Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-06-02
ECLI:NL:RBROT:2026:6319
RECHTBANK ROTTERDAM Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/1514 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres, (gemachtigde: [directeur eiseres] ), en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder, (gemachtigden: mr. D.J. van der Bij en mr. S.M. Geerding). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 2.500, - die verweerder met het besluit van 1 november 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. 1.3. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 30 december 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder, vergezeld door [naam] . Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Op 15 oktober 2024 heeft verweerder een voornemen tot boeteoplegging naar eiseres gestuurd waarin staat dat op 16 augustus 2024 door een toezichthouder van de NVWA is vastgesteld dat eiseres er niet voor heeft zorg gedragen dat bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten, de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden werden bespaard noch heeft zorggedragen dat de toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid werd aangehouden tot bij het dier de dood was ingetreden. Eiseres heeft daarmee overtredingen begaan die op grond van de Wet dieren beboetbaar zijn. 3.1 In het rapport van bevindingen dat de toezichthouder op 30 september 2024 heeft opgemaakt staat onder meer het volgende: “ Bevindingen: Datum en tijdstip van de bevinding(en): 16 augustus 2024, omstreeks 07:50 uur. Voor het uitvoeren van het toezicht op het slachten van vijf zeugen bevond ik mij in de slachthal van het slachthuis. Ik zag, dat de vijfde en daarmee laatste zeug naar de schietkooi werd gedreven door een slachthuismedewerker (hierna te noemen als slachthuismedewerker 1). De zeug weigerde meerdere keren voor de ingang van de schietkooi om door te lopen. Uiteindelijk heeft slachthuismedewerker 1 de keuze gemaakt om de zeug in de opdrijfgang te bedwelmen. Hij heeft het hek richting de stal gesloten, zodat de zeug niet terug naar de stal kon lopen. Vervolgens heeft hij de elektrische tang gepakt en zo dicht mogelijk bij de opdrijfgang geplaatst. De elektrische tang is met een kabel aan een apparaat verbonden en het apparaat is wederom via een kabel aangesloten aan het stopcontact. Qua lengte van beide kabels lukte het net om met de tang de zeug in de opdrijfgang te bereiken. Slachthuismedewerker 1 heeft een tweede slachthuismedewerker (hierna te noemen als slachthuismedewerker 2) gevraagd om het apparaat vast te houden. Slachthuismedewerker 1 heeft vervolgens de zeug met de elektrische tang door het hek heen bedwelmd. De slachthuismedewerker heeft een kopbedwelming uitgevoerd. Hij heeft de elektroden van de tang aan weerszijden van de kop van de zeug geplaatst. De zeug viel naar de grond en bleef liggen. Kopbedwelming en kop tot lichaam bedwelming met een elektrische tang worden a Ik kon op de camerabeelden zien, dat de zeug met haar achterpoten een korte schoppende beweging maakte, op het moment dat slachthuismedewerker 1 de borststeek bij de zeug uitvoerde. Hieruit concludeer ik, dat de schoppende beweging een reactie op de borststeek was. 17 seconden na de borststeek, kwam de zeug weer in de benen en begon richting de schietkooi te lopen. Ik stelde vast dat het bewustzijnsverlies na de bedwelming niet aanhield tot het dier dood was. Ik zag namelijk dat de zeug tijdens het verbloeden overeind kwam en begon te lopen. Het dier was daarmee ernstig vermijdbaar lijden, stress en pijn berokkend. (…) Ik heb [naam] als exploitant van bovengenoemd bedrijf mondeling op de hoogte gebracht van mijn bevindingen en heb ter zake een Rapport van Bevindingen aangezegd. Het rapport is daarnaast per e-mail aangezegd op datum 16 augustus 2024 om 11:36 uur aan [naam] (zie aanzegging per e-mail). Verhoor: Datum van het verhoor: 16 augustus 2024 om 11:01 uur. Identiteitsgegevens van de gehoorde persoon is: Naam : [naam] Voornamen : [naam] Functie : Slachthuisexploitant De identiteit van de gehoorde persoon is geverifieerd aan de hand van zijn naam. Dit verhoor heeft met uitdrukkelijke instemming van de gehoorde telefonisch plaatsgevonden. Ik bracht [naam] van mijn bevindingen op de hoogte en deelde hem mede dat de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur naar aanleiding hiervan een bestuurlijke boete kan opleggen. Tevens zei ik hem, ingevolge het bepaalde in artikel 5: 10a van de Algemene wet bestuursrecht, dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Hierop verklaarde hij mij zoveel mogelijk weergegeven in zijn eigen woorden, het volgende: "Het is geen standaardprocedure, maar het was in dit geval de Juiste beslissing om de zeug niet in de schietkooi te bedwelmen. Vervolgens zou ik het een verkeerde beslissing gevonden hebben om de zeug eerst op te takelen. Het was goed, dat zij de zeug meteen gestoken hebben. Ik vind een rapport van bevindingen een stap te ver gaan." (…)” 3.2 Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres een overtreding heeft begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren, artikel 3, eerste lid, en artikel 4, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 1099/2009 . Verweerder heeft gelet op het Algemene Interventiebeleid NVWA en het Specifiek Interventiebeleid Doden van gehouden dieren vastgesteld dat eiseres een zware overtreding heeft begaan. Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 2.500, -. Dit is het standaardboetebedrag dat daarvoor geldt op grond van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren. Beoordeling door de rechtbank 4. Eiseres voert aan dat de standaard procedure voor het bedwelmen van de zeug is gevolgd en valt haar niet te verwijten dat de bedwelming niet het gewenste resultaat had. Juist vanuit een oogpunt van dierenwelzijn is besloten om het dier niet naar de schietkooi te drijven maar in de drijfgang te bedwelmen en te verbloeden. Achteraf kan volgens eiseres weliswaar worden gesteld dat de bedwelming niet toereikend was, maar door haar medewerkers zijn alle handelingen en controles overeenkomstig de werkinstructies en regelgeving gedaan. Een boete opleggen acht eiseres dan ook niet rechtvaardig. Eiseres voert verder aan dat het binnen 15 seconden steken van een zeug, zoals opgenomen in het EFSA Journal, geen eis maar een advies is en dat haar standaardwerkwijze van 75 seconden, die is goedgekeurd door de NVWA, hier ook niet aan voldoet. Eiseres verwijst tot slot naar haar bezwaarschrift. 4.1. Verweerder stelt geen aanleiding te zien te twijfelen aan de bevindingen zoals neergelegd rapport van 30 september 2024. Verweerder wijst erop dat eiseres erkent dat de bedwelming niet toereikend was. Verweerder wijst er verder op dat het volgen van de standaard procedure en/of werkwijze niet relevant is, omdat eiseres Haar enkele stelling dat zij de juiste procedures en werkinstructies heeft gevolgd, is, afgezet tegen de bevindingen uit het rapport van bevindingen, onvoldoende voor het oordeel dat zij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. 4.6 Voor zover eiseres nog heeft verwezen naar haar bezwaarschrift, overweegt de rechtbank dat verweerder hierop is ingegaan in het bestreden besluit. Eiseres heeft niet aangevoerd waarom de reactie van verweerder niet juist of onvolledig zou zijn. Conclusie en gevolgen 5 De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres de overtredingen heeft begaan en deze haar verwijtbaar zijn. Het beroep is daarom ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, in aanwezigheid van mr.A. Verhoeven, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Verordening (EG) nr. 1099/2009 Artikel 3, eerste lid Algemene voorschriften voor het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten 1. Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt ervoor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard. Artikel 4, eerste lid 1. Dieren worden uitsluitend gedood nadat zij zijn bedwelmd volgens de methoden en de desbetreffende specifieke toepassingsvoorschriften zoals beschreven in bijlage I. De toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid wordt aangehouden tot bij het dier de dood is ingetreden. De in bijlage I vermelde methoden die niet de onmiddellijke dood tot gevolg hebben (hierna „eenvoudige bedwelming" genoemd), worden zo spoedig mogelijk gevolgd door een methode die de dood garandeert, zoals verbloeden, pithing, elektrocutie of langdurige blootstelling aan zuurstoftekort. Wet dieren Artikel 6.2 1. Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU verordeningen betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is. (...) Artikel 8.6 1. In deze paragraaf wordt verstaan onder: a. a) overtreding: gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens: 1°. de artikelen 2.2, negende en tiende lid, 2.3, derde en vierde lid, 2.4, eerste, tweede en derde lid, 2.5, eerste en tweede lid, 2.6, eerste, tweede en derde lid, 2.7, eerste tot en met derde lid, 2.8, eerste lid, onderdelen b en c, en vierde lid, onderdeel f, 2.10, tweede, derde en vierde lid, 2.17, 2.18, 2.18a, 2.19, eerste lid, 2.20, 2.21, eerste en derde lid, 2.22, eerste, tweede en derde lid, 3.1, 3.2, eerste en tweede lid, 3.4, 3.5, eerste en derde lid, 3.7, 5.1, derde lid, tweede volzin, 5.4, eerste lid, 5.5, eerste lid, 5.6, eerste en vijfde lid, 5.10, 5.11, 5.12 of 10.2, eerste lid; 2°. een van de bepalingen, bedoeld in onderdeel a, in samenhang met de artikelen 6.2, eerste lid, 6.4, eerste