden door [bedrijf] . welk monster: composite sample Otello voorafgaand aan het lossen in het koppelverban d door/te/op: Bureau Veritas te Rotterdam, datum onbekend monsternummer: NLRDMJ21205612- 078 analyse verricht: door Bureau Veritas op 14 juni 2021 analysemethode: ASTM D5386 resultaat: 3 gerapporteerd op: 14 juni 2021 (na lossing in het koppelverband) betrouwbaarheid: Vermoedelijk samengesteld uit de monsters onder b. Desverzocht niet beschikbaar gesteld voor tegenonderzoek, zou zijn kwijtgeraakt. Als onvoldoende toetsbaar bestreden door [bedrijf] . welk monster: genomen uit het manifold van de Otello bij aanvang overslag in het koppelverband door/te/op: Bureau Veritas te Rotterdam op 10 juni 2021 monsternummer: NLRDMJ21205612- 033 analyse verricht: door Bureau Veritas op 17 juni 2021 analysemethode: ASTM D5386 resultaat: 4 gerapporteerd op: niet voor 17 juni 2021 (na lossing in het k welk monster: running samples uit alle scheepstanks van de Voluntas II via open hatch door/te/op: Bureau Veritas te Rotterdam op 11 juni 2021 monsternummer: NLRDMJ21205612- 070 tot en met 077 analyse verricht: door Bureau Veritas op 17 juni 2021 analysemethode: ASTM D5386 resultaat: van 9 voor C1 tot 15 voor tank C4 gerapporteerd op: 17 juni 2021 betrouwbaarheid: Een versie van dit certificaat vermeldt dat op Iron wordt getest en dat de resultaten nog niet bekend zijn. Een andere versie van dit certificaat vermeldt bij Iron voor het composietmonster 084 ‘< 1’. [bedrijf] wijst erop dat open hatch testing niet was toegestaan. welk monster: composite sample samengesteld uit de monsters onder j voor de Voluntas door/te/op: Bureau Veritas te Rotterdam niet eerder dan 11 en niet later dan 17 juni 2021 monsternummer: NLRDMJ21205612- 083 analyse verricht: door Bureau Veritas op 17 juni 2021 analysemethode: ASTM D5386 resultaat: 12 gerapporteerd op: 17 juni 2021 betrouwbaarheid: Een versie van dit certificaat vermeldt dat op Iron wordt getest en dat de resultaten nog niet bekend zijn. Een andere versie van dit certificaat vermeldt bij Iron voor iedere tank een streepje en een resultaat voor het composietmonster. [bedrijf] wijst erop dat open hatch testing niet was toegestaan. welk monster: composite sample samengesteld uit de monsters onder k voor de Voluntas II door/te/op: Bureau Veritas te Rotterdam niet eerder dan 11 en niet later dan 17 juni 2021 monsternummer: NLRDMJ21205612- 084 analyse verricht: door Bureau Veritas op 17 juni 2021 analysemethode: ASTM D5386 resultaat: 12 gerapporteerd op: 17 juni 2021 betrouwbaarheid: Een versie van dit certificaat vermeldt dat op Iron wordt getest en dat de resultaten nog niet bekend zijn. Een andere versie van dit certificaat vermeldt voor het composietmonster 084 ‘< 1’. [bedrijf] wijst erop dat open hatch testing niet was toegestaan. welk monster: ongespecificeerd composite sample voor de Voluntas (vermoedelijk deel monster l, Baker & O’Brien vermeldt meer tests op hetzelfde monster) door/te/op: Bureau Veritas te Rotterdam op 11 juni 2021 monsternummer: NLRDMJ21205612- 086 analyse verricht: door Bureau Veritas op 21 juni 2021 analysemethode: FTIR resultaat: comparable to FAME gerapporteerd op: onbekend betrouwbaarheid: Certificaat vermeldt open sampling . Volgens [bedrijf] is dit resultaat voor haar tot 31 mei 2022 verzwegen en verstoorde dat het evenwicht tijdens de onderzoeksfase. Resultaat onbestreden . welk monster: ongespecificeerd composite sample voor de Voluntas (vermoedelijk deel monster m, Baker & O’Brien vermeldt meer tests op hetzelfde monster) door/te/op: Bureau Veritas te Rotterdam op 11 juni 2021 monsternummer: NLRDMJ21205612- 087 analyse verricht: door Bureau Veritas op 21 juni 2021 analysemethode: FTIR resultaat: comparable to FAME gerapporteerd op: onbekend betrouwbaarheid: Certificaat vermeldt open sampling. Volgens [bedrijf] is dit resultaat voor haar tot 31 mei 2022 verzwegen en verstoorde dat het evenwicht tijdens de onderzoeksfase. Resultaat onbestreden . welk monster: monsters uit alle scheepstanks Voluntas, 4th sampling door: Bureau Veritas in het bijzijn van Van Ameyde, Interlloyd Averij en Intertek te Rotterdam op 16 juni 2021, Vermaas Marine weigerde monsternummer: NLRDMJ21205838- 033 (nieuw serienummer) analyse verricht: door Bureau Veritas op 24 juni 2021 analysemethode: ASTM D5386 resultaat: van 23 voor C02 tot 52.4 voor C07 gerapporteerd op: onbekend betrouwbaarheid: Certificaat maakt voorbehoud over representativiteit omdat het closed sampling monsters betreft. [bedrijf] heeft deze monsters bij gebrek aan voldoende informatie als onvoldoende betrouwbaar bestreden . welk monster: monsters uit alle scheepstanks Voluntas II, 4th sampling door: Bureau Veritas in het bijzijn van Van Ameyde, Interlloyd Averij en Intertek te Rotterdam op 16 juni 2021, Vermaas Marine weigerde monsternummer: NLRDMJ21205838- 034 (nieuw serienummer) welk monster: composite sample tank S4, S6, P8 Chem Rotterdam na overslag door/te/op: Amspec op 4 juli 2021 monsternummer: 621-21-06318-001 analyse verricht: Amspec op 4 juli 2021 analysemethode: ASTM D1209 resultaat: 30 gerapporteerd op: 4 juli 2021 betrouwbaarheid: In de begeleidende e-mail vermeldt Amspec dat het monster ook via testmethode ASTM D5386 is getest en kleurwaarde 30 oplevert, maar het certificaat vermeld als methode alleen ASTM D1209. [bedrijf] bestrijdt op die grond dat volgens ASTM D5386 is getest. 6.36. De rechtbank constateert dat er bij het beladen van het koppelverband niet is afgegaan op analyseresultaten. De belading is immers op 11 juni 2021 voltooid terwijl de eerste analyseresultaten dateren van 14 juni 2021, ook die van het composite sample uit de scheepstanks van de Otello (monster c) en de eerstevoetmonsters (monsters e en f). 6.37. Partijen zijn het er in navolging van hun deskundigen inmiddels over eens dat de monsters genomen uit het ongereinigde monsternemingssysteem van het koppelverband en de daaruit samengestelde monsters (e tot en met i) onbetrouwbaar zijn. Partijen achten ook de analyses op basis van methode ASTM D1209 van monsters h, i en y minder overtuigend dan analyses op basis van methode ASTM D5386. De rechtbank zal partijen hierin volgen. 6.38. Voor de conditie van de lading bij inontvangstneming is het relevante toetsmoment het verlaten van de door ICC gebruikte overslagslangen. Op dat punt zijn echter geen monsters genomen. Het direct voorafgaande monster is monster d, genomen uit het manifold van de Otello (kleurwaarde 4). Dat is slechts maatgevend voor de conditie bij inontvangstneming voor zover de benzeen niet met overslagslang 2001175 in contact heeft gestaan. Er bestaan immers sterke aanwijzingen dat de benzeen na het passeren van het manifold van de Otello in één van de door ICC voor de belading ingezette overslagslangen, in contact kwam met restanten FAME (of daarop lijkende stoffen ) die de kleur van de benzeen nadelig hebben beïnvloed. 6.39. Bureau Veritas schreef op 21 juni 2021 aan ICC en Interlloyd Averij - maar niet aan [bedrijf] of Bamalité - dat zij sporen van FAME in de benzeen had aangetroffen en dat FAME verkleuring kan veroorzaken: “We found evidence that traces of fame are present in the benzene. We cannot prove the amount of fame. We don‘t have the possibility to do that. But we can show that there is fame in the benzene The fame can result in a off spec colour” Interlloyd Averij noemt in dit verband dat het gaat om analyse van: “the composite (open) samples from 11-06-2021 of both the "Voluntas & Voluntas II", by means of FTIR”, waaruit de rechtbank begrijpt dat het gaat om de monsters n en o in het overzicht. 6.40. Dat overslagslang nummer 2001175 bij één van de drie voorgaande verrichtingen was gebruikt voor de overslag van FAME staat vast (zie 3.11 en 3.19 hierboven). Interlloyd Averij en Vermaas Marine hebben FAME als (enig aanwijsbare) oorzaak van de toename van de kleur aangewezen. Baker & O’Brien bevestigt in haar rapport dat FAME de kleur van benzeen kan doen toenemen. Vermaas Marine heeft gewezen op de (mogelijke) aanwezigheid van microscopisch kleine beschadigingen in slangen, waarin residu zich kan nestelen, en dat het beeld van goede first foot samples gevolgd door toenemende verkleuring van de latere monsters zich laat verklaren door de geleidelijke afgifte van de restlading uit de slang die eerst enige tijd nodig heeft om zich op te lossen en te vermengen met de