Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-06-01
ECLI:NL:RBROT:2026:6226
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht heeft beslist dat eiser niet aan de voorwaarde voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) voldoet dat hij voor de periode van minimaal een jaar verzekerd is geweest voor de AOW voordat hij de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. De aanvraag om AOW is dan ook terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/9272 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, de SVB (gemachtigde: mr. G.E. Eind). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB terecht heeft beslist dat eiser niet aan de voorwaarde voor de AOW voldoet dat hij voor de periode van minimaal een jaar verzekerd is geweest voor de AOW voordat hij de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. De aanvraag om AOW is dan ook terecht afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een ouderdomspensioen op grond van de AOW. De SVB heeft deze aanvraag met het besluit van 7 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is de SVB bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft nadere stukken ingediend. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de SVB. Beoordeling door de rechtbank 3. De toepasselijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 4. Aan het bestreden besluit heeft de SVB ten grondslag gelegd dat eiser minder dan een jaar verzekerd is geweest voor de AOW en daarom geen recht heeft op een AOW-pensioen. Volgens de SVB is niet gebleken dat er grond is, nationaal of internationaal, om een langere periode van verzekering toe te kennen en is er ook geen verzekerde periode van een andere lidstaat binnen de Europese Unie om rekening mee te houden. Zorgvuldigheidsbeginsel 5. Eiser stelt zich op het standpunt dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming, omdat de SVB heeft nagelaten de situatie in het licht van internationale verdragen en Europees recht te beoordelen, omdat het uitstellen van het bestreden besluit met zes weken volgens eiser niet gerechtvaardigd was, omdat het bestreden besluit pas op de laatste dag van de ingebrekestelling genoemde termijn is genomen en omdat in het bestreden besluit staat dat de beroepstermijn loopt tot 22 november 2025, terwijl die eigenlijk tot 26 november 2025 had moeten lopen. 5.1. Uit wat eiser heeft aangevoerd is echter niet gebleken dat eiser bij de besluitvorming in zijn belangen is geschaad. Eiser heeft nog steeds op tijd zijn beroep in kunnen dienen en de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar is juist verlengd om de door eiser overgelegde aanvullende informatie te beoordelen. Dat eiser het niet eens is met het bestreden besluit, betekent niet dat dit besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Vertrouwensbeginsel 6. Eiser beroept zich verder op het vertrouwensbeginsel. Eiser stelt dat hij er op basis van de pensioenoverzichten op mijnpensioenoverzicht.nl op mocht vertrouwen dat hij pensioenrechten in het kader van de AOW heeft opgebouwd. De SVB is niet ingegaan op eisers verzoek tot nadere inlichtingen over de verzekerde tijdvakken en heeft volgens eiser ook nagelaten de informatie te corrigeren. 6.1. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat aan de zijde van de overheid een toezegging is gedaan waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Deze toezegging moet aan het bevoegde bestuursorgaan kunnen worden toegerekend. 6.2. De rechtbank acht het voorstelbaar dat de pensioenoverzichten op mijnpensioenoverzicht.nl verwarring veroorzaken omdat de website stelt dat de pensioengegevens afkomstig zijn van onder meer de SVB. Toch kan dit niet leiden tot een gerechtvaardigd opgewekt vertrouwen over eisers recht op AOW dat aan de SVB kan worden toegerekend. Op de pensioenoverzichten staat namelijk ook duidelijk vermeld dat aan het overzicht geen rechten kunnen worden ontleend en dat men altijd de informatie van de SVB moet lezen omdat daar belangrijke persoonlijke informatie in staat. Deze mededeling had voor eiser voldoende aanleiding moeten zijn om nadere inlichtingen over het recht op een ouderdomspensioen in te winnen bij de SVB zelf. Verzekerde tijdvakken voor de AOW 7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de SVB er ten onrechte van uitgaat dat eiser pas sinds 6 september 2024 woonachtig is in Nederland. De ingangsdatum van eisers verblijfsrecht in Nederland is 4 augustus 2024. De gemeente kon de wettelijke termijn voor inschrijving in de basisregistratie personen (BRP) volgens eiser echter niet nakomen. Ter zitting heeft de SVB gesteld dat uitgegaan kan worden van de datum van 5 augustus 2024 als ingangsdatum van eisers verblijfsrecht in Nederland. 