Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-05-06
ECLI:NL:RBROT:2026:5727
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
31,583 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5727 text/xml public 2026-05-19T15:15:32 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-05-06 71/281797-23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Rotterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5727 text/html public 2026-05-19T15:14:23 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5727 Rechtbank Rotterdam , 06-05-2026 / 71/281797-23 Mega StLouis. Dagvaarding geldig. Veroordeling voor het deelnemen aan een criminele organisatie in het kader van de Opiumwet (artikel 11b), het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne en het medeplegen van de invoer van een grote partij cocaïne (7.700 kilogram), tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, met aftrek van voorarrest. Afwijzing voorwaardelijk verzoek. Beperkte overschrijding redelijke termijn. Toepassing artikel 63 Wetboek van Strafrecht. Wijziging voorwaarden voorlopige hechtenis. Rechtbank Rotterdam Meervoudige kamer strafzaken Parketnummer: 71/281797-23 Datum uitspraak: 6 mei 2026 Datum zitting: 18, 20 en 30 maart 2026 en 6 mei 2026 Tegenspraak Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] , uit andere hoofde gedetineerd in [detentieadres] . Advocaat van de verdachte: mr. X.B. Sijmons, advocaat in Amersfoort. Officieren van justitie: mrs. S. Kubicz en J.J. Arends (hierna: de officier van justitie). Kern van het vonnis De verdachte wordt veroordeeld voor het deelnemen aan een criminele organisatie in het kader van de Opiumwet (artikel 11b), het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne en het medeplegen van de invoer van een grote partij cocaïne. De rechtbank legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 8 jaar met aftrek van voorarrest. De schorsing van de voorlopige hechtenis blijft doorlopen. Leeswijzer De dagvaarding is geldig. Deze beslissing wordt toegelicht in hoofdstuk 2. De rechtbank acht de aan de verdachte ten laste gelegde feiten (vermeld in bijlage 1) bewezen. De bewezenverklaring, de motivering daarvan en de bespreking van de bewijsverweren, staan in hoofdstuk 3. De uitgewerkte bewijsmiddelen zijn opgenomen in bijlage 2. De feiten en de verdachte zijn strafbaar. Deze beslissingen staan in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt de aan de verdachte opgelegde straf nader toegelicht. In hoofdstuk 6 staat de beslissing over de voorlopige hechtenis. In hoofdstuk 8 worden alle beslissingen in het kort opgesomd. 1 Tenlastelegging De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) is opgenomen in bijlage 1. 2 Geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van de feiten 2 en 3 2.1. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig verklaard moet worden, omdat onduidelijk is wie de verdachte zou hebben getracht te bewegen om het tenlastegelegde (mede) te (doen) plegen en/of uit te lokken. Ook het dossier biedt daarover geen duidelijkheid, zodat de verdachte hiertegen geen adequaat verweer kan voeren. Ten aanzien van feit 3 subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is en daarom eveneens nietig moet worden verklaard. Het ten laste gelegde ziet kennelijk op voorbereidingshandelingen van opiumdelicten, maar de verfeitelijking daarvan ziet op de uitvoering van het gronddelict. 2.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het pleidooi tot nietigheid. Het onder feit 2 tenlastegelegde is voldoende feitelijk omschreven en biedt de verdediging in combinatie met het dossier, waarin onder meer de verklaring van [medeverdachte 1] , voldoende duidelijkheid bij het te voeren verweer. 2.3. Oordeel van de rechtbank Een dagvaarding moet een opgave inhouden van het feit dat ten laste wordt gelegd en die opgave moet voldoende feitelijk en voldoende duidelijk zijn (artikel 261 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)). Of aan die eisen wordt voldaan, hangt af van de bewoordingen waarin de tenlastelegging is gesteld en het dossier waarop zij is gebaseerd. Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging onder feit 2, mede in het licht van het dossier, voldoende begrijpelijk is geformuleerd en ook steeds een voldoende feitelijke omschrijving geeft van de beschuldiging. Ieder onderdeel van de tenlastelegging is tijdens de zitting besproken. Gebleken is dat de verdachte ten aanzien van al deze onderdelen goed heeft begrepen wat hem wordt verweten, wat ook bevestiging vindt in het door de verdachte en zijn raadsman gevoerde verweer. De tenlastelegging voldoet derhalve met betrekking tot feit 2 aan de eisen van artikel 261 Sv. Ten aanzien van het onder feit 3 subsidiair ten laste gelegde Voor zover de verdediging met het verweer ten aanzien van feit 3 heeft bedoeld te stellen dat een voltooide handeling niet kan gelden als een voorbereidingshandeling, acht de rechtbank deze stelling in zijn algemeen onjuist. Onder voorbereidingshandelingen kunnen immers onderdelen worden vervat die op zichzelf voltooide handelingen vormen. Dit maakt de dagvaarding niet innerlijk tegenstrijdig. Ook dit verweer leidt niet tot nietigheid. Conclusie De dagvaarding is geldig. 3 Bewijs 3.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3 primair. 3.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit voor de feiten 1, 2 en 3 in beide ten laste gelegde varianten. Ten aanzien van feit 3 is aangevoerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor betrokkenheid van de verdachte bij de invoer van cocaïne en dat geen sprake is van medeplegen. De verdachte had geen wetenschap van de komst van een container met cocaïne en heeft ook niet het (voorwaardelijk) opzet gehad op enige betrokkenheid bij de invoer hiervan. De aanwezigheid van de verdachte op verschillende momenten in de loods in Bleiswijk is te verklaren doordat hij daar klusjes deed om geld te verdienen. De verklaringen van [medeverdachte 6] over de verdachte en zijn mogelijke rol in het ten laste gelegde zijn onbetrouwbaar en dienen terzijde te worden geschoven. Ten aanzien van feit 2 is aangevoerd dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat waaruit blijkt dat de werkzaamheden die de verdachte heeft verricht moeten worden aangemerkt als drugsgerelateerde voorbereidingshandelingen. Er is in de loods in Tynaarlo geen cocaïne aangetroffen. Dat [medeverdachte 1] vermoedt dat het om cocaïne ging, maakt dit niet anders. Zijn verklaring is bovendien niet betrouwbaar. Indien de rechtbank de verklaring van [medeverdachte 1] wil betrekken bij het bewijs, heeft de verdediging voorwaardelijk verzocht om de verbalisanten en de (telefonische) tolk die hierbij betrokken waren als getuige te horen over de gang van zaken rondom deze verklaring. Voorts dient in geval van een bewezenverklaring de ten laste gelegde periode te worden ingekort, nu de verdachte op 26 oktober 2023 in hechtenis is genomen. Ten aanzien van feit 1 is aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap had van het oogmerk van de veronderstelde organisatie. Daarnaast was de intensiteit van het contact met de medeverdachten en de periode waarover deze contacten zich uitstrekten onvoldoende om te spreken van een duurzaam samenwerkingsverband. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Bewezenverklaring en bewijsmiddelen De bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 (primair) is gebaseerd op de in bijlage 2 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering. 3.3.2. Bewijsmotivering De rechtbank zal bij de bewijsoverweging de feiten 1, 2, en 3 primair gezamenlijk bespreken. Zij stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. De rechtbank bespreekt hieronder de belangrijkste bevindingen bij het onderzoek 26Rouen en 26StLouis en zal daarna ingaan op de rol daarbij van de verschillende verdachten in relatie tot de hen ten laste gelegde feiten.