Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-05-15
ECLI:NL:RBROT:2026:5950
RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 12167242 VV EXPL 26-185 datum uitspraak: 15 mei 2026 Vonnis in kort geding van de kantonrechter in de zaak van Stichting Havensteder , vestigingsplaats: Rotterdam, eiseres, gemachtigde: mr. S.F. Dik, tegen [gedaagde] , woonplaats: [woonplaats] , gedaagde, die zelf procedeert. De partijen worden hierna ‘Havensteder’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 14 april 2026, met bijlagen. 1.2. Op 1 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was de heer [naam] namens Havensteder aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde. [gedaagde] was ook aanwezig. 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. [gedaagde] heeft van Havensteder de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] gehuurd. Deze huurovereenkomst is door [gedaagde] opgezegd en is per 3 november 2025 geëindigd. Daarna is zij de woning aan de [adres 2] in [woonplaats] van Havensteder gaan huren. Havensteder vindt dat [gedaagde] de woning aan de [adres 1] niet op tijd heeft opgeleverd. [gedaagde] heeft namelijk meerdere malen de oplevering uitgesteld en heeft de sleutels van de woning niet ingeleverd. Doordat buren in februari 2026 last hadden van een lekkage moest Havensteder toegang hebben tot de woning. [gedaagde] heeft de deur niet opengedaan voor Havensteder, waardoor Havensteder zelf de woning is binnengetreden. Havensteder heeft toen gezien dat er nog spullen van [gedaagde] in de woning stonden. Havensteder heeft [gedaagde] de gelegenheid gegeven om de spullen uiterlijk op 13 maart 2026 op te halen. Na 13 maart 2026 zou Havensteder de woning als opgeleverd beschouwen. Havensteder vordert in deze procedure dat [gedaagde] de gebruiksvergoeding van 4 november 2025 tot 13 maart 2026 moet betalen aan Havensteder. 2.2. Daarnaast heeft [gedaagde] de maandelijkse huur van de woning aan de [adres 2] in [woonplaats] sinds oktober 2025 niet betaald. Havensteder vordert betaling van de huurachterstand en wil dat [gedaagde] deze woning verlaat. 2.3. [gedaagde] erkent de vorderingen. Zij geeft aan dat zij vanwege zware persoonlijke omstandigheden de huur niet kon betalen. Zij heeft ook schulden bij andere bedrijven. Inmiddels heeft zij hulp ingeschakeld en de gemeente zal haar vanaf 22 mei 2026 gaan helpen met het begeleiden van haar schulden. Dit kon niet eerder worden opgestart. [gedaagde] wil de woning vanwege haar twee minderjarige kinderen niet verlaten. 2.4. De kantonrechter wijst de vorderingen grotendeels toe. [gedaagde] krijgt wel een langere termijn om de woning te verlaten. Hieronder wordt dit oordeel uitgelegd. Spoedeisend belang 2.5. Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Havensteder heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid. [gedaagde] moet de betalingsachterstand van € 9.234,00 aan Havensteder betalen 2.6. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] in totaal € 9.234,00 aan Havensteder moet betalen. Dit bedrag bestaat uit de gebruiksvergoeding voor de periode van 4 november 2025 tot 13 maart 2026 waarin [gedaagde] de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] niet heeft opgeleverd (€ 5.134,25). Daarnaast bestaat het bedrag uit de huurachterstand voor de woning aan de [adres 2] in [woonplaats] van 3 oktober 2025 tot en met april 2026 (€ 4.549,75). Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] € 450,00 heeft betaald. Dit bedrag gaat van de totale achterstand af. [gedaagde] heeft erkend dat zij de achterstand nog verschuldigd is aan Havensteder. [gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen 2.7. Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal wor