7.1. De rechtbank stelt vast dat ook als de SVB het bestreden besluit gebaseerd zou hebben op de ingangsdatum van 5 augustus 2024, in de besluitvorming op juiste wijze is vastgesteld dat dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat hij minstens een jaar verzekerd is geweest voor de AOW. Immers, zoals namens eiser ook op de zitting is aangegeven, is als gevolg van de door hem gestelde vertraging bij de gemeente slechts een tekort op eisers pensioenopbouw van twaalf dagen, terwijl bij optelling van die twaalf dagen nog steeds geen sprake is van een feitelijke woonsituatie voor de periode van een jaar. 8. Eiser voert onder verwijzing naar artikel 57, derde lid, van de Verordening (EG) nr. 883/2004 aan dat de SVB de tijdvakken van wonen in België ook had moeten meerekenen als verzekerde periodes in Nederland. Eiser verwijst daarbij onder meer naar arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU), te weten in de zaken C-440/09 (punt 29) en C-866/19 (punt 29) waaruit volgt dat het feitelijk ‘wonen’ moet worden meegeteld voor de vraag of sprake is van verzekerde tijdvakken. 8.1. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De SVB heeft terecht toegelicht dat artikel 57 van Verordening 883/2004 is bedoeld om te voorkomen dat iemand door verblijf in verschillende lidstaten geen recht heeft op pensioen (regeling voor kruimelpensioen). De SVB heeft verder terecht vastgesteld dat aan toepassing van deze bepaling niet wordt toegekomen, omdat uit de door de SVB opgevraagde informatie van het Belgische verbindingsorgaan, de Federale Pensioendienst, blijkt dat het aldaar bevoegde Belgische orgaan heeft vastgesteld dat eiser in België geen verzekerde tijdvakken heeft opgebouwd (‘Kennisgeving van uw pensioenbeslissing voor ingangsdatum 01/08/2025’ van 9 mei 2025). In die beslissing is gemotiveerd dat eiser geen “tewerkstelling als werknemer” heeft bewezen. Partijen hebben aangegeven dat in België niet de tijdvakken van wonen, maar enkel de tijdvakken van werken als tijdvakken tellen waarin verzekering voor het ouderdomspensioen wordt opgebouwd. Eiser heeft aangevoerd dat de rechtbank niet mag uitgaan van deze beslissing van 9 mei 2025 omdat hij deze beslissing onjuist acht en daartegen in beroep is gegaan bij de rechtbank in België. De rechtbank ziet in wat eiser hierover heeft aangevoerd echter geen aanleiding om niet uit te gaan van de juistheid van deze beslissing van 9 mei 2025 hangende de beroepsprocedure in België. Daaruit vloeit ook voort dat de verwijzing door eiser naar de arresten van het HvJ EU in de zaken C440/09 en C-866/19 dit oordeel niet anders maken. Die arresten gaan niet over de vraag of iemand pensioenrechten heeft verkregen en zijn daarom, gelet op de beslissing van 9 mei 2025, niet relevant. De SVB heeft er in het bestreden besluit overigens op gewezen dat eiser een herzieningsverzoek kan indienen in het geval de beroepsprocedure in België ertoe leidt dat eiser alsnog verzekerde tijdvakken heeft opgebouwd in België. 9. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat de SVB op grond van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek China (VNC) de periodes die eiser in België heeft gewoond had moeten meerekenen voor de bepaling van eisers AOW-opbouw in Nederland. Eiser verwijst hiervoor naar artikel 11 van het VNC, waarin is bepaald dat een persoon die in overeenstemming met de bepalingen van het VNC onderworpen is aan de wetgeving van Nederland wordt beschouwd als wonend op het grondgebied van Nederland. 9.1. Het VNC is van toepassing op alle personen die onderworpen zijn aan de wetgeving van een van de verdragsluitende partijen alsmede op andere personen die rechten ontlenen aan deze personen. Dit volgt uit artikel 3 van het VNC. Anders dan eiser stelt, volgt uit de bewoordingen van artikel 11 van het VNC echter niet dat personen die een afgeleid recht hebben, zoals eiser, ook worden beschouwd als wonend op het grondgebied van Nederland. Dit geldt enkel voor de persoon die in overeenstemming met de bepalingen van het verdrag onderworpen is aan de wetgeving van Nederland. Artikel 11 van het VNC is daarom niet op eiser van toepassing. Unierecht/Het recht op vrij verkeer van personen en werknemers 10. Eiser voert aan dat het niet toekennen van AOW een schending van het vrij verkeer van personen oplevert. Eisers verblijfsrecht is een afgeleid verblijfsrecht van zijn schoonzoon (een EU-burger) en dit verblijfsrecht kan eiser alleen ontlenen aan de lidstaat waar zijn schoonzoon verblijft. Doordat eisers schoonzoon zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend door in België te gaan wonen, heeft dat ertoe geleid dat eiser geen AOW heeft kunnen opbouwen in Nederland. Eiser stelt dat hij wel AOW had kunnen opbouwen als zijn schoonzoon in Nederland had gewoond en dus niet zijn vrij verkeer als werknemer had uitgeoefend. Hiermee wordt het recht op vrij verkeer van eisers schoonzoon volgens eiser gehinderd. Eiser verwijst hiertoe onder meer naar de conclusie van de Advocaat-Generaal van het HvJ EU in de zaak C-488/21 (punt 106). 