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5727 text/xml public 2026-05-19T15:15:32 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-05-06 71/281797-23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Rotterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5727 text/html public 2026-05-19T15:14:23 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5727 Rechtbank Rotterdam , 06-05-2026 / 71/281797-23 Mega StLouis. Dagvaarding geldig. Veroordeling voor het deelnemen aan een criminele organisatie in het kader van de Opiumwet (artikel 11b), het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne en het medeplegen van de invoer van een grote partij cocaïne (7.700 kilogram), tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, met aftrek van voorarrest. Afwijzing voorwaardelijk verzoek. Beperkte overschrijding redelijke termijn. Toepassing artikel 63 Wetboek van Strafrecht. Wijziging voorwaarden voorlopige hechtenis. Rechtbank Rotterdam Meervoudige kamer strafzaken Parketnummer: 71/281797-23 Datum uitspraak: 6 mei 2026 Datum zitting: 18, 20 en 30 maart 2026 en 6 mei 2026 Tegenspraak Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] , uit andere hoofde gedetineerd in [detentieadres] . Advocaat van de verdachte: mr. X.B. Sijmons, advocaat in Amersfoort. Officieren van justitie: mrs. S. Kubicz en J.J. Arends (hierna: de officier van justitie). Kern van het vonnis De verdachte wordt veroordeeld voor het deelnemen aan een criminele organisatie in het kader van de Opiumwet (artikel 11b), het medeplegen van het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de handel in cocaïne en het medeplegen van de invoer van een grote partij cocaïne. De rechtbank legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 8 jaar met aftrek van voorarrest. De schorsing van de voorlopige hechtenis blijft doorlopen. Leeswijzer De dagvaarding is geldig. Deze beslissing wordt toegelicht in hoofdstuk 2. De rechtbank acht de aan de verdachte ten laste gelegde feiten (vermeld in bijlage 1) bewezen. De bewezenverklaring, de motivering daarvan en de bespreking van de bewijsverweren, staan in hoofdstuk 3. De uitgewerkte bewijsmiddelen zijn opgenomen in bijlage 2. De feiten en de verdachte zijn strafbaar. Deze beslissingen staan in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt de aan de verdachte opgelegde straf nader toegelicht. In hoofdstuk 6 staat de beslissing over de voorlopige hechtenis. In hoofdstuk 8 worden alle beslissingen in het kort opgesomd. 1 Tenlastelegging De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) is opgenomen in bijlage 1. 2 Geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van de feiten 2 en 3 2.1. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig verklaard moet worden, omdat onduidelijk is wie de verdachte zou hebben getracht te bewegen om het tenlastegelegde (mede) te (doen) plegen en/of uit te lokken. Ook het dossier biedt daarover geen duidelijkheid, zodat de verdachte hiertegen geen adequaat verweer kan voeren. Ten aanzien van feit 3 subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is en daarom eveneens nietig moet worden verklaard. Het ten laste gelegde ziet kennelijk op voorbereidingshandelingen van opiumdelicten, maar de verfeitelijking daarvan ziet op de uitvoering van het gronddelict. 2.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het pleidooi tot nietigheid. Het onder feit 2 tenlastegelegde is voldoende feitelijk omschreven en biedt de verdediging in combinatie met het dossier, waarin onder meer de verklaring van [medeverdachte 1] , voldoende duidelijkheid bij het te voeren verweer. 2.3. Oordeel van de rechtbank Een dagvaarding moet een opgave inhouden van het feit dat ten laste wordt gelegd en die opgave moet voldoende feitelijk en voldoende duidelijk zijn (artikel 261 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)). Of aan die eisen wordt voldaan, hangt af van de bewoordingen waarin de tenlastelegging is gesteld en het dossier waarop zij is gebaseerd. Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging onder feit 2, mede in het licht van het dossier, voldoende begrijpelijk is geformuleerd en ook steeds een voldoende feitelijke omschrijving geeft van de beschuldiging. Ieder onderdeel van de tenlastelegging is tijdens de zitting besproken. Gebleken is dat de verdachte ten aanzien van al deze onderdelen goed heeft begrepen wat hem wordt verweten, wat ook bevestiging vindt in het door de verdachte en zijn raadsman gevoerde verweer. De tenlastelegging voldoet derhalve met betrekking tot feit 2 aan de eisen van artikel 261 Sv. Ten aanzien van het onder feit 3 subsidiair ten laste gelegde Voor zover de verdediging met het verweer ten aanzien van feit 3 heeft bedoeld te stellen dat een voltooide handeling niet kan gelden als een voorbereidingshandeling, acht de rechtbank deze stelling in zijn algemeen onjuist. Onder voorbereidingshandelingen kunnen immers onderdelen worden vervat die op zichzelf voltooide handelingen vormen. Dit maakt de dagvaarding niet innerlijk tegenstrijdig. Ook dit verweer leidt niet tot nietigheid. Conclusie De dagvaarding is geldig. 3 Bewijs 3.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3 primair. 3.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit voor de feiten 1, 2 en 3 in beide ten laste gelegde varianten. Ten aanzien van feit 3 is aangevoerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor betrokkenheid van de verdachte bij de invoer van cocaïne en dat geen sprake is van medeplegen. De verdachte had geen wetenschap van de komst van een container met cocaïne en heeft ook niet het (voorwaardelijk) opzet gehad op enige betrokkenheid bij de invoer hiervan. De aanwezigheid van de verdachte op verschillende momenten in de loods in Bleiswijk is te verklaren doordat hij daar klusjes deed om geld te verdienen. De verklaringen van [medeverdachte 6] over de verdachte en zijn mogelijke rol in het ten laste gelegde zijn onbetrouwbaar en dienen terzijde te worden geschoven. Ten aanzien van feit 2 is aangevoerd dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat waaruit blijkt dat de werkzaamheden die de verdachte heeft verricht moeten worden aangemerkt als drugsgerelateerde voorbereidingshandelingen. Er is in de loods in Tynaarlo geen cocaïne aangetroffen. Dat [medeverdachte 1] vermoedt dat het om cocaïne ging, maakt dit niet anders. Zijn verklaring is bovendien niet betrouwbaar. Indien de rechtbank de verklaring van [medeverdachte 1] wil betrekken bij het bewijs, heeft de verdediging voorwaardelijk verzocht om de verbalisanten en de (telefonische) tolk die hierbij betrokken waren als getuige te horen over de gang van zaken rondom deze verklaring. Voorts dient in geval van een bewezenverklaring de ten laste gelegde periode te worden ingekort, nu de verdachte op 26 oktober 2023 in hechtenis is genomen. Ten aanzien van feit 1 is aangevoerd dat de verdachte geen wetenschap had van het oogmerk van de veronderstelde organisatie. Daarnaast was de intensiteit van het contact met de medeverdachten en de periode waarover deze contacten zich uitstrekten onvoldoende om te spreken van een duurzaam samenwerkingsverband. 3.3. Oordeel van de rechtbank 3.3.1. Bewezenverklaring en bewijsmiddelen De bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 (primair) is gebaseerd op de in bijlage 2 opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering. 3.3.2. Bewijsmotivering De rechtbank zal bij de bewijsoverweging de feiten 1, 2, en 3 primair gezamenlijk bespreken. Zij stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. De rechtbank bespreekt hieronder de belangrijkste bevindingen bij het onderzoek 26Rouen en 26StLouis en zal daarna ingaan op de rol daarbij van de verschillende verdachten in relatie tot de hen ten laste gelegde feiten.
Volledig
Onderzoek 26Rouen In de periode van 14 tot en met 16 oktober 2023 is een container met ruim 7.700 kilogram cocaïne, verstopt in een lading bananen, vanuit Ecuador via de Westerschelde de haven van Antwerpen ingevoerd. De container was bestemd voor het bedrijf [bedrijf 1] in Lelystad. De partij cocaïne is onderschept door de autoriteiten in België en is op 15 oktober 2023 in beslag genomen. Een klein deel van de cocaïne is in de container teruggeplaatst en daarna doorgelaten voor verder transport. De container is opgehaald uit het havengebied en op 16 oktober 2023 via de weg naar Nederland vervoerd naar het bedrijf [bedrijf 2] in Bleiswijk (hierna ook: [bedrijf 2] ). Eenmaal daar aangekomen heeft een inval plaatsgevonden in de loods en zijn de chauffeur van de vrachtwagen met container ( [medeverdachte 2] ) en enkele andere aanwezige personen aangehouden. Onder [medeverdachte 2] zijn twee telefoons in beslag genomen, waaronder een Samsung Galaxy A14. Aan deze telefoon was de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam] ’ gekoppeld. Het enige opgeslagen tegencontact had als naam ‘ [naam 1] ’. Uit de communicatie tussen deze accounts valt af te leiden dat [medeverdachte 2] van [naam 1] opdrachten kreeg met betrekking tot het transport op 16 oktober 2023. Uit onderzoek is gebleken dat de [telefoon 1] , samen met de [telefoon 2] , op 14 oktober 2023 in Ede is aangeschaft en dat beide telefoons diezelfde dag zijn geactiveerd. De kassabon bij de aankoop van de telefoons bevond zich in de laptoptas van [verdachte] , die op 26 oktober 2023 in beslag werd genomen bij zijn aanhouding in het kader van het onderzoek 26StLouis. De verdachten [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] wordt ten laste gelegd dat zij betrokken waren bij de invoer in Nederland van de partij cocaïne in de zaak 26Rouen. Betrokkenheid 26Rouen op basis van het dossier en de verklaringen van de verdachten Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar de gebeurtenissen rondom het transport van de drugscontainer voorafgaand aan de inval in de loods in Bleiswijk en de communicatie die plaatsvond rondom dit transport. Uit onderzoek naar de bewegingen van de [gebruikersnaam] - en de [telefoon 2] volgt dat beide telefoons op 15 oktober 2023 aanstralen in het NH Hotel Jan Tabak in Bussum. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de [telefoon 1] die dag op deze locatie heeft gekregen. Op camerabeelden van Jan Tabak is te zien dat [medeverdachte 3] daar die dag aanwezig was. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 3] ook de persoon was die de [telefoon 2] in gebruik had. De rechtbank wijst in dit verband op de bevinding dat de telefoon gelijktijdig aanstraalt met andere telefoons die aan [medeverdachte 3] te koppelen zijn, op adressen waar hij op die momenten aanwezig was. De communicatie die vanaf de [telefoon 2] wordt gevoerd past ook bij de aansturende rol, die blijkens het verdere dossier aan [medeverdachte 3] kan worden toegeschreven. [verdachte] heeft verklaard dat hij – samen met [medeverdachte 5] – in de dagen voor de inval aanwezig is geweest bij [bedrijf 2] . Hij was daar naar eigen zeggen om klusjes te doen en op die manier wat (zwart) geld bij te verdienen. Ook heeft hij bevestigd dat hij op de ochtend van de inval een betonschaar naar de loods heeft gebracht. Hij heeft daarnaast administratieve werkzaamheden verricht voor [bedrijf 1] en via de in beslag genomen [telefoon 4] uit naam van dit bedrijf gecommuniceerd. Volgens zijn verklaring is hij op 15 oktober 2023 samen met [medeverdachte 5] bij Jan Tabak in Bussum geweest en heeft hij daar twee telefoons gebracht, die zij een dag eerder in Ede hadden gekocht en die door hem waren geactiveerd. Uit onderzoek aan de [telefoon 1] volgt dat dit een van de twee door de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 5] afgeleverde telefoons was. Gelet op de gelijktijdige aanschaf en activatie stelt de rechtbank vast dat de andere door de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 5] gebrachte telefoon de [telefoon 2] moet zijn geweest, die door [medeverdachte 3] daarna is gebruikt om [medeverdachte 2] instructies te geven. [verdachte] betwist de verklaring van [medeverdachte 6] , die stelt dat [verdachte] zich voordeed als [naam 2] (de eigenaar van [bedrijf 1] ). [medeverdachte 6] verklaart dat [verdachte] in die hoedanigheid namens [bedrijf 1] de loods huurde van [bedrijf 2] en dat hij op de ochtend van 16 oktober 2023 ook bij [bedrijf 2] was om een betonschaar te brengen. Hoewel [verdachte] de verklaring van [medeverdachte 6] betwist, stelt de rechtbank vast dat deze op relevante punten wordt ondersteund door andere bevindingen bij het onderzoek. Zij acht deze verklaring voldoende betrouwbaar om te betrekken bij het bewijs en ziet geen aanleiding om deze terzijde te schuiven. De verdediging heeft verder aangevoerd dat er geen bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat deze specifieke container met daarin de cocaïne expliciet voor [bedrijf 1] bestemd was. Er waren immers meer containers met bananen onderweg en de uiteindelijke verdeling zou door [naam 3] worden gemaakt, zonder bemoeienis van [bedrijf 1] De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheid, in het licht van de overige bewijsmiddelen, niet afdoet aan de betrokkenheid van [verdachte] bij de invoer van de drugscontainer. Daarbij wijst de rechtbank ook op het feit dat de – in essentie ontkennende – verklaringen door [verdachte] pas zijn afgelegd ná verstrekking van het volledige dossier, en dat zijn alternatieve lezing bij de voor hem belastende feiten en omstandigheden niet wordt ondersteund door andere bevindingen bij het onderzoek. [medeverdachte 5] heeft bevestigd dat hij meermalen, deels samen met verdachte [verdachte] , bij [bedrijf 2] is geweest. Op 3 oktober 2023 was hij daar alleen in een Volkswagen Crafter die was geregeld door [verdachte] . De Volkswagen Crafter is op naam van [bedrijf 1] gehuurd. Over zijn bezoek op 11 oktober 2023 heeft [medeverdachte 5] verklaard dat hij die dag bij [bedrijf 2] in de loods dozen heeft verplaatst. Hij was die dag met een ander voertuig, dat eveneens te relateren is aan [bedrijf 1] Verder heeft hij verklaard dat hij 5500 euro aan [verdachte] had geleend. Uit de in beslag genomen notities in de woning van de moeder van [medeverdachte 3] blijkt dat dit bedrag bedoeld was voor de huur van pompwagens, die zijn gebruikt in de loods. [medeverdachte 5] was op 15 oktober 2023 bij Jan Tabak in Bussum, samen met [verdachte] , om de [telefoon 1] en [telefoon 2] af te leveren. [medeverdachte 4] heeft geen verklaring willen afleggen. Uit camerabeelden van [bedrijf 2] leidt de rechtbank af dat ook hij meermalen aanwezig is geweest in de loods in Bleiswijk, in elk geval op 5, 9, 11 en 16 oktober 2023. Te zien is dat hij op 11 oktober 2023 samen met meerdere personen, onder wie [medeverdachte 5] , in de loods ladingen lost en daarbij een coördinerende rol lijkt te hebben. Ook op 16 oktober 2023, de dag van de inval, was hij in de loods aanwezig, waar hij onder meer met een heftruck bananendozen verplaatste. Hij verliet de loods na enige tijd en keerde kort daarna terug samen met de medeverdachten [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] . Kort voordat het arrestatieteam binnenviel, stapte [medeverdachte 4] in de auto van [medeverdachte 6] , waarmee hij ongezien vertrok. In zijn telefoon zijn (verwijderde) notities aangetroffen over onder meer deze ‘ontsnapping’ en over zijn betrokkenheid bij de activiteiten in de loods. Hij communiceert in meerdere chats met medeverdachten over deze gebeurtenissen. [medeverdachte 6] heeft [medeverdachte 4] aangewezen als werknemer van [bedrijf 1] Onderzoek 26Stlouis Op 25 oktober 2023 werd [medeverdachte 1] door de politie met zijn vrachtwagen gecontroleerd in de buurt van Amersfoort. De oplegger was leeg, wat niet overeenkwam met de informatie op de vrachtbrief. [medeverdachte 1] verklaarde ter plaatse tegenover de politie dat hij zojuist 20 pallets met fruit had afgeleverd op de [adres 1] , dat door anderen zou worden bewerkt en dat hij enkele dagen later weer moest ophalen.
Volledig
Onderzoek 26Rouen In de periode van 14 tot en met 16 oktober 2023 is een container met ruim 7.700 kilogram cocaïne, verstopt in een lading bananen, vanuit Ecuador via de Westerschelde de haven van Antwerpen ingevoerd. De container was bestemd voor het bedrijf [bedrijf 1] in Lelystad. De partij cocaïne is onderschept door de autoriteiten in België en is op 15 oktober 2023 in beslag genomen. Een klein deel van de cocaïne is in de container teruggeplaatst en daarna doorgelaten voor verder transport. De container is opgehaald uit het havengebied en op 16 oktober 2023 via de weg naar Nederland vervoerd naar het bedrijf [bedrijf 2] in Bleiswijk (hierna ook: [bedrijf 2] ). Eenmaal daar aangekomen heeft een inval plaatsgevonden in de loods en zijn de chauffeur van de vrachtwagen met container ( [medeverdachte 2] ) en enkele andere aanwezige personen aangehouden. Onder [medeverdachte 2] zijn twee telefoons in beslag genomen, waaronder een Samsung Galaxy A14. Aan deze telefoon was de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam] ’ gekoppeld. Het enige opgeslagen tegencontact had als naam ‘ [naam 1] ’. Uit de communicatie tussen deze accounts valt af te leiden dat [medeverdachte 2] van [naam 1] opdrachten kreeg met betrekking tot het transport op 16 oktober 2023. Uit onderzoek is gebleken dat de [telefoon 1] , samen met de [telefoon 2] , op 14 oktober 2023 in Ede is aangeschaft en dat beide telefoons diezelfde dag zijn geactiveerd. De kassabon bij de aankoop van de telefoons bevond zich in de laptoptas van [verdachte] , die op 26 oktober 2023 in beslag werd genomen bij zijn aanhouding in het kader van het onderzoek 26StLouis. De verdachten [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] wordt ten laste gelegd dat zij betrokken waren bij de invoer in Nederland van de partij cocaïne in de zaak 26Rouen. Betrokkenheid 26Rouen op basis van het dossier en de verklaringen van de verdachten Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar de gebeurtenissen rondom het transport van de drugscontainer voorafgaand aan de inval in de loods in Bleiswijk en de communicatie die plaatsvond rondom dit transport. Uit onderzoek naar de bewegingen van de [gebruikersnaam] - en de [telefoon 2] volgt dat beide telefoons op 15 oktober 2023 aanstralen in het NH Hotel Jan Tabak in Bussum. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de [telefoon 1] die dag op deze locatie heeft gekregen. Op camerabeelden van Jan Tabak is te zien dat [medeverdachte 3] daar die dag aanwezig was. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 3] ook de persoon was die de [telefoon 2] in gebruik had. De rechtbank wijst in dit verband op de bevinding dat de telefoon gelijktijdig aanstraalt met andere telefoons die aan [medeverdachte 3] te koppelen zijn, op adressen waar hij op die momenten aanwezig was. De communicatie die vanaf de [telefoon 2] wordt gevoerd past ook bij de aansturende rol, die blijkens het verdere dossier aan [medeverdachte 3] kan worden toegeschreven. [verdachte] heeft verklaard dat hij – samen met [medeverdachte 5] – in de dagen voor de inval aanwezig is geweest bij [bedrijf 2] . Hij was daar naar eigen zeggen om klusjes te doen en op die manier wat (zwart) geld bij te verdienen. Ook heeft hij bevestigd dat hij op de ochtend van de inval een betonschaar naar de loods heeft gebracht. Hij heeft daarnaast administratieve werkzaamheden verricht voor [bedrijf 1] en via de in beslag genomen [telefoon 4] uit naam van dit bedrijf gecommuniceerd. Volgens zijn verklaring is hij op 15 oktober 2023 samen met [medeverdachte 5] bij Jan Tabak in Bussum geweest en heeft hij daar twee telefoons gebracht, die zij een dag eerder in Ede hadden gekocht en die door hem waren geactiveerd. Uit onderzoek aan de [telefoon 1] volgt dat dit een van de twee door de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 5] afgeleverde telefoons was. Gelet op de gelijktijdige aanschaf en activatie stelt de rechtbank vast dat de andere door de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 5] gebrachte telefoon de [telefoon 2] moet zijn geweest, die door [medeverdachte 3] daarna is gebruikt om [medeverdachte 2] instructies te geven. [verdachte] betwist de verklaring van [medeverdachte 6] , die stelt dat [verdachte] zich voordeed als [naam 2] (de eigenaar van [bedrijf 1] ). [medeverdachte 6] verklaart dat [verdachte] in die hoedanigheid namens [bedrijf 1] de loods huurde van [bedrijf 2] en dat hij op de ochtend van 16 oktober 2023 ook bij [bedrijf 2] was om een betonschaar te brengen. Hoewel [verdachte] de verklaring van [medeverdachte 6] betwist, stelt de rechtbank vast dat deze op relevante punten wordt ondersteund door andere bevindingen bij het onderzoek. Zij acht deze verklaring voldoende betrouwbaar om te betrekken bij het bewijs en ziet geen aanleiding om deze terzijde te schuiven. De verdediging heeft verder aangevoerd dat er geen bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat deze specifieke container met daarin de cocaïne expliciet voor [bedrijf 1] bestemd was. Er waren immers meer containers met bananen onderweg en de uiteindelijke verdeling zou door [naam 3] worden gemaakt, zonder bemoeienis van [bedrijf 1] De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheid, in het licht van de overige bewijsmiddelen, niet afdoet aan de betrokkenheid van [verdachte] bij de invoer van de drugscontainer. Daarbij wijst de rechtbank ook op het feit dat de – in essentie ontkennende – verklaringen door [verdachte] pas zijn afgelegd ná verstrekking van het volledige dossier, en dat zijn alternatieve lezing bij de voor hem belastende feiten en omstandigheden niet wordt ondersteund door andere bevindingen bij het onderzoek. [medeverdachte 5] heeft bevestigd dat hij meermalen, deels samen met verdachte [verdachte] , bij [bedrijf 2] is geweest. Op 3 oktober 2023 was hij daar alleen in een Volkswagen Crafter die was geregeld door [verdachte] . De Volkswagen Crafter is op naam van [bedrijf 1] gehuurd. Over zijn bezoek op 11 oktober 2023 heeft [medeverdachte 5] verklaard dat hij die dag bij [bedrijf 2] in de loods dozen heeft verplaatst. Hij was die dag met een ander voertuig, dat eveneens te relateren is aan [bedrijf 1] Verder heeft hij verklaard dat hij 5500 euro aan [verdachte] had geleend. Uit de in beslag genomen notities in de woning van de moeder van [medeverdachte 3] blijkt dat dit bedrag bedoeld was voor de huur van pompwagens, die zijn gebruikt in de loods. [medeverdachte 5] was op 15 oktober 2023 bij Jan Tabak in Bussum, samen met [verdachte] , om de [telefoon 1] en [telefoon 2] af te leveren. [medeverdachte 4] heeft geen verklaring willen afleggen. Uit camerabeelden van [bedrijf 2] leidt de rechtbank af dat ook hij meermalen aanwezig is geweest in de loods in Bleiswijk, in elk geval op 5, 9, 11 en 16 oktober 2023. Te zien is dat hij op 11 oktober 2023 samen met meerdere personen, onder wie [medeverdachte 5] , in de loods ladingen lost en daarbij een coördinerende rol lijkt te hebben. Ook op 16 oktober 2023, de dag van de inval, was hij in de loods aanwezig, waar hij onder meer met een heftruck bananendozen verplaatste. Hij verliet de loods na enige tijd en keerde kort daarna terug samen met de medeverdachten [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] . Kort voordat het arrestatieteam binnenviel, stapte [medeverdachte 4] in de auto van [medeverdachte 6] , waarmee hij ongezien vertrok. In zijn telefoon zijn (verwijderde) notities aangetroffen over onder meer deze ‘ontsnapping’ en over zijn betrokkenheid bij de activiteiten in de loods. Hij communiceert in meerdere chats met medeverdachten over deze gebeurtenissen. [medeverdachte 6] heeft [medeverdachte 4] aangewezen als werknemer van [bedrijf 1] Onderzoek 26Stlouis Op 25 oktober 2023 werd [medeverdachte 1] door de politie met zijn vrachtwagen gecontroleerd in de buurt van Amersfoort. De oplegger was leeg, wat niet overeenkwam met de informatie op de vrachtbrief. [medeverdachte 1] verklaarde ter plaatse tegenover de politie dat hij zojuist 20 pallets met fruit had afgeleverd op de [adres 1] , dat door anderen zou worden bewerkt en dat hij enkele dagen later weer moest ophalen.
Volledig
Hij verklaarde dat hij wist dat de politie op zoek was naar verdovende middelen, maar dat dit niet het juiste moment was en dat hij de politie kon helpen door met hen samen te werken. Het zou gaan om grote hoeveelheden, 5.000 of 10.000 kilogram wit per keer, waarbij hij zei te vermoeden dat ‘ze’ daarmee cocaïne bedoelden. Hij refereerde hierbij aan een nieuwbericht dat de eigenaren van een partij van 7.000 kg cocaïne waren gepakt bij een fruithandel in Rotterdam of Ridderkerk. [medeverdachte 1] verklaarde ook dat hij voor de twee afgesproken ritten een vergoeding zou krijgen van ongeveer 80.000 euro. Naar aanleiding van de verklaring van [medeverdachte 1] heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de loods van [bedrijf 3] in Tynaarlo. Daarbij werd waargenomen dat er drie voertuigen wegreden bij de loods, waarin zich later de verdachten [medeverdachte 10] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 12] en [verdachte] bleken te bevinden. In de loods werd een grote hoeveelheid bananen aangetroffen op pallets buiten de aanwezige koelcel. Verder werden drie bakwagens en een vrachtauto aangetroffen, alle zonder kentekenplaten en voorzien van een verborgen ruimte. In een van de verborgen ruimtes lag een tas met containerzegels en een vuurwapen. Deze bevindingen vormden de aanleiding voor het onderzoek 26StLouis. Door verschillende raadslieden zijn opmerkingen gemaakt met betrekking tot de inhoud en betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 1] op 25 oktober 2023, nu hij later heeft aangegeven dat hij door de politie verkeerd is begrepen en heeft geweigerd hierover inhoudelijk nader te verklaren. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Uit het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal bij zijn staandehouding blijkt dat [medeverdachte 1] anoniem een verklaring wilde afleggen. Nadat hij er door de politie meermalen op was gewezen dat dit niet mogelijk was, heeft hij toch een verklaring afgelegd. [medeverdachte 1] is gehoord met telefonische bijstand door een beëdigde tolk in de Turkse taal. Deze verklaring is door de politie nader onderzocht en op belangrijke onderdelen bevestigd. Mede in het licht van de door [medeverdachte 1] genoemde vergoeding voor zijn werkzaamheden, wijst dit onderzoek evident in de richting van verdovende middelen. De rechtbank ziet op kernonderdelen geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de vertaalde inhoud van de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaring. De verklaring van [medeverdachte 1] is voldoende betrouwbaar en kan als bewijs worden gebruikt. De rechtbank ziet gezien het voorgaande geen noodzaak om de betreffende verbalisanten en tolk te horen. Het voorwaardelijk verzoek daartoe zal daarom ook worden afgewezen. Verdere onderzoeksresultaten Naast de genoemde goederen werd in een verborgen ruimte in één van de voertuigen in de loods een handleiding gevonden voor een LionLaser graveermachine. Verder werden in een cabine een geldtelmachine en een sealapparaat aangetroffen. Een dag na de inval werd bij de loods nog een vierde bakwagen gebracht, opnieuw zonder kentekenplaten, waarin eveneens een verborgen ruimte was ingebouwd. In elk van de cabines van de in beslag genomen voertuigen werd een set Belgische kentekenplaten gevonden. In de kantoorruimte bij de loods stond een Boni-boodschappentas met daarin een [telefoon 4] en bankpasjes op naam van [bedrijf 1] Het onderzoek wijst uit dat de in beslag genomen voertuigen met de verborgen ruimtes opgehaald waren bij een loods aan de [adres 2] . Deze loods is op 31 oktober 2023 eveneens doorzocht, waarbij diverse grondstoffen, chemicaliën en goederen werden aangetroffen die geschikt zijn voor het vervaardigen en/of bewerken van (meth)amfetamine. Ook bevonden zich meerdere slaapcabines in de loods in Lelystad. (Meth)amfetamine Ten aanzien van het nog niet in werking zijnde (meth)amfetaminelab in de loods in Lelystad overweegt de rechtbank dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om te concluderen dat de verdachten in de onderhavige strafzaak bij de inrichting hiervan betrokken zijn geweest. De rechtbank baseert dit oordeel onder meer op de omstandigheid dat de betreffende goederen zijn aangetroffen in een afgesloten deel van de loods (deel C) waarvan de verdachten blijkens het dossier geen gebruik maakten. Hun communicatie via de in beslag genomen telefoons duidt evenmin op betrokkenheid hierbij. Immers, uit deze communicatie blijkt juist dat de verdachten hun activiteiten wilden verplaatsen naar Tynaarlo en hun werkzaamheden in Lelystad wilden stoppen vanwege de verhoogde kans op ontdekking na door de autoriteiten aangekondigde maatregelen bij een milieucontrole. Om die reden moesten de aanvankelijk beoogde delen van de loods (delen A en B) worden opgeruimd, kennelijk om geen sporen achter te laten. Dit past bij de bevindingen ten tijde van de doorzoeking. De rechtbank zal de verdachten vrijspreken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het aangetroffen (meth)amfetaminelab. Frisdranktelefoons en overige telefoonaccounts In de auto waarin de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 5] reden (de Volkswagen Polo, kenteken [kenteken 1] ) is een laptoptas aangetroffen. In deze tas bevonden zich de kassabonnen van de aankoop van de [telefoon 1] - en [telefoon 2] op 14 oktober 2023 (zie hiervoor onder 26Rouen) en van een viertal Samsung A14 telefoons op 16 oktober 2023. Deze laatste telefoons zijn – kort na de inval in Bleiswijk – respectievelijk op 16 en 17 oktober 2023 geactiveerd. De WhatsApp-accountnamen [accountnaam 1] , [accountnaam 2] , [accountnaam 3] en [accountnaam 4] zijn toen in gebruik genomen. Bij aanhouding van de verdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [verdachte] zijn Samsung A14-telefoons aangetroffen, waaraan frisdranknamen waren gekoppeld. [verdachte] heeft verklaard dat hij gebruik maakte van de telefoon met het account [accountnaam 5] . [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij gebruik maakte van de telefoon met het account [accountnaam 2] . [medeverdachte 4] heeft geen verklaring afgelegd. Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat hij de persoon is die gebruik maakte van de telefoon met het account [accountnaam 1] . Bij aanhouding van [medeverdachte 1] is een iPhone 6s-telefoon in beslag genomen. Op deze telefoon is op 15 oktober 2023 een Signal-account met de naam [naam 4] geactiveerd. Deze telefoon bevat een tegencontact onder de naam [naam 5] , die screenshots van berichten heeft toegestuurd van iemand met de bijnaam [accountnaam 4] . Deze berichten zien op het ophalen en brengen van pallets naar Tynaarlo. Uit het onderzoek volgt dat [medeverdachte 3] de gebruiker was van de telefoon met het account [accountnaam 4] . Het frisdrankaccount [accountnaam 3] is in het onderzoek toegeschreven aan [medeverdachte 13] . Hoewel hij het gebruik van dit account heeft ontkend, ziet de rechtbank geen aanleiding tot twijfel aan de bevindingen bij het identificatieonderzoek. In het onderzoek is verder communicatie aangetroffen afkomstig van de accounts ‘ [accountnaam 6] ’ en ‘ [accountnaam 7] ’. Hoewel beide verdachten dit ontkennen, leidt de rechtbank uit de bevindingen bij het onderzoek af dat deze accounts zijn te koppelen aan respectievelijk [medeverdachte 14] en [medeverdachte 10] . Betrokkenheid op basis van het dossier en de verklaringen van de verdachten Uit het onderzoek aan de (frisdrank)telefoons is de verdenking ontstaan dat de verdachten [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 14] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 13] en [medeverdachte 1] betrokken waren bij de voorbereiding van drugsgerelateerde strafbare feiten. Voor zover zij hebben willen verklaren, wordt deze verdenking door alle verdachten weersproken. De rechtbank bespreekt in dit verband per verdachte de bevindingen bij het onderzoek. [medeverdachte 3] communiceerde met het account [accountnaam 4] onder meer met de verdachten [verdachte] ( [accountnaam 5] ) en [medeverdachte 4] ( [accountnaam 1] ). Deze communicatie wijst op betrokkenheid bij drugsgerelateerde voorbereidingshandelingen.
Volledig
Hij verklaarde dat hij wist dat de politie op zoek was naar verdovende middelen, maar dat dit niet het juiste moment was en dat hij de politie kon helpen door met hen samen te werken. Het zou gaan om grote hoeveelheden, 5.000 of 10.000 kilogram wit per keer, waarbij hij zei te vermoeden dat ‘ze’ daarmee cocaïne bedoelden. Hij refereerde hierbij aan een nieuwbericht dat de eigenaren van een partij van 7.000 kg cocaïne waren gepakt bij een fruithandel in Rotterdam of Ridderkerk. [medeverdachte 1] verklaarde ook dat hij voor de twee afgesproken ritten een vergoeding zou krijgen van ongeveer 80.000 euro. Naar aanleiding van de verklaring van [medeverdachte 1] heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de loods van [bedrijf 3] in Tynaarlo. Daarbij werd waargenomen dat er drie voertuigen wegreden bij de loods, waarin zich later de verdachten [medeverdachte 10] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 12] en [verdachte] bleken te bevinden. In de loods werd een grote hoeveelheid bananen aangetroffen op pallets buiten de aanwezige koelcel. Verder werden drie bakwagens en een vrachtauto aangetroffen, alle zonder kentekenplaten en voorzien van een verborgen ruimte. In een van de verborgen ruimtes lag een tas met containerzegels en een vuurwapen. Deze bevindingen vormden de aanleiding voor het onderzoek 26StLouis. Door verschillende raadslieden zijn opmerkingen gemaakt met betrekking tot de inhoud en betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 1] op 25 oktober 2023, nu hij later heeft aangegeven dat hij door de politie verkeerd is begrepen en heeft geweigerd hierover inhoudelijk nader te verklaren. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Uit het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal bij zijn staandehouding blijkt dat [medeverdachte 1] anoniem een verklaring wilde afleggen. Nadat hij er door de politie meermalen op was gewezen dat dit niet mogelijk was, heeft hij toch een verklaring afgelegd. [medeverdachte 1] is gehoord met telefonische bijstand door een beëdigde tolk in de Turkse taal. Deze verklaring is door de politie nader onderzocht en op belangrijke onderdelen bevestigd. Mede in het licht van de door [medeverdachte 1] genoemde vergoeding voor zijn werkzaamheden, wijst dit onderzoek evident in de richting van verdovende middelen. De rechtbank ziet op kernonderdelen geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de vertaalde inhoud van de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaring. De verklaring van [medeverdachte 1] is voldoende betrouwbaar en kan als bewijs worden gebruikt. De rechtbank ziet gezien het voorgaande geen noodzaak om de betreffende verbalisanten en tolk te horen. Het voorwaardelijk verzoek daartoe zal daarom ook worden afgewezen. Verdere onderzoeksresultaten Naast de genoemde goederen werd in een verborgen ruimte in één van de voertuigen in de loods een handleiding gevonden voor een LionLaser graveermachine. Verder werden in een cabine een geldtelmachine en een sealapparaat aangetroffen. Een dag na de inval werd bij de loods nog een vierde bakwagen gebracht, opnieuw zonder kentekenplaten, waarin eveneens een verborgen ruimte was ingebouwd. In elk van de cabines van de in beslag genomen voertuigen werd een set Belgische kentekenplaten gevonden. In de kantoorruimte bij de loods stond een Boni-boodschappentas met daarin een [telefoon 4] en bankpasjes op naam van [bedrijf 1] Het onderzoek wijst uit dat de in beslag genomen voertuigen met de verborgen ruimtes opgehaald waren