Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-01-21
ECLI:NL:RBROT:2026:624
RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer / rolnummer: C/10/701994 / HA ZA 25-535 Vonnis van 21 januari 2026 in de zaak van 1 [eiser 1], 2 [eiser 2], beiden wonende te Spijkenisse, eisers in het verzet, hierna samen te noemen: [eisers], advocaat: mr. R. Delgado, tegen 1 [gedaagde 1], 2 [gedaagde 2], beiden wonende te Spijkenisse, gedaagden in het verzet, hierna samen te noemen: [gedaagden], advocaat: mr. A. Rhijnsburger. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de door [gedaagden] op 19 maart 2025 uitgebrachte dagvaarding, - de akte houdende producties van [gedaagden], ontvangen op 2 april 2025; - het door deze rechtbank tussen partijen gewezen verstekvonnis van 7 mei 2025 onder zaak- en rolnummer 696847 HA ZA 25-278 (hierna: het verstekvonnis);- de verzetdagvaarding van 13 juni 2025, met producties 1 tot en met 5; - de brief van de rechtbank van 15 juli 2025, waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling, - de e-mail van de rechtbank van 17 september 2025, waarbij een zittingsagenda is verstuurd, - de mondelinge behandeling van 24 oktober 2025 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van [gedaagden] 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De zaak in het kort 2.1. Deze zaak speelt tussen buren en gaat over geluids- en stankoverlast door honden. [gedaagden] stellen dat overlast wordt veroorzaakt door de honden van [eisers] en [eisers] zijn het daarmee niet eens. Het debat spitst zich toe op het al dan niet bestaan van onrechtmatige hinder door de honden van [eisers] In deze procedure krijgen [gedaagden] gelijk. 3 De feiten 3.1. Partijen zijn buren van elkaar. [gedaagden] wonen in een op de begane grond gelegen appartement aan de [adres 1], sinds het jaar 2021. [eisers] wonen in het naastgelegen appartement aan de [adres 2], sinds 2014. 3.2. [eisers] houden elf honden in hun woning. Zij fokten in het verleden daarmee en hielden toen nog meer honden. 3.3. Naar aanleiding van geluids- en stankoverlast hebben [gedaagden] een kortgedingprocedure aangespannen. In die procedure vorderden zij dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: [eisers] veroordeelt om het aantal honden in hun woning terug te brengen tot maximaal drie, binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat zij daaraan niet voldoen, [eisers] verbiedt harde muziek af te spelen zoals bedoeld in het rapport van Geluidsconsult, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per overtreding. 3.4. In het vonnis van 20 december 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam beslist dat een voorlopige voorziening noodzakelijk was. Dit vonnis luidt voor zover hier van belang: ‘’2.3 [gedaagden] hebben de onderneming Geluidsconsult b.v. ingeschakeld om de door hen ervaren geluidsoverlast vast te stellen door middel van een akoestisch onderzoek. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in de periode van 6 tot en met 21 augustus 2024. 2.4 Op 24 september heeft Geluidsconsult aan de hand van de metingen een rapport uitgebracht. Geluidsconsult heeft in haar rapport geconcludeerd dat sprake is van ontoelaatbare geluidhinder die gekwalificeerd moet worden als Burenlawaaiklasse 3 A.’’ ‘’…’’ ‘’4.11 Wel is de overlast uit het verleden, en het grote aantal honden dat er nu nog is, voldoende reden voor de volgende maatregelen: [eisers] mogen per direct niet meer dan 12 honden in en rondom de woning houden; honden die de woning om welke reden dan ook definitief verlaten, mogen niet worden vervangen; [eisers] mogen pas weer nieuwe honden nemen als het aantal honden zover is gedaald, dat [eisers] niet meer dan vijf honden in en rondom de woning hebben, inclusief de nieuwe honden.’’ ‘’…’’ ‘’5. De beslissing De voorzieningenrechter verbiedt Van den Engel om honden te houden in en rondom de woning in afwijking van overweging 4.11 van dit vonnis; bepaalt dat [eisers] vanaf vijf dagen na betekening van dit vonnis, een dwangsom ve De ervaring leert namelijk dat elf honden bij elkaar veel geluid en stank veroorzaken in de vorm van blaffen, janken, vechten, plassen en poepen en dergelijke. Weliswaar moeten buren het een en ander van elkaar dulden, maar juist het grote aantal honden maakt in deze situatie dat de hinder die voor de omwonenden wordt veroorzaakt, naar het oordeel van de rechtbank moet worden aangemerkt als onrechtmatig. 5.6. Daarbij speelt een rol dat [gedaagden] inmiddels al jaren de overlast ervaren, zowel overdag als ’s nachts. Dat de hinder een lange geschiedenis heeft, hebben [eisers] tijdens de mondelinge behandeling bevestigd. In het verleden hadden zij namelijk meer dan elf honden waarmee zij bedrijfsmatig fokten. [eisers] erkennen dat de honden toen voor veel overlast hebben gezorgd. 5.7. De rechtbank houdt ook rekening met het vermogensrechtelijk belang van [gedaagden]. Als zij hun woning willen verkopen, moeten zij op basis van hun mededelingsplicht de (potentiële) koper informeren over feiten en omstandigheden die voor de koper belangrijk kunnen zijn (artikel 7:17 BW). In dit geval is het denkbaar dat [gedaagden] moeten melden dat de buren elf honden houden, waardoor de woning mogelijk minder gemakkelijk en/of voor een lagere prijs kan worden verkocht. 5.8. Dat [eisers] langer dan [gedaagden] wonen op hun adres, dat zij stellen dat andere buren geen hinder ervaren en dat er mogelijk ook nog andere overlast veroorzakende factoren aanwezig zijn, betekent onder deze omstandigheden niet dat [gedaagden] de hinder moeten dulden. 5.9. Anders dan [eisers] aanvoeren, is er in dit geval geen nader bewijs nodig om aan te tonen dat hun honden onrechtmatige hinder veroorzaken; zie onder 5.4. De beschikbare bewijsstukken hebben een ondersteunende rol. Tijdens de mondelinge behandeling zijn een aantal bewijsstukken en de betrouwbaarheid daarvan aan bod gekomen. Hoewel bepaalde onderdelen van het rapport van Geluidsconsult en de getuigenverklaringen aan de zijde van [gedaagden] mogelijk niet compleet zijn en/of vragen oproepen, ondersteunen deze bewijsstukken wel in enige mate de onrechtmatigheid van de hinder die wordt veroorzaakt door [eisers] [eisers] mogen maximaal drie honden houden 5.10. [eisers] moeten er voor zorgen dat de onrechtmatige hinder stopt. Gelet op het grote aantal honden en de lange periode dat de hinder zich voordoet zonder dat mogelijke maatregelen die hinder afdoende hebben weggenomen, blijft nu redelijkerwijs alleen over het flink verminderen van het aantal honden. De vordering van [gedaagden] om het aantal honden terug te brengen tot maximaal drie is daarom in deze situatie toewijsbaar. Nu [gedaagden] in hun dagvaarding hebben gesteld dat zij ook geluids- en stankoverlast in de tuin ervaren, zoals ook op de zitting aan de orde gekomen, dient de vordering om niet meer dan drie honden ‘in de woning’ te houden zo te worden gelezen dat deze ook betrekking heeft op de tuin. De rechtbank zal de vordering op die manier toewijzen. De rechtbank geeft [eisers] een ruimere termijn 5.11. De rechtbank realiseert zich dat de toewijzing van de vordering van [gedaagden] grote gevolgen heeft, zeker omdat [eisers] grote dierenliefhebbers zijn. De rechtbank oordeelt daarom dat [eisers] een ruimere termijn moeten krijgen om te voldoen aan de veroordeling om maximaal drie honden te houden. De door [gedaagden] gevorderde termijn van een week acht de rechtbank in dit geval onredelijk kort. 5.12. [eisers] moeten uiterlijk op 1 juni 2026 maximaal drie honden houden. Zij mogen het hondenaantal geleidelijk afbouwen. Daarbij gelden de volgende termijnen: op 1 maart 2026 mogen [eisers] maximaal negen honden houden; op 1 april 2026 mogen [eisers] maximaal zeven honden houden; op 1 mei 2026 mogen [eisers] maximaal vijf honden houden; op 1 juni 2026 mogen [eisers] maximaal drie honden houden. 5.13. Het voorgaande houdt in dat [eisers] vanaf februari 2026 maandelijks minstens twee honden moeten verwijderen uit hun woning. De verhouding van het kortgeding