10.1. De rechtbank stelt vast dat uit hetgeen eiser naar voren brengt volgt dat zijn schoonzoon (een EU-burger) zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend door in België te gaan wonen. De omstandigheid dat eiser vanwege de Belgische juridische regeling omtrent pensioenrechten als gevolg hiervan in België geen pensioen heeft opgebouwd, betekent niet dat sprake is van schending van de vrijverkeerregels. De verwijzing naar de conclusie in de zaak C-488/21 maakt dit oordeel niet anders. Eiser is de schoonvader van een Nederlander die in Nederland woont en werkt en uit het dossier volgt op geen enkele wijze dat de schoonvader op basis van zijn nationaliteit anders wordt behandeld dan andere EU-burgers. Juist niet: de norm om voor AOW in aanmerking te komen geldt voor iedereen, ongeacht nationaliteit, zowel van eiser als van zijn schoonzoon. Van indirecte discriminatie is geen sprake. Hardheidsclausule 11. Eiser stelt verder dat de SVB gelet op alle feiten en omstandigheden gebruik had moeten maken van de hardheidsclausule uit het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746). Eiser verwijst hiervoor ook naar beleidsregel SB1039. Eiser zit in de situatie dat hij tussen wal en schip valt in die zin dat materieel geen sprake is van een adequate verzekering en gelet op de zorgplicht die de overheid heeft ten aanzien van personen en de financiële positie van eiser getuigt het van bijzondere hardheid als hij niet in de verzekering wordt opgenomen. Eiser is namelijk niet in staat om zelf in zijn basisbehoeften te voorzien, gezien zijn economische en sociale situatie. Daarnaast heeft de SVB ten onrechte geen rekening gehouden met de reden waarom eiser minder dan een jaar in Nederland heeft gewoond. 11.1. Het beroep van eiser op de hardheidsclausule in KB 746 slaagt niet. De weigering om eiser een AOW-pensioen toe te kennen is gebaseerd op artikel 7, eerste lid en onder b, van de AOW. De in artikel 24 van KB 746 neergelegde hardheidsclausule geeft de SVB slechts de bevoegdheid af te wijken van de in dat besluit gestelde regels, niet om af te wijken van de hoofdregels van de AOW waar het gaat om de verzekering in Nederland. Een dergelijke afwijkingsbevoegdheid kan ook niet gevonden worden in het geschreven of ongeschreven evenredigheidsbeginsel, omdat sprake is van dwingend geformuleerde toetsingscriteria die door de formele wetgever zijn vastgesteld. De SVB en de bestuursrechter mogen niet treden in de afwegingen die de formele wetgever bij het vaststellen van die criteria heeft gemaakt. Dat volgt uit vaste rechtspraak. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Verdrag inzake sociale zekerheid tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Volksrepubliek China Artikel 3 Tenzij anders aangegeven is dit Verdrag van toepassing op alle personen die onderworpen zijn aan de wetgeving van een van de verdragsluitende partijen alsmede op andere personen die rechten ontlenen aan deze personen. Artikel 11 Een persoon die in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag onderworpen is aan de wetgeving van Nederland wordt, wat betreft de verzekering ingevolge die wetgeving, beschouwd als wonend op het grondgebied van Nederland. Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie Artikel 21, eerste lid Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Artikel 45, eerste lid Het verkeer van werknemers binnen de Unie is vrij. Verordening (EG) nr. 883/2004 Artikel 51 1. Indien de wetgeving van een lidstaat de toekenning van bepaalde uitkeringen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de tijdvakken van verzekering uitsluitend zijn vervuld in specifieke al dan niet in loondienst of in een beroep verrichte werkzaamheden waarvoor een bijzonder stelsel geldt dat op personen wordt toegepast die al dan niet in loondienst die specifieke werkzaamheden verrichten, houdt het bevoegde orgaan van die lidstaat alleen rekening met de tijdvakken welke vervuld zijn onder de wetgeving van een andere lidstaat in het kader van een overeenkomstig stelsel of bij gebreke daarvan, in hetzelfde beroep of, in voorkomend geval, van dezelfde al dan niet in loondienst verrichte werkzaamheden. Indien de betrokkene, met inachtneming van de aldus vervulde tijdvakken, niet voldoet aan de voorwaarden om de betrokken uitkeringen te ontvangen krachtens een bijzonder stelsel, worden deze in aanmerking genomen bij de toekenning van de uitkeringen volgens het algemene stelsel of, bij gebreke daarvan, het stelsel