bij een loods aan de [adres 2] . Deze loods is op 31 oktober 2023 eveneens doorzocht, waarbij diverse grondstoffen, chemicaliën en goederen werden aangetroffen die geschikt zijn voor het vervaardigen en/of bewerken van (meth)amfetamine. Ook bevonden zich meerdere slaapcabines in de loods in Lelystad. (Meth)amfetamine Ten aanzien van het nog niet in werking zijnde (meth)amfetaminelab in de loods in Lelystad overweegt de rechtbank dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om te concluderen dat de verdachten in de onderhavige strafzaak bij de inrichting hiervan betrokken zijn geweest. De rechtbank baseert dit oordeel onder meer op de omstandigheid dat de betreffende goederen zijn aangetroffen in een afgesloten deel van de loods (deel C) waarvan de verdachten blijkens het dossier geen gebruik maakten. Hun communicatie via de in beslag genomen telefoons duidt evenmin op betrokkenheid hierbij. Immers, uit deze communicatie blijkt juist dat de verdachten hun activiteiten wilden verplaatsen naar Tynaarlo en hun werkzaamheden in Lelystad wilden stoppen vanwege de verhoogde kans op ontdekking na door de autoriteiten aangekondigde maatregelen bij een milieucontrole. Om die reden moesten de aanvankelijk beoogde delen van de loods (delen A en B) worden opgeruimd, kennelijk om geen sporen achter te laten. Dit past bij de bevindingen ten tijde van de doorzoeking. De rechtbank zal de verdachten vrijspreken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het aangetroffen (meth)amfetaminelab. Frisdranktelefoons en overige telefoonaccounts In de auto waarin de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 5] reden (de Volkswagen Polo, kenteken [kenteken 1] ) is een laptoptas aangetroffen. In deze tas bevonden zich de kassabonnen van de aankoop van de [telefoon 1] - en [telefoon 2] op 14 oktober 2023 (zie hiervoor onder 26Rouen) en van een viertal Samsung A14 telefoons op 16 oktober 2023. Deze laatste telefoons zijn – kort na de inval in Bleiswijk – respectievelijk op 16 en 17 oktober 2023 geactiveerd. De WhatsApp-accountnamen [accountnaam 1] , [accountnaam 2] , [accountnaam 3] en [accountnaam 4] zijn toen in gebruik genomen. Bij aanhouding van de verdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [verdachte] zijn Samsung A14-telefoons aangetroffen, waaraan frisdranknamen waren gekoppeld. [verdachte] heeft verklaard dat hij gebruik maakte van de telefoon met het account [accountnaam 5] . [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij gebruik maakte van de telefoon met het account [accountnaam 2] . [medeverdachte 4] heeft geen verklaring afgelegd. Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat hij de persoon is die gebruik maakte van de telefoon met het account [accountnaam 1] . Bij aanhouding van [medeverdachte 1] is een iPhone 6s-telefoon in beslag genomen. Op deze telefoon is op 15 oktober 2023 een Signal-account met de naam [naam 4] geactiveerd. Deze telefoon bevat een tegencontact onder de naam [naam 5] , die screenshots van berichten heeft toegestuurd van iemand met de bijnaam [accountnaam 4] . Deze berichten zien op het ophalen en brengen van pallets naar Tynaarlo. Uit het onderzoek volgt dat [medeverdachte 3] de gebruiker was van de telefoon met het account [accountnaam 4] . Het frisdrankaccount [accountnaam 3] is in het onderzoek toegeschreven aan [medeverdachte 13] . Hoewel hij het gebruik van dit account heeft ontkend, ziet de rechtbank geen aanleiding tot twijfel aan de bevindingen bij het identificatieonderzoek. In het onderzoek is verder communicatie aangetroffen afkomstig van de accounts ‘ [accountnaam 6] ’ en ‘ [accountnaam 7] ’. Hoewel beide verdachten dit ontkennen, leidt de rechtbank uit de bevindingen bij het onderzoek af dat deze accounts zijn te koppelen aan respectievelijk [medeverdachte 14] en [medeverdachte 10] . Betrokkenheid op basis van het dossier en de verklaringen van de verdachten Uit het onderzoek aan de (frisdrank)telefoons is de verdenking ontstaan dat de verdachten [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 14] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 13] en [medeverdachte 1] betrokken waren bij de voorbereiding van drugsgerelateerde strafbare feiten. Voor zover zij hebben willen verklaren, wordt deze verdenking door alle verdachten weersproken. De rechtbank bespreekt in dit verband per verdachte de bevindingen bij het onderzoek. [medeverdachte 3] communiceerde met het account [accountnaam 4] onder meer met de verdachten [verdachte] ( [accountnaam 5] ) en [medeverdachte 4] ( [accountnaam 1] ). Deze communicatie wijst op betrokkenheid bij drugsgerelateerde voorbereidingshandelingen.
Volledig
De rechtbank wijst onder meer op een chatsessie met [accountnaam 5] (proces-verbaal [proces-verbaalnummer 1] ) waarin [accountnaam 4] hem instructies geeft. In gesprek met [medeverdachte 4] ( [accountnaam 1] ) over het zoeken van een nieuwe locatie zegt [accountnaam 4] : ‘ Denk dat ik toch noorden kies als die Postduif niet doorgaat ’. Uit andere chats blijkt [medeverdachte 3] ook verantwoordelijk voor de financiële zaken. Zo vraagt [accountnaam 5] of [medeverdachte 3] hem nog “17.5 k” wil betalen voor een oude klus en of hij ook het restant wil meenemen voor [accountnaam 2] ( [medeverdachte 5] ). In de woning van de moeder van [medeverdachte 3] is (handgeschreven) financiële administratie aangetroffen die gerelateerd kan worden aan de hem ten laste gelegde feiten, alsmede diverse stortingsbewijzen van contante stortingen aan [bedrijf 1] vanaf 16 juli 2023. In een notitie wordt ‘2x electrische pompwagens 5.600’ vermeld, wat blijkens het verdere onderzoek lijkt te zien op een voorschot dat [medeverdachte 5] aan [verdachte] heeft geleend. Ten slotte heeft [medeverdachte 3] in de ten laste gelegde periode verschillende ontmoetingen gehad met andere verdachten uit het onderzoek, onder meer bij Jan Tabak in Bussum. [verdachte] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 5] op 16 oktober 2023 de frisdrank-telefoons heeft gekocht. Ze deden samen klusjes en hebben in Lelystad opruimwerkzaamheden verricht, toen de werkzaamheden naar Tynaarlo werden verplaatst vanwege problemen met een milieuvergunning. Volgens zijn verklaring had hij online toegang tot de beveiligingscamera’s rondom de loods in Lelystad en keek hij die beelden ook uit. Verder heeft hij het verslepen van de bakwagens naar Tynaarlo geregeld. [verdachte] heeft bevestigd dat hij meermalen aanwezig is geweest op plaatsen waar op dat moment ook de verdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] waren. Met [medeverdachte 3] ( [accountnaam 4] ) en met anderen communiceerde hij via het account [accountnaam 5] met de frisdranktelefoon. Hij had het beheer over [bedrijf 1] , ondernam activiteiten namens die onderneming en gebruikte ook de [telefoon 4] , die in Tynaarlo werd aangetroffen en gekoppeld was aan [bedrijf 1] Hij is de eigenaar van de laptoptas die in de auto is aangetroffen met daarin een laptop en de kassabonnetjes. Op de laptop zijn facturen aangetroffen van [bedrijf 1] ten behoeve van [bedrijf 4] Over het betalen van facturen aan dit bedrijf is via de frisdranktelefoons gesproken door de verdachten [medeverdachte 3] en [verdachte] . Bij de doorzoeking van de woning van de moeder van [medeverdachte 3] zijn stortingsbewijzen aangetroffen van contante stortingen aan [bedrijf 1] vanaf 16 juli 2023. In de laptoptas werden notities aangetroffen met betrekking tot [bedrijf 5] , waaronder inloggegevens van online-accounts en uittreksels van de Kamer van Koophandel, waarover eveneens door de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 3] in de chat wordt gecommuniceerd. Zij spreken daarin over de ‘rv telefoon’ en over het in beheer hebben van deze B.V. [medeverdachte 5] heeft bevestigd dat hij [verdachte] op 25 oktober 2023 naar Tynaarlo heeft gebracht, waar [verdachte] in het kantoor achter de computer ging zitten. Eerder die dag heeft hij [verdachte] naar Lelystad vervoerd. Er stonden daar bakwagens die later naar Tynaarlo werden gebracht. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij de Samsung-telefoon met het [accountnaam 2] -account van [verdachte] heeft gekregen. In deze telefoon stonden ook de andere frisdrank-contacten. Verder heeft [medeverdachte 5] erkend dat hij op verschillende momenten (samen met [verdachte] ) in het gezelschap van andere verdachten is geweest, onder andere met de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] bij Jan Tabak in Bussum. Uit onderzoek aan de privé-telefoon van [medeverdachte 5] valt af te leiden dat hij enkele dagen voor de inval samen met andere verdachten in Wernhout is geweest om (lege) bananendozen te halen. Ook geeft het onderzoek naar de reisbewegingen van de telefoon aanwijzingen dat [medeverdachte 5] betrokken is geweest bij de contante stortingen op de rekening van [bedrijf 1] [medeverdachte 4] is op 25 oktober 2023 in Tynaarlo aangehouden en heeft geen verklaring willen afleggen. Hij wordt gekoppeld aan het account [accountnaam 1] , dat is aangetroffen op de telefoon die bij zijn aanhouding onder hem in beslag is genomen. Op de [telefoon 3] zijn verwijderde notities aangetroffen uit de periode van 17 tot en met 23 oktober 2023. In de notities wordt onder meer gesproken over een pand dat niet doorgaat, over een ander gevonden pand dat beter lijkt, over Belgische bussen die worden weggebracht en over dozen die op de terugweg worden opgehaald. In een notitie van 17 oktober 2023 (de dag na de inval in de loods in Bleiswijk) wordt gezegd dat ze een groot probleem hebben en blijkt dat er totale paniek is. [medeverdachte 4] zegt dat hij denkt dat hij vandaag of morgen ook wordt opgehaald en van de weg wordt gereden door een arrestatieteam. Vanaf de [telefoon 3] wordt gecommuniceerd met andere frisdranktelefoons, waarbij met [medeverdachte 3] onder andere wordt besproken welke loods uiteindelijk zal worden gebruikt. [medeverdachte 4] heeft daarnaast contact met de verdachten [medeverdachte 13] ( [accountnaam 3] ) en [medeverdachte 10] ( [accountnaam 7] ). Hij is op cruciale momenten aanwezig in Tynaarlo, bij Jan Tabak in Bussum en in Wernhout, telkens in gezelschap van andere verdachten. [medeverdachte 10] heeft verklaard dat hij is benaderd met de vraag of hij de loods in Tynaarlo wilde verhuren en dat hij hierin heeft toegestemd. Hoewel hij enige wetenschap van drugsgerelateerde strafbare feiten ontkent, blijkt uit het dossier dat zijn betrokkenheid verder ging dan alleen het verhuren van de loods. Op de dag van zijn aanhouding is bij hem een telefoon aangetroffen met daarop het account [accountnaam 7] . Op basis van het proces-verbaal van bevindingen met nummer [proces-verbaalnummer 2] ziet de rechtbank geen aanwijzingen dat dit toestel door andere personen werd gebruikt dan [medeverdachte 10] . Vanaf dit account communiceert hij onder andere met [medeverdachte 3] over de levering van containers en over het regelen van hotelkamers omstreeks 25 oktober 2023. Ook is er op het [accountnaam 1] account contact met [medeverdachte 4] . Op de telefoon van [medeverdachte 10] wordt een afbeelding gevonden van een factuur van [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] met betrekking tot het transport van twee containers calciumcarbonaat vanuit Zuid-Amerika. De verdachte heeft deze transactie bevestigd en heeft verklaard dat hij de lading wilde verkopen aan de vleesindustrie. Dit is echter onwaarschijnlijk, zo blijkt uit het onderzoek. Het bestelde calciumcarbonaat blijkt niet geschikt voor menselijke consumptie en is vanuit Zuid-Amerika voor een (veel) hogere prijs aangekocht dan gangbaar is bij aankoop binnen Europa. De rechtbank acht daarom, net als de politie, aannemelijk dit een testzending betrof en dat dit transport verband hield met de voorbereiding van drugsgerelateerde strafbare feiten. [medeverdachte 14] is op 10 januari 2024 aangehouden en heeft geen verklaring willen afleggen. Bij zijn aanhouding is een huurcontract van een loods in Naarden gevonden, waar bij een doorzoeking later een partij van 3,8 miljoen Tramadol-pillen werd aangetroffen. In die loods zijn ook rollen stickers met het opschrift Dole en Rainforest Alliance in beslag genomen, die blijkens het onderzoek aan de frisdranktelefoons waren bedoeld voor de (ompak)werkzaamheden in Tynaarlo. Verder werd in Naarden een lasergraveermachine aantroffen. [medeverdachte 14] was een dag na de inval bij [bedrijf 2] samen met andere verdachten aanwezig bij Jan Tabak in Bussum en heeft vermoedelijk daar een nieuwe telefoon gekregen. Hij communiceerde met het account [accountnaam 6] onder andere met [verdachte] over [bedrijf 1] en over LionLasers in Breda, het bedrijf waar hij de lasergraveermachine onder een valse naam bestelde en waar hij ter plaatse ook instructies ontving omtrent het gebruik.
Volledig
De rechtbank wijst onder meer op een chatsessie met [accountnaam 5] (proces-verbaal [proces-verbaalnummer 1] ) waarin [accountnaam 4] hem instructies geeft. In gesprek met [medeverdachte 4] ( [accountnaam 1] ) over het zoeken van een nieuwe locatie zegt [accountnaam 4] : ‘ Denk dat ik toch noorden kies als die Postduif niet doorgaat ’. Uit andere chats blijkt [medeverdachte 3] ook verantwoordelijk voor de financiële zaken. Zo vraagt [accountnaam 5] of [medeverdachte 3] hem nog “17.5 k” wil betalen voor een oude klus en of hij ook het restant wil meenemen voor [accountnaam 2] ( [medeverdachte 5] ). In de woning van de moeder van [medeverdachte 3] is (handgeschreven) financiële administratie aangetroffen die gerelateerd kan worden aan de hem ten laste gelegde feiten, alsmede diverse stortingsbewijzen van contante stortingen aan [bedrijf 1] vanaf 16 juli 2023. In een notitie wordt ‘2x electrische pompwagens 5.600’ vermeld, wat blijkens het verdere onderzoek lijkt te zien op een voorschot dat [medeverdachte 5] aan [verdachte] heeft geleend. Ten slotte heeft [medeverdachte 3] in de ten laste gelegde periode verschillende ontmoetingen gehad met andere verdachten uit het onderzoek, onder meer bij Jan Tabak in Bussum. [verdachte] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 5] op 16 oktober 2023 de frisdrank-telefoons heeft gekocht. Ze deden samen klusjes en hebben in Lelystad opruimwerkzaamheden verricht, toen de werkzaamheden naar Tynaarlo werden verplaatst vanwege problemen met een milieuvergunning. Volgens zijn verklaring had hij online toegang tot de beveiligingscamera’s rondom de loods in Lelystad en keek hij die beelden ook uit. Verder heeft hij het verslepen van de bakwagens naar Tynaarlo geregeld. [verdachte] heeft bevestigd dat hij meermalen aanwezig is geweest op plaatsen waar op dat moment ook de verdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] waren. Met [medeverdachte 3] ( [accountnaam 4] ) en met anderen communiceerde hij via het account [accountnaam 5] met de frisdranktelefoon. Hij had het beheer over [bedrijf 1] , ondernam activiteiten namens die onderneming en gebruikte ook de [telefoon 4] , die in Tynaarlo werd aangetroffen en gekoppeld was aan [bedrijf 1] Hij is de eigenaar van de laptoptas die in de auto is aangetroffen met daarin een laptop en de kassabonnetjes. Op de laptop zijn facturen aangetroffen van [bedrijf 1] ten behoeve van [bedrijf 4] Over het betalen van facturen aan dit bedrijf is via de frisdranktelefoons gesproken door de verdachten [medeverdachte 3] en [verdachte] . Bij de doorzoeking van de woning van de moeder van [medeverdachte 3] zijn stortingsbewijzen aangetroffen van contante stortingen aan [bedrijf 1] vanaf 16 juli 2023. In de laptoptas werden notities aangetroffen met betrekking tot [bedrijf 5] , waaronder inloggegevens van online-accounts en uittreksels van de Kamer van Koophandel, waarover eveneens door de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 3] in de chat wordt gecommuniceerd. Zij spreken daarin over de ‘rv telefoon’ en over het in beheer hebben van deze B.V. [medeverdachte 5] heeft bevestigd dat hij [verdachte] op 25 oktober 2023 naar Tynaarlo heeft gebracht, waar [verdachte] in het kantoor achter de computer ging zitten. Eerder die dag heeft hij [verdachte] naar Lelystad vervoerd. Er stonden daar bakwagens die later naar Tynaarlo werden gebracht. [medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij de Samsung-telefoon met het [accountnaam 2] -account van [verdachte] heeft gekregen. In deze telefoon stonden ook de andere frisdrank-contacten. Verder heeft [medeverdachte 5] erkend dat hij op verschillende momenten (samen met [verdachte] ) in het gezelschap van andere verdachten is geweest, onder andere met de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] bij Jan Tabak in Bussum. Uit onderzoek aan de privé-telefoon van [medeverdachte 5] valt af te leiden dat hij enkele dagen voor de inval samen met andere verdachten in Wernhout is geweest om (lege) bananendozen te halen. Ook geeft het onderzoek naar de reisbewegingen van de telefoon aanwijzingen dat [medeverdachte 5] betrokken is geweest bij de contante stortingen op de rekening van [bedrijf 1] [medeverdachte 4] is op 25 oktober 2023 in Tynaarlo aangehouden en heeft geen verklaring willen afleggen. Hij wordt gekoppeld aan het account [accountnaam 1] , dat is aangetroffen op de telefoon die bij zijn aanhouding onder hem in beslag is genomen. Op de [telefoon 3] zijn verwijderde notities aangetroffen uit de periode van 17 tot en met 23 oktober 2023. In de notities wordt onder meer gesproken over een pand dat niet doorgaat, over een ander gevonden pand dat beter lijkt, over Belgische