Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-05-26
ECLI:NL:RBROT:2026:5860
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/6122 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [plaatsnaam], eiseres (gemachtigde: mr. N.M. Fakiri), en de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR (gemachtigde: [naam]). Samenvatting 1. Het CBR heeft het rijbewijs van eiseres ongeldig verklaard. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het CBR het rijbewijs van eiseres terecht ongeldig heeft verklaard. De rechtbank komt tot de conclusie dat het bestreden besluit in strijd is met de onschuldpresumptie. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Bij besluit van 22 april 2025 (hierna: het primaire besluit) heeft het CBR het rijbewijs van eiseres ongeldig verklaard. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 2.2. Bij besluit van 30 juni 2025 (hierna: het bestreden besluit) heeft het CBR het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. 2.3. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. Eiseres heeft een aanvullend beroepschrift ingediend. 2.5. De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het CBR. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3.1. Uit het proces-verbaal rijden onder invloed van de politie blijkt dat eiseres op 3 oktober 2024 is aangehouden wegens een verdenking van rijden onder invloed. Eiseres werd toen overgebracht naar het politiebureau, waar zij volgens de politie geen gevolg gaf aan een bevel tot medewerking aan een ademonderzoek. Onderaan ‘blad 4’ van het proces-verbaal rijden onder invloed staat dat dit proces-verbaal tevens dient als mededeling zoals bedoeld in artikel 130 Wegenverkeerswet 1994, waarmee aan het CBR mededeling wordt gedaan van een vermoeden dat de verdachte niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid en/of lichamelijke/geestelijke geschiktheid. 3.2. Bij besluit van 17 oktober 2024 heeft het CBR aan eiseres een educatieve maatregel alcohol en verkeer (hierna: EMA) opgelegd. In dit besluit staat dat deze EMA wordt opgelegd, omdat eiseres op 3 oktober 2024 “heeft geweigerd mee te werken aan een alcoholcontrole”. Eiseres heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt, zodat dit besluit in rechte vast is komen te staan. 3.3. Eiseres heeft de opleggingskosten van de EMA op tijd betaald, maar de uitvoeringskosten van de EMA niet. Daarop heeft het CBR het rijbewijs van eiseres met het primaire besluit ongeldig verklaard, welk besluit is gehandhaafd met het bestreden besluit. Standpunt eiseres 4. Eiseres voert aan dat de besluitvorming van het CBR in strijd is met de onschuldpresumptie. Het CBR stelt zich in het bestreden besluit namelijk nog steeds op het standpunt dat eiseres heeft geweigerd om mee te werken aan een ademonderzoek, terwijl de politierechter eiseres hiervan op 25 februari 2025 heeft vrijgesproken. Eiseres heeft hiertoe een aantekening mondeling vonnis van 25 februari 2025 overgelegd waaruit blijkt dat de politierechter haar heeft vrijgesproken, een e-mail van 18 december 2025 namens de politierechter waarin de vrijspraak wordt gemotiveerd en de medische stukken die zij in de strafzaak heeft overgelegd. Eiseres voert bovendien aan dat het CBR ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt. Het bestreden besluit is daardoor onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Het oordeel van de rechtbank 5.1. De rechtbank beoordeelt of het CBR het rijbewijs van eiseres terecht ongeldig heeft verklaard. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 5.2. De wet- en regelgeving die van belang is voor deze zaak, staat in de bijlage bij deze uitspraak. 5.3. De rechtbank Nu niet in geschil is dat eiseres de kosten die aan de opgelegde educatieve maatregel zijn verbonden niet of niet tijdig heeft voldaan, was het CBR verplicht om het rijbewijs van eiseres ongeldig te verklaren. Het rijbewijs is volgens het CBR dan ook terecht ongeldig verklaard. 5.9. De rechtbank volgt dit standpunt van het CBR niet. De rechtbank verwijst in dit verband naar overweging 8.3 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2632. Daaruit volgt dat de bestuursrechter een besluit dat formele rechtskracht heeft gekregen onder bepaalde omstandigheden mag betrekken bij het toetsen van een daaropvolgend besluit. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval samenhang bestaat tussen de strafrechtelijke en de bestuursrechtelijke procedure, omdat het ten laste gelegde feit waarvan de politierechter eiseres heeft vrijgesproken gebaseerd is op de feiten die hebben geleid tot het besluit tot het opleggen van een EMA. Bovendien werkt het besluit tot het opleggen van de EMA door in het besluit tot het ongeldig verklaren van het rijbewijs, omdat daarmee wordt vastgehouden aan de maatregel tot het opleggen van een EMA. Onder die omstandigheden dient de rechtbank te toetsen of het CBR met het bestreden besluit, en daarmee met het vasthouden aan de opgelegde EMA, de onschuldpresumptie heeft geschonden. 