Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-05-07
ECLI:NL:RBROT:2026:6259
RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer / rekestnummer: C/10/709556 / HA RK 25-1085 Beschikking van 7 mei 2026 in de zaak van [verzoekster] , werkzaam bij [advocatenkantoor X] , kantoorhoudend in [plaats] , verzoekster, tegen DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK , gevestigd in Rotterdam, verweerder. Partijen worden hierna [verzoekster] en de griffier genoemd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift dat bij de griffie van de rechtbank is binnengekomen op 22 oktober 2025, met bijlagen; - het verweerschrift; - de brief van [verzoekster] van 6 januari 2026; - de e-mail van [verzoekster] van 5 maart 2026, met bijlage. 1.2. Beide partijen hebben aangegeven dat de zaak zonder mondelinge behandeling kan worden afgedaan. 2 De feiten 2.1. Op 1 oktober 2025 heeft [verzoekster] namens [bedrijf 1] ., [bedrijf 2] ., [bedrijf 3] ., [bedrijf 4] ., [bedrijf 5] ., [bedrijf 6] ., [bedrijf 7] . en [bedrijf 8] . bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot het afkondigen van een afkoelingsperiode in de zin van artikel 376 Fw en het treffen van een maatwerkvoorziening in de zin van artikel 379 Fw (zaaknummer [zaaknummer] ), hierna te noemen: het verzoekschrift. De griffier heeft voor dat verzoekschrift achtmaal griffierecht geheven ter hoogte van € 714,-, welke bedragen op 21 oktober 2025 zijn betaald. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoekster] verzoekt – samengevat – de beslissing van de griffier om achtmaal het griffierecht van € 714,- te heffen te vernietigen en te bepalen dat in plaats daarvan eenmaal een griffierecht van € 714,- moet worden geheven en de griffier te instrueren het teveel betaalde bedrag aan griffierecht van € 4.998,- terug te betalen. 3.2. [verzoekster] legt aan haar verzoek – samengevat – het volgende ten grondslag. Het betrof één verzoekschrift dat gelijkluidend is voor alle individuele rechtspersonen uit het [naam] -concern met een gedeeld feitencomplex. Er volgt een gezamenlijke behandeling en één beslissing. Er is dus sprake van één verzoek waarvoor volgens artikel 15 lid 1 Wgbz eenmaal griffierecht moet worden geheven. Het verzoekschrift is ingediend naar aanleiding van het starten van een WHOA-traject. Het [naam] -concern had acute bescherming nodig tegen activistische aandeelhouders tevens schuldeisers met pandrecht op aandelen alsook jegens andere schuldeisers zoals onderaannemers met pre-fixatievorderingen. Hiervoor is een gelijkluidend verzoek gedaan door alle [naam] -concern vennootschappen. Ook als zou worden aangenomen dat het om afzonderlijke verzoeken per vennootschap gaat, moet eenmaal griffierecht worden geheven vanwege het directe verband. Het gaat immers om een achttal vennootschappen binnen een groep die gezamenlijk werden gefinancierd en waarin een gezamenlijke oplossing wordt gezocht en het verzoekschrift is ingediend om ‘rust’ te creëren om die gezamenlijke oplossing mogelijk te maken. 3.3. De griffier is het daar niet mee eens en voert – samengevat – het volgende verweer. In het verzoekschrift hebben acht verzoekers verzocht om een afkoelingsperiode af te kondigen en voorzieningen te treffen met betrekking tot stemrechten verbonden aan aandelen in (een van de) verzoekers. De griffier heeft het griffierecht bepaald op basis van het aantal in het verzoekschrift opgenomen verzoekers en aan de hand van het petitum. Daarbij bestudeert de griffier de stukken niet inhoudelijk. De acht verzoekers deponeerden voor indiening van het verzoekschrift ieder een verklaring in de zin van artikel 370 lid 3 Fw. De verzoeken zijn niet op de voet van artikel 372 lid 3 Fw door één verzoeker mede namens zeven andere (rechts)personen ingediend in het kader van de voorbereiding van één akkoord als bedoeld in artikel 372 lid 1 Fw. De rechtbank moet bij de behandeling van de verzoeken op grond van artikel 376 Fw ten aanzien van elke verzoeker afzonderlijk beoordelen of wordt voldaan aan de vereisten van artikel 376 lid 4 Fw. In verband daarmee zijn bij het verzoekschrift