Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-05-29
ECLI:NL:RBROT:2026:6104
RECHTBANK ROTTERDAM Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/1989 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres] , eiseres, (gemachtigde: F.Th.M. Peters), en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder, (gemachtigden: mr. S.M. Geerding en mr. D.J. van der Bij. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 2.500, - die verweerder met het besluit van 23 augustus 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. 1.1. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. 1.2. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 23 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder. Totstandkoming van het bestreden besluit Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 11 juli 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. In het rapport van bevindingen staat onder meer het volgende: “ Bevindingen: Datum en tijdstip van de bevinding(en): 2 juli 2024, omstreeks 05.40 uur. In het bedrijf aangesproken: [naam] , medewerker kwaliteitsdienst. Ik ben in naam en functie bekend bij dit bedrijf. Tijdens mijn controle, in het kader van regulier toezicht, bevond ik mij in de snelkoeltunnel van [eiseres], waar vleesvarkens geslacht worden. Ik was in de snelkoeltunnel omdat ik toezicht uitvoerde op de proceshygiëne. Omstreeks 05.40 uur zag ik dat er tientallen condensdruppels aanwezig waren aan de hangwerken, aan het plafond en aan de verdampers. De condens was verspreid over meerdere plekken aan de hangwerken, zie fotobijlage foto 1 t/m 2. Ook zag ik dat er condens aanwezig was over meerdere plekken aan het plafond, zie fotobijlage foto 3 t/m 6 en op meerdere plekken aan de verdampers, zie fotobijlage foto 7 t/m 10. Onder deze hangwerken, verdampers en het plafond bevonden zich varkenskarkassen bestemd voor humane consumptie, zie fotobijlage foto 1 t/m 10. Ik zag dat deze varkenskarkassen voorzien waren van een EG-merk 'NL 121 EG’, waaruit opgemaakt kon worden dat deze varkenskarkassen door het bedrijf reeds goedgekeurd waren voor humane consumptie. Na mijn bevindingen, heb ik aan twee chefs slachthal van [eiseres], over deze bevindingen geïnformeerd. Eén chef gaf vervolgens aan de medewerkers opdracht om de varkenskarkassen die in de snelkoeltunnel hingen te laten flamberen in de gang waar ze binnen de karkassenkoelcel kwamen. Ik had met de chef afgesproken dat er minimaal twee medewerkers moeten gaan flamberen zodat de karkassen volledig geflambeerd kunnen worden. Daarna gaf ik opdracht aan de chef slachthal om het aanwezige condens te verwijderen, voordat ze verder mochten gaan met de productie. Later heb ik ook de andere twee chefs van de slachthal van mijn bevindingen op de hoogte gebracht. Toen de karkassen de karkassenkoelcel binnen kwamen, ging ik ook daar kijken bij het flamberen van betreffende karkassen. Toen zag ik dat de medewerkers niet aan het flamberen waren. De karkassen werden automatisch bij verschillende ba In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd, rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Verweerder moet daarom het bewijs leveren dat eiseres de haar ten laste gelegde overtreding heeft begaan en moet daartoe de feiten deugdelijk vaststellen. Voor het bewijs dat eiseres de overtreding heeft begaan, steunt verweerder op de in het rapport van bevindingen beschreven waarnemingen van de toezichthouder. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) , mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden . 4.3. In het rapport van bevindingen van de toezichthouder van 11 juli 2024 is, voor zover van belang, het volgende vermeld over wat tijdens de inspectie is waargenomen: “Omstreeks 05.40 uur zag ik dat er tientallen condensdruppels aanwezig waren aan de hangwerken, aan het plafond en aan de verdampers. De condens was verspreid over meerdere plekken aan de hangwerken, zie fotobijlage foto 1 t/m 2. Ook zag ik dat er condens aanwezig was over meerdere plekken aan het plafond, zie fotobijlage foto 3 t/m 6 en op meerdere plekken aan de verdampers, zie fotobijlage foto 7 t/m 10. Onder deze hangwerken, verdampers en het plafond bevonden zich varkenskarkassen bestemd voor humane consumptie, zie fotobijlage foto 1 t/m 10. Ik zag dat deze varkenskarkassen voorzien waren van een EG-merk '[keurmerk]’, waaruit opgemaakt kon worden dat deze varkenskarkassen door het bedrijf reeds goedgekeurd waren voor humane consumptie.” 4.4. Zoals het CBb heeft overwogen in de uitspraak van 25 maart 2025, ECLI:NL:CBB:2025:181, bevat hoofdstuk I van bijlage II bij Verordening 852/2004 algemene eisen voor bedrijfsruimten voor levensmiddelen. Van dat hoofdstuk maakt het voorschrift onder punt 2b deel uit. Dat voorschrift is altijd van toepassing als het gaat om bedrijfsruimten voor levensmiddelen en daarin aanwezige oppervlakken in algemene zin en is daarmee overkoepelend van aard. Het voorschrift onder punt 1c van hoofdstuk II van bijlage II vormt daarbij een aanvulling voor ruimten waar levensmiddelen worden bereid, behandeld of verwerkt. Alleen voor de eisen die in hoofdstuk III van bijlage II voor bepaalde bedrijfsruimten zijn opgenomen is uitdrukkelijk bepaald dat deze gelden in plaats van de eisen die zijn opgenomen in hoofdstuk I. 4.4. Hieruit volgt dat, gelijk aan de uitspraak van het CBb, het standpunt van eiseres dat als sprake is van condensvorming op (voorzieningen aan) plafonds dit bij uitsluiting wordt genormeerd door het voorschrift onder punt 1c uit hoofdstuk II en niet ook door het (algemene) voorschrift onder punt 2b uit hoofdstuk I. 4.5. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de toezichthouder op (voorzieningen aan) een plafond in ruimten waar levensmiddelen worden bereid, behandeld of verwerkt condens heeft aangetroffen. De rechtbank ziet geen aanleiding aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouder te twijfelen en ook eiseres betwist dit niet. Omdat op (voorzieningen aan) een plafond condens is aangetroffen, is zowel het (algemene) voorschrift onder 2b van hoofdstuk I van bijlage II bij Verordening 852/2004 van toepassing als het voorschrift onder 1c van hoofdstuk II van diezelfde bijlage. Aan het boetebesluit heeft de minister alleen overtreding van punt 2b ten grondslag gelegd. 4.6. Gezien het rapport van bevindingen heeft eiseres de vorming van condens op oppervlakken – in strijd met punt 2b – dus niet voorkomen. De norm, neergelegd in punt 2b, betreft een resultaatsverplichting. De mate van condensvorming binnen het bedrijf doet veron