5.10. De rechtbank stelt vast dat eiseres is vrijgesproken van het weigeren van medewerking aan een ademonderzoek. Het CBR heeft door met de ongeldigverklaring van het rijbewijs vast te houden aan de opgelegde EMA, waarbij de rechtbank er dus vanuit gaat dat deze is opgelegd vanwege het weigeren van medewerking aan een ademonderzoek, de onschuldpresumptie geschonden. Het CBR geeft er daarmee immers blijk van de juistheid van de vrijspraak in twijfel te trekken. 5.11. De beroepsgrond slaagt. De overgebleven beroepsgrond kan dan ook onbesproken blijven. Conclusie en gevolgen 6.1. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met de onschuldpresumptie. Omdat de rechtbank zoveel mogelijk moet proberen om tot een uiteindelijke oplossing te komen voor het geschil (finale geschilbeslechting), moet aansluitend worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit specifieke geval ziet de rechtbank aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen en zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat het primaire besluit wordt herroepen, waarbij deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 30 juni 2025. Dat betekent concreet dat het rijbewijs van eiseres niet langer ongeldig is. 6.2. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, bepaalt de rechtbank dat het CBR aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden. Ook moet het CBR de proceskosten van eiseres betalen. Deze proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.534,- (één punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor 1, en daarnaast één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het besluit van 30 juni 2025; herroept het besluit van 22 april 2025 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 30 juni 2025; bepaalt dat het CBR aan eiseres het griffierecht van € 194,- vergoedt; veroordeelt het CBR in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.534,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van C. Gümüş, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026. De griffier en de rechter zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. Griffier Rechter Een afschrift van deze uits De bestuurder aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven, is verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen. 3. De in het tweede lid genoemde verplichtingen gelden niet voor de verdachte van wie aannemelijk is, dat het verlenen van medewerking aan een ademonderzoek voor hem om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. 4. In het geval, bedoeld in het derde lid, of indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, of indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed is van een of meer middelen, bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid, of een combinatie van die middelen met alcohol, kan de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, of artikel 8, derde lid, onderdeel b. 5. Indien de bestuurder zijn op grond van het vierde lid gevraagde toestemming niet verleent, kan de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek. 6. De bestuurder wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen, is verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen. Hem wordt door een arts of een verpleegkundige zoveel bloed afgenomen als voor het onderzoek noodzakelijk is. Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 Artikel 2 1. Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage. Artikel 9 Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan de educatieve maatregel, indien hij: a. de kosten van de educatieve maatregel niet heeft voldaan binnen de termijn of op de wijze die is vastgelegd bij het besluit waarbij de verplichting tot het zich onderwerpen aan die maatregelen is opgelegd; […] Artikel 11 1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰, of indien betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet; (…) 2. Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 13 1. De kosten van oplegging van de educatieve maatregel alcohol en verkeer worden betaald binnen vijf weken nadat het besluit tot oplegging van die maatregel aan betrokkene bekend is gemaakt, op de wijze zoals aangegeven bij dat besluit. 2. De in het eerste lid bedoelde termijn wordt niet verlengd. 3. De kosten van uitvoering van de educatieve maatregel alcohol en verkeer worden betaald binnen tien weken nadat het verzoek tot betaling van de uitvoeringskosten van die maatregel aan betrokkene bekend is gemaakt, op de wijze zoals aangegeven in het in het eerste lid bedoelde besluit. 4. Binnen drie weken na ontvangst van het in het derde lid bedoelde verzoek kan betrokkene verzoeken om uitstel van betaling voor maximaal zes maanden. Bijlage bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (aanhef en onder B.III); Feiten dan wel omstandigheden, die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, dan wel, met uitzondering van de categorie AM, over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven: III. Drogerende stoffen Alcohol d. betrokkene weigert mee te werken aan een onderzoek a