nieuw passerende lading. Naar deze mogelijkheid van microscopische scheurtjes in de slang waarin ladingrestanten zich langere tijd kunnen ophopen is geen onderzoek gedaan. Er zijn ook geen monsters genomen vanuit de overslagslang en de overslagslang zelf is in het geheel niet onderzocht. Baker & O’Brien bestrijdt dat FAME de contaminant was, vooral op de grond dat het niet voor de hand ligt dat LTT de overslagslang driemaal niet goed zou hebben gereinigd hoewel het reinigingsproto De rechtbank kan alleen vaststellen dat de gehele partij benzeen op 11 juni 2021 een gemiddelde kleurwaarde had van 12, en dat hieraan in ieder geval heeft bijgedragen het contact van een derde gedeelte van de benzeen met FAME in de losslang en mogelijk ook eventuele ladingrestanten in het koppelverband. Beide oorzaken komen voor risico van ICC. Andere bronnen van (op dat moment reeds ingetreden) contaminatie zijn niet concreet gesteld of gebleken. ICC heeft nog problemen met de coating van de ladingtanks gesuggereerd, maar die suggestie overstijgt bij gebrek aan onderbouwing het niveau van speculatie niet (zie nader in r.o. 6.45). Voor het opdragen van onderzoek naar die mogelijkheid ziet de rechtbank daarom onvoldoende aanleiding. 6.44. Over de monsters genomen rondom de aflevering/lossing in de Chem Rotterdam van 30 juni tot en met 2 juli 2021 bestaat ook discussie. Duidelijk is echter dat tegensprekelijke monsterneming heeft plaatsgevonden, en dat Amspec en Bureau Veritas op kleurwaarden 30 respectievelijk 31 uitkomen. De rechtbank gaat er bij gebrek aan tegenaanwijzingen van uit dat Bureau Veritas een monster heeft geanalyseerd dat zij heeft samengesteld uit de monsters onder w. De rechtbank ziet ook, zeker gelet op de voorgeschiedenis, reden om te vermoeden dat tevoren is geverifieerd dat het monsternemingssysteem van de Chem Rotterdam voldoende was gereinigd en ziet geen concrete aanwijzingen dat dit niet zo was. De rechtbank ziet ook geen reden om aan te nemen dat het onderzoek door Amspec op basis van de ASTM D1209 methode zonder waarde moet worden beschouwd, omdat dit een bestaande standaardmethode is en het resultaat bovendien nagenoeg gelijk is aan de resultaten van Bureau Veritas. Daartegenover leggen de betwistingen van [bedrijf] en Bamalité onvoldoende gewicht in de schaal. Temeer nu zij de door Vermaas Marine/SGS genomen monsters r, s, t, v en w tot hun beschikking hebben om de bevindingen van Amspec en Bureau Veritas mee te weerleggen. Als zij deze niet hebben geanalyseerd, komt dat voor hun risico. Als zij deze wel hebben geanalyseerd maar niet overleggen, kan de rechtbank niet aannemen dat die analyseresultaten een voor [bedrijf] en Bamalité gunstiger kleurwaarde opleveren. De rechtbank zal de kleurwaarde van de benzeen bij aflevering door [bedrijf] dus vaststellen op 30. 6.45. Hoe het kan dat de kleur van de benzeen na voltooiing van de belading van het koppelverband gaandeweg is opgelopen van gemiddeld 12 naar gemiddeld 30, is niet duidelijk naar voren gekomen uit het partijdebat. ICC heeft in algemene termen gespeculeerd dat er iets mis kan zijn geweest met de coating van de scheepstanks, maar dat beeld wordt niet concreet ondersteund door analyses van de ladingmonsters of door de rapporten van de deskundigen. Deze suggestie is bovendien gemotiveerd weersproken door Vermaas Marine. De rechtbank gaat aan die mogelijkheid daarom voorbij. 6.46. Vermaas Marine geeft in haar rapport een verklaring voor het aan boord verder oplopen van de verkleuring: “Voorts benadrukken wij dat FAME onverzadigde vetzuren bevat die een alkeen als functionele groep hebben. Deze functionele groep bestaat uit een dubbele binding tussen twee koolstofatomen (C=C) die relatief gemakkelijk kan worden geoxideerd. Dit heeft tot gevolg dat er ook gekleurde oxidatieproducten worden gevormd die een verdere verkleuring van de lading benzeen tot gevolg kan hebben gehad. Het voorgaande wordt bevestigd door de uitkomst van laboratoriumonderzoek door Bureau Veritas waarbij naar verluidt is vastgesteld dat er na het verdampen van een monster benzeen geel residu achterbleef. Dit gele residu is naar verluidt geïdentificeerd als FAME.” De rechtbank begrijpt hieruit dat de benzeen aan boord van het koppelverband verder kan zijn verkleurd als gevolg van oxidatie van een alkeen in de FAME. Hoewel dat niet uit de andere expertiserapporten naar voren komt, wordt dit scenario door de andere deskundigen niet concreet bestreden. Het oplopen van de kleurwaa ICC verzet zich primair tegen in behandeling nemen van het verzoek en vraagt subsidiair om daarop te mogen reageren. 