Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-05-29
ECLI:NL:RBROT:2026:6080
RECHTBANK ROTTERDAM Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/741 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres], te [plaats], eiseres, (gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen), en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder, (gemachtigden: mr. S.M. Geerding en mr. D.J. van der Bij ). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over een verdubbelde boete van € 5.000, - die verweerder met het besluit van 6 september 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete terecht heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. 1.3. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 18 december 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift . 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van verweerder vergezeld door [naam]. Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 14 juni 2024 is opgemaakt door twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). In het rapport van bevindingen staat onder meer het volgende: “ Bevindingen: Datum en tijdstip van de bevindingen: 6 mei 2024, omstreeks 15:00 uur In het bedrijf aangesproken en in functie bekend bij [naam], functie:bedrijfsleider. Toezichthouder 1: Tijdens mijn inspectie op 6 mei 2024 bevond ik mij, tussen 13:30 uur en 15:30 uur, op het kantoor van de heer [naam]. Hier heb ik tijdens regulier cameratoezicht steekproefsgewijs camerabeelden bekeken van 22 april 2024 t/m 5 mei 2024. Ik zag op de camerabeelden van het controlepunt 'doodmakersruimte' dat op 24 april 2024, omstreeks 9:44 uur, er medewerkers van het slachthuis bezig zijn met het bedwelmen en verbloeden van de biggen. Op dit punt worden de biggen aan de baan gehangen. De handelingen van bedwelmen t/m het ophangen zijn duidelijk in beeld en op dat moment scherp en helder. De camera die in de doodmakersruimte hangt heeft een inzoom functie waardoor het duidelijk te zien is wat er gebeurd in de doodmakersruimte. Bovengenoemd slachthuis maakt gebruik van elektrische bedwelming (kop tot lichaam), d.m.v. de elektrische bedwelmingstang. Deze wijze van bedwelming wordt aangemerkt als eenvoudige bedwelming. Bij deze wijze van bedwelming wordt het lichaam door middel van het plaatsen van een elektrische tang op de kop blootgesteld aan een stroomsterkte. Gevolgd door het plaatsen van de elektrische tang op het lichaam, ter hoogte van het hart, waardoor het dier vervolgens wederom wordt blootgesteld aan een stroomsterkte. Dit heeft tot gevolg dat de biggen in een staat van bewusteloosheid en gevoelloosheid worden gebracht. Hier moet dus eerst de bedwelmingstang aan beide zijden van de kop worden geplaats om de biggen in staat van bewusteloosheid te brengen om vervolgens de bedwelmingstang op kop en hart te plaatsen zodat de biggen in gevoelloosheid worden gebracht. Ik zie dat de medewerker die de bedwelmingstang bediend bij meerdere biggen (+/- 6) de bedwelmingstang met beide elektroden zijdelings op de thorax ter hoogte van het hart plaatst. Dit zonder eerst de vereiste kop Ter zitting heeft verweerder verklaard dat hij overtreding van artikel 6, eerste lid, van de Verordening niet langer ten grondslag legt aan de boete.Verweerder heeft gelet op het Algemene Interventiebeleid NVWA en het Specifiek Interventiebeleid Doden van gehouden dieren (IBO3-SPEC72) vastgesteld dat eiseres een herhaalde overtreding heeft begaan. Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 5.000, -. Beoordeling door de rechtbank 5. Eiseres voert aan dat geen overtreding kan worden vastgesteld, omdat de camerabeelden niet meer beschikbaar zijn en zij de geconstateerde feiten heeft bestreden. Voorts voert eiseres aan dat verweerder niet heeft gewezen op het recht op rechtsbijstand. 5.1. Verweerder wijst erop dat de camerabeelden in eigendom zijn van eiseres en door toezichthouders ter plaatse zijn bekeken. In het rapport van bevindingen is volgens verweerder uitgebreid beschreven wat is waargenomen, namelijk dat de meerdere biggen onbedwelmd zijn geslacht. Eiseres had de camerabeelden zelf moeten veilig stellen indien zij deze had willen inbrengen, aldus verweerder. Tot slot wijst verweerder erop dat eiseres zelf heeft besloten deel te nemen aan cameratoezicht. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat het wijzen op het recht op rechtsbijstand plaatsvindt voorafgaand aan een verhoorsituatie, maar dat in dit geval geen sprake is geweest van een verhoorsituatie. 5.2. In een geval als het onderhavige waarin een boete is opgelegd, rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Verweerder moet daarom het bewijs leveren dat eiseres de haar ten laste gelegde overtreding heeft begaan en moet daartoe de feiten deugdelijk vaststellen. Voor het bewijs dat eiseres de overtreding heeft begaan, steunt verweerder op de in het rapport van bevindingen beschreven waarnemingen van de toezichthouders. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) , mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent. In geval van twijfel dient aan de betrokkene het voordeel van de twijfel te worden gegund . 5.3. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de bevindingen in het rapport te twijfelen. In het rapport is duidelijk beschreven wat de toezichthouders op de camerabeelden hebben waargenomen, namelijk dat meerdere biggen onvoldoende bedwelmd zijn geweest bij het doden. In hetgeen eiseres heeft aangedragen ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan deze conclusies van de toezichthouder. Indien eiseres de camerabeelden had willen inbrengen, had zij er zelf voor dienen zorg te dragen dat de camerabeelden bewaard worden. De camerabeelden zijn immers haar eigendom en eiseres is door de toezichthouders direct op de hoogte gebracht van de geconstateerde overtredingen. 5.5 Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres de genoemde bepalingen heeft overtreden. Verweerder was daarom bevoegd om eiseres een boete op te leggen. 6.