Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-01-26
ECLI:NL:RBROT:2026:626
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/411 uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 januari 2026 in de zaak tussen [naam verzoeker 1] & [naam verzoeker 2] , zonder formele verblijfplaats, verzoekers (gemachtigde: mr. L.A. Fischer), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen (gemachtigden: mr. J.M. Huber en mr. R. Yahya). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een eerder getroffen voorlopige voorziening te wijzigen. Verzoekers vragen om een dwangsom, omdat het college niet voldoet aan de eerdere uitspraak en weigert verzoekers opvang te bieden onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO). 1.1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Voor het functioneren van een rechtsstaat is naleving van uitspraken een essentiële voorwaarde. Dat een bestuursorgaan het met een uitspraak oneens is, vormt geen rechtvaardiging die uitspraak niet uit te voeren. Het college heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat het praktisch onmogelijk is alternatieve opvang te bieden. Omdat het college geen blijk geeft de voorziening vrijwillig na te komen, wordt een dwangsom opgelegd. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Procesverloop 2. Het college heeft eerder geweigerd verzoekers opvang te verlenen, waarop verzoekers om een voorlopige voorziening hebben verzocht. Met de uitspraak van 22 december 2025 heeft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening getroffen en het college opgedragen binnen 72 uur opvang aan verzoekers te verlenen. 2.1. Op 13 januari 2026 heeft het college laten weten geen uitvoering te geven aan de voorlopige voorziening. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter op 15 januari 2026 gevraagd de voorlopige voorziening te wijzigen en een dwangsom op te leggen. 2.2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers, E. Batalova als tolk, de gemachtigden van het college en [persoon A] en [persoon B] namens het college. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over? 3. Met de uitspraak van 22 december 2025 heeft de voorzieningenrechter het college opgedragen verzoekers binnen 72 uur na de uitspraak tot 6 weken na de beslissing op bezwaar opvang te bieden. Het college is hiertoe verplicht op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO). Die opvang wordt geboden op een gemeentelijke opvanglocatie. Als de gemeentelijke opvanglocatie vol is, kan de opvang (tijdelijk) op alternatieve wijze (bijvoorbeeld in een andere gemeente, in een hotel of door het verstrekken van een vergoeding om eigen opvang te regelen) worden aangeboden. Het college waar de ontheemde zich meldt, is daarvoor verantwoordelijk. 3.1. De begunstigingstermijn van de uitspraak verliep op 25 december 2025. Het college heeft verzoekers op 7 januari 2026 laten weten op dat moment niet voornemens te zijn tot uitvoering van de uitspraak over te gaan gelet op de inhoud en strekking van de uitspraak. Op 13 januari 2026 heeft het college in een memo aan de gemeenteraad van de gemeente Vlaardingen bevestigd dat zij verzoekers definitief niet zal opvangen in de opvanglocatie [naam opvanglocatie] . Ook zal het college verzoekers geen alternatieve opvang bieden. Toetsingskader 4. De voorzieningenrechter kan een eerder getroffen voorlopige voorziening op verzoek of ambtshalve wijzigen of opheffen. De voorzieningenrechter kan daarbij een termijn bepalen waarbinnen het bestuursorgaan de getroffen voorziening moet verrichten. Ook kan de voorzieningenrechter aan het bestuursorgaan een dwangsom opleggen, die hij verbeurt aan een door de voorzieningenrechter aangewezen partij zolang het bestuursorgaan de voorziening De voorzieningenrechter brengt daarbij nogmaals in herinnering dat de rijksoverheid de kosten voor die opvang vergoedt. Dat het college naar gesteld probeert met de rijksoverheid tot een duurzame oplossing te komen om de instroom van ontheemde Oekraïners te spreiden over Nederland en daarmee betere opvang te bieden, valt te prijzen. Het vormt voor de voorzieningenrechter echter geen aanleiding te oordelen dat het college in de tussentijd kan afzien van haar opvangverplichting. 6.1. De voorzieningenrechter merkt daarbij ten overvloede op dat zij zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de weigering om uitvoering te geven aan de voorlopige voorziening mede lijkt te zijn ingegeven door andere (politiek gedreven) motieven. Dat gevoel wordt versterkt door de houding van het college die er met name op gericht lijkt te zijn besluitvorming te vertragen en ontheemde Oekraïners te ontmoedigen naar Vlaardingen te komen. Hiervoor is in een rechtsstaat geen plaats. Zoals al is overwogen in de uitspraak van 22 december 2025, zal het college de ontstane problematiek onder de aandacht van de wetgever moeten brengen en is het aan de wetgever deze op te lossen. Tot die tijd is het college gehouden zijn wettelijke verplichtingen na te komen. 6.2. Nu het college ter zitting heeft laten blijken vrijwillig nog steeds geen uitvoering te zullen geven aan de opvangverplichting, ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek toe te wijzen en een dwangsom te verbinden aan de getroffen voorlopige voorziening van 22 december 2025. De voorzieningenrechter sluit voor de hoogte van de dwangsom aan bij de dwangsom die op 14 januari 2026 is opgelegd aan het college voor een andere opvangzaak met betrekking tot een ontheemde Oekraïner. Rekening houdend met het feit dat het hier gaat om twee Oekraïners, wordt de dwangsom vastgesteld op € 1.000,- per persoon (en € 2.000,- totaal per dag) voor zover het college de voorziening niet nakomt met een maximum van € 30.000,- per persoon (en maximaal € 60.000,- totaal). De voorzieningenrechter bepaalt daarbij dat het college die dwangsommen verbeurt aan verzoekers op het moment dat verzoekers niet binnen 24 uur na deze uitspraak opvang wordt geboden. Conclusie en gevolgen 7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en wijzigt de voorlopige voorziening in zoverre dat het college alsnog opvang moet bieden aan verzoekers binnen 24 uur na deze uitspraak tot zes weken nadat op het bezwaarschrift is beslist, bij gebreke waarvan een dwangsom wordt verbeurd aan verzoekers. Deze dwangsom stelt de voorzieningenrechter vast op € 1.000,- per persoon (en € 2.000,- totaal per dag) met een maximum van € 30.000 per persoon (en maximaal € 60.000,- totaal). 7.1. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Daarnaast krijgen verzoekers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Beslissing De voorzieningenrechter: - handhaaft de voorziening dat het college aan verzoekers opvang moet bieden zoals bepaald in de uitspraak van 22 december 2025; - draagt het college op om uiterlijk 24 uur na deze uitspraak tot zes weken na beslissing op bezwaar te voldoen aan de voorziening; - bepaalt dat het college aan verzoekers een dwangsom van € 1.000,- per persoon (en € 2.000,- per dag) moet betalen voor elke dag waarmee het college de hiervoor genoemde termijn overschrijdt met een maximum van € 30.000 per persoon (maximaal € 60.000,- totaal); - bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoekers moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 1.