6.53. Gelet op de afwijzing van de vorderingen van ICC tegen [bedrijf] , heeft [bedrijf] geen belang meer bij dit verzoek. De vordering wordt op die grond afgewezen. In het midden kan blijven of, zoals ICC betoogt, het verzoek vanwege het stadium van de procedure als te laat en in strijd met de goede procesorde moet worden beschouwd. 6.54. De kosten van dit incident zijn in beginsel voor rekening van [bedrijf] , maar worden aan de zijde van ICC begroot op nihil, nu de rechtbank niet gebleken is dat ICC in dit verband reeds (noemenswaardige) kosten heeft gemaakt. proceskosten 6.55. ICC zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [bedrijf] bepaald op: € 16.208,50 salaris voor de advocaat (3,5 punten (conclusie van antwoord 1, eerste zitting 1, antwoordakte 0,5, zitting 1) x € 4.631,00 per punt, tarief VIII) € 189,00 + nasalaris (plus de verhoging vermeld in de beslissing) € 16.397,50 totaal en aan de zijde van Bamalité - vanaf haar voeging in de hoofdzaak - bepaald op: € 9.262,00 salaris voor de advocaat (2 punten (conclusie en zitting) x € 4.631,00 per punt, tarief VIII) € 189,00 + nasalaris (plus de verhoging vermeld in de beslissing) € 9.451,00 totaal 6.56. Omdat het hier gaat om vorderingen in reconventie is daarvoor geen griffierecht betaald. De vorderingen in reconventie vloeien niet voort uit het verweer in conventie. Daarom en mede gelet op het intrekken van de vordering in conventie waardeert de rechtbank de procesverrichtingen waarvoor een vergoeding voor advocatensalaris wordt toegekend niet tegen halve waarde. 6.57. Zoals de rechtbank al in r.o. 6.1. heeft overwogen, zal de rechtbank Bamalité veroordelen in de kosten van het (onnodig ingestelde en ingetrokken) incident tot voeging. Deze kosten worden tot op heden aan de zijde van [bedrijf] , die met een eenvoudige referte heeft volstaan, bepaald op nihil. Aan de zijde van ICC worden deze kosten tot op heden bepaald op: € 653,00 salaris voor de advocaat (1 punt x € 653,00 per punt, tarief II). € 189,00 + nasalaris (plus de verhoging vermeld in de beslissing) € 842,00 totaal 7 De beoordeling in de vrijwaringszaak 7.1. Nu de vordering van ICC jegens [bedrijf] in de hoofdzaak wordt afgewezen en geen veroordeling van [bedrijf] in de hoofdzaak plaatsvindt, is er geen grond of belang voor toewijzing van de vordering in vrijwaring. De rechtbank hoeft dan ook niet in te gaan op het in de vrijwaringsprocedure tussen [bedrijf] en Bamalité gevoerde debat. 7.2. [bedrijf] zal, vanwege het nodeloos instellen van de vordering, worden veroordeeld in de kosten van de vrijwaring, tot op heden aan de zijde van Bamalité bepaald op: € 5.737,00 griffierecht € 653,00 salaris voor de advocaat (1 punt (conclusie) x € 653,00 per punt, tarief II) € 189,00 + nasalaris (plus de verhoging vermeld in de beslissing) € 6.579,00 totaal 7.3. Hoewel de zitting formeel bezien ook in de vrijwaring plaatsvond, betrof deze inhoudelijk slechts de hoofdzaak. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat Bamalité in verband met de zitting (noemenswaardige) kosten gericht op de vrijwaring heeft gemaakt en begroot de kosten voor de zitting wat de vrijwaring betreft op nihil. 8 De beslissing in de hoofdzaak en in vrijwaring De rechtbank in de hoofdzaak in conventie 8.1. verstaat dat geen vordering meer voorligt; in reconventie 8.2. wijst de vorderingen af; 8.3. veroordeelt ICC in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [bedrijf] bepaald op € 16.397,50 en aan de zijde van Bamalité op € 9.451,00, in beide gevallen te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als het vonnis wordt betekend en ICC niet binnen veertien dagen na betekening aan de veroordeling voldoet; 8.4. verklaart dit vonnis wat betreft de jegens [bedrijf] opgelegde kostenveroordeling,