dat, naar gelang van het geval, van toepassing is op arbeiders, respectievelijk bedienden, op voorwaarde dat de betrokkene aan een van die stelsels onderworpen is geweest 2. Tijdvakken van verzekering die zijn vervuld krachtens een bijzonder stelsel van een lidstaat, worden in aanmerking genomen bij de toekenning van uitkeringen krachtens het algemene stelsel of, bij gebreke daarvan, het stelsel dat, naar gelang van het geval, van toepassing is op arbeiders respectievelijk bedienden van een andere lidstaat, op voorwaarde dat de betrokkene bij een van deze stelsels aangesloten is geweest, zelfs indien de betrokken tijdvakken in laatst genoemde lidstaat reeds krachtens een bijzonder stelsel in aanmerking zijn genomen. 3. Indien de wetgeving van een lidstaat het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringenafhankelijk stelt van de voorwaarde dat de betrokkene verzekerd is op het tijdstip van het intreden van de verzekerde gebeurtenis, wordt deze voorwaarde geacht te zijn vervuld indien de betrokkene krachtens de wetgeving van de andere lidstaat verzekerd is, volgens de in bijlage XI vermelde procedures voor elke betrokken lidstaat. Artikel 57 1. Niettegenstaande artikel 52, lid 1, onder b), is het orgaan van een lidstaat niet verplicht uitkeringen toe te kennen met betrekking tot tijdvakken die krachtens de door het orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld en die in aanmerking dienen te worden genomen bij het intreden van de verzekerde gebeurtenis, indien – de totale duur van deze tijdvakken minder dan een jaar bedraagt en – uitsluitend rekening houdende met deze tijdvakken geen recht op uitkeringen krachtens die wetgeving bestaat. Voor de toepassing van dit artikel, wordt onder "tijdvakken" verstaan alle tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst, van werkzaamheden anders dan in loondienst, of van wonen die recht geven op een uitkering of de betrokken uitkering rechtstreeks verhogen. 2. Voor de toepassing van artikel 52, lid 1, onder b), punt i), houdt het bevoegde orgaan van elk van de betrokken lidstaten rekening met de in lid 1 bedoelde tijdvakken. 3. Ingeval toepassing van lid 1 ertoe zou leiden dat alle organen van de betrokken lidstaten van hun verplichtingen worden ontheven, worden de uitkeringen uitsluitend toegekend krachtens de wetgeving van de laatste van die lidstaten aan de voorwaarden waarvan is voldaan, alsof alle vervulde tijdvakken van verzekering en van wonen waarmee overeenkomstig artikel 6 en artikel 51, leden 1 en 2, rekening wordt gehouden, krachtens de wetgeving van deze lidstaat waren vervuld. Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden Artikel 24 1. Onverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, geniet iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gast land. Dit recht geldt ook voor familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en die verblijfsrecht of duurzaam verblijfsrecht genieten. 2. In afwijking van lid 1 is het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14, lid 4, onder b), bedoelde langere periode, noch is het verplicht om vóór de verwerving van het duurzame verblijfsrecht steun voor levensonderhoud toe te kennen voor studies, inclusief beroepsopleiding, in de vorm van een studiebeurs of lening, aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familie leden. Algemene Ouderdomswet Artikel 6, eerste lid Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en a. ingezetene is; b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Artikel 7, eerste lid Recht op ouderdomspensioen overeenkomstig de bepalingen van deze wet heeft degene die a. de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en b. ingevolge deze wet minimaal één kalenderjaar verzekerd is geweest in het tijdvak, aanvangende met de dag waarop de aanvangsleeftijd is bereikt en eindigende met de dag voorafgaande aan de dag waarop de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt. Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 Artikel 24 De Sociale verzekeringsbank kan, met uitzondering van artikel 22, derde lid, artikelen van dit besluit buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang van de uitbreiding en beperking van de kring van verzekerden zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, die uitsluitend voortvloeit uit de verzekeringsplicht of de uitsluiting daarvan krachtens dit besluit. Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351. Zie in die zin ook punt 30 van het arrest van het HvJ EU van 3 maart 2011, in zaak C-440/09. Zie expliciet punt 32 van het arrest van het HvJ EU van 21 oktober 2021, in zaak C-866/19. Zie over toetsing van bepalingen van een wet in formele zin onder meer ABRvS van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.