bussen die worden weggebracht en over dozen die op de terugweg worden opgehaald. In een notitie van 17 oktober 2023 (de dag na de inval in de loods in Bleiswijk) wordt gezegd dat ze een groot probleem hebben en blijkt dat er totale paniek is. [medeverdachte 4] zegt dat hij denkt dat hij vandaag of morgen ook wordt opgehaald en van de weg wordt gereden door een arrestatieteam. Vanaf de [telefoon 3] wordt gecommuniceerd met andere frisdranktelefoons, waarbij met [medeverdachte 3] onder andere wordt besproken welke loods uiteindelijk zal worden gebruikt. [medeverdachte 4] heeft daarnaast contact met de verdachten [medeverdachte 13] ( [accountnaam 3] ) en [medeverdachte 10] ( [accountnaam 7] ). Hij is op cruciale momenten aanwezig in Tynaarlo, bij Jan Tabak in Bussum en in Wernhout, telkens in gezelschap van andere verdachten. [medeverdachte 10] heeft verklaard dat hij is benaderd met de vraag of hij de loods in Tynaarlo wilde verhuren en dat hij hierin heeft toegestemd. Hoewel hij enige wetenschap van drugsgerelateerde strafbare feiten ontkent, blijkt uit het dossier dat zijn betrokkenheid verder ging dan alleen het verhuren van de loods. Op de dag van zijn aanhouding is bij hem een telefoon aangetroffen met daarop het account [accountnaam 7] . Op basis van het proces-verbaal van bevindingen met nummer [proces-verbaalnummer 2] ziet de rechtbank geen aanwijzingen dat dit toestel door andere personen werd gebruikt dan [medeverdachte 10] . Vanaf dit account communiceert hij onder andere met [medeverdachte 3] over de levering van containers en over het regelen van hotelkamers omstreeks 25 oktober 2023. Ook is er op het [accountnaam 1] account contact met [medeverdachte 4] . Op de telefoon van [medeverdachte 10] wordt een afbeelding gevonden van een factuur van [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] met betrekking tot het transport van twee containers calciumcarbonaat vanuit Zuid-Amerika. De verdachte heeft deze transactie bevestigd en heeft verklaard dat hij de lading wilde verkopen aan de vleesindustrie. Dit is echter onwaarschijnlijk, zo blijkt uit het onderzoek. Het bestelde calciumcarbonaat blijkt niet geschikt voor menselijke consumptie en is vanuit Zuid-Amerika voor een (veel) hogere prijs aangekocht dan gangbaar is bij aankoop binnen Europa. De rechtbank acht daarom, net als de politie, aannemelijk dit een testzending betrof en dat dit transport verband hield met de voorbereiding van drugsgerelateerde strafbare feiten. [medeverdachte 14] is op 10 januari 2024 aangehouden en heeft geen verklaring willen afleggen. Bij zijn aanhouding is een huurcontract van een loods in Naarden gevonden, waar bij een doorzoeking later een partij van 3,8 miljoen Tramadol-pillen werd aangetroffen. In die loods zijn ook rollen stickers met het opschrift Dole en Rainforest Alliance in beslag genomen, die blijkens het onderzoek aan de frisdranktelefoons waren bedoeld voor de (ompak)werkzaamheden in Tynaarlo. Verder werd in Naarden een lasergraveermachine aantroffen. [medeverdachte 14] was een dag na de inval bij [bedrijf 2] samen met andere verdachten aanwezig bij Jan Tabak in Bussum en heeft vermoedelijk daar een nieuwe telefoon gekregen. Hij communiceerde met het account [accountnaam 6] onder andere met [verdachte] over [bedrijf 1] en over LionLasers in Breda, het bedrijf waar hij de lasergraveermachine onder een valse naam bestelde en waar hij ter plaatse ook instructies ontving omtrent het gebruik.
Volledig
De papieren gebruiksaanwijzing van dit specifieke apparaat werd aangetroffen in een verborgen ruimte in een van de bakwagens in Tynaarlo. Ook wordt in de chat gesproken over een kabeltje dat door LionLasers zou worden nagestuurd op hetzelfde adres als waarop eerder de graveermachine werd bezorgd (de loods in Lelystad). Op de telefoon van [verdachte] is een foto gevonden van de lasergraveermachine op de achterbank van een auto; in de chat wordt gesproken over de wijze waarop het apparaat het best (van Lelystad naar Naarden) kan worden vervoerd. Uit het dossier maakt de rechtbank op dat [medeverdachte 14] de administratie van [bedrijf 1] heeft overgenomen van [verdachte] nadat deze werd aangehouden. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank verder af dat [medeverdachte 14] voorafgaand aan de inval in de loods in Tynaarlo samen met andere verdachten in Wernhout is geweest om daar (lege) bananendozen te halen. [medeverdachte 13] heeft geen inhoudelijke verklaring willen afleggen, maar heeft ontkend dat hij gebruik maakte van het account [accountnaam 3] . Uit het onderzoek blijkt echter het tegendeel. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 13] een dag na de inval bij [bedrijf 2] samen met andere verdachten aanwezig was bij Jan Tabak in Bussum en daar kennelijk een nieuwe telefoon heeft ontvangen. Vanaf dat moment is namelijk te zien dat de telefoon met het account [accountnaam 3] in grote lijnen dezelfde reisbewegingen maakt als de privé-telefoon van [medeverdachte 13] , onder andere tijdens zijn verblijf in Malaga (Spanje). In de nachtelijke uren straalt de [accountnaam 3] telefoon aan nabij het huisadres van [medeverdachte 13] . Uit de communicatie via het [accountnaam 3] blijkt betrokkenheid van [medeverdachte 13] bij de voorbereiding van drugsgerelateerde strafbare feiten. Zo meldt de beheerder van de loods in Lelystad ( [medeverdachte 15] ) aan [accountnaam 3] dat er problemen zijn met de milieuvergunning, wat door [accountnaam 3] vervolgens verder wordt besproken met onder meer de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] . Er wordt gesproken over het vinden van een nieuwe loods, een zoektocht waaraan [accountnaam 3] actief deelneemt. [medeverdachte 13] is daarnaast meermalen op verschillende locaties in het gezelschap gezien van andere verdachten en was op cruciale momenten aanwezig bij Jan Tabak in Bussum. Samen met [medeverdachte 15] brengt [medeverdachte 13] een aan de criminele organisatie te relateren voertuig (Volkswagen Taigo met kenteken [kenteken 2] ) weg. Ook is hij meermalen gezien bij [bedrijf 2] (26Rouen), voorafgaand aan de inval in de loods in Bleiswijk. Bij zijn aanhouding is op de privé-telefoon van [medeverdachte 13] een tweetal afbeeldingen aangetroffen met containernummers en een Bill of Lading. Deze Bill of Lading heeft betrekking op het eerder genoemde transport van calciumcarbonaat, waarbij als afleveradres [bedrijf 3] in Tynaarlo wordt vermeld. Chats en afbeeldingen op de telefoon geven daarnaast aanwijzingen voor betrokkenheid van [medeverdachte 13] bij andere drugsgerelateerde strafbare feiten buiten de ten laste gelegde periode. [medeverdachte 1] heeft, zoals hiervoor besproken, bij zijn aanhouding een verklaring afgelegd die door de rechtbank als betrouwbaar wordt aangemerkt en die op belangrijke onderdelen wordt ondersteund door het onderzoek van de politie. Uit zijn verklaring blijkt dat hij wetenschap had van het drugsgerelateerde karakter van zijn werkzaamheden, naar hij zei te vermoeden cocaïne. Hij was de chauffeur van de vrachtwagen waarmee de bananen naar Tynaarlo zijn gebracht en was op belangrijke momenten aanwezig in Tynaarlo, Lelystad en Wernhout, waar hij onder begeleiding van enkele medeverdachten (lege) bananendozen ophaalde. Hij communiceerde rondom de levering in Tynaarlo met het account [naam 5] , en ontving langs deze weg instructies van [medeverdachte 3] ( [accountnaam 4] ). [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij voor zijn bijdrage van twee transporten ongeveer 80.000 euro zou ontvangen. Parallellen tussen de onderzoeken 26Rouen en 26StLouis De rechtbank stelt vast dat uit het voorgaande blijkt dat de onderzoeken 26Rouen en 26StLouis een aantal opvallende parallellen vertonen. Buiten de omstandigheid dat meerdere verdachten in beide onderzoeken naar voren komen, zijn deze parallellen ook te trekken met betrekking tot de modus operandi. Zo wordt in beide onderzoeken door de kerngroep van verdachten gecommuniceerd via telefoons met schuilnamen rondom een concreet thema (sterke dranken in 26Rouen en frisdranken in 26StLouis). Hierbij valt het op dat vrijwel direct na de inval bij [bedrijf 2] nieuwe telefoons worden aangeschaft en geactiveerd ten behoeve van het openhouden van de (versluierde) communicatielijnen. In beide zaken worden ‘testdagen’ gehouden. Uit de notities die zijn aangetroffen in de woning van de moeder van [medeverdachte 3] blijkt dat op 10 oktober 2023 een testdag plaatsvond. Op die dag stralen de telefoons van de verdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 16] en [verdachte] aan in Lelystad. Op 11 oktober 2023 wordt bij [bedrijf 2] een aantal uren in de loods geoefend met pompwagens, het verplaatsen van (lege) dozen en het in- en uitladen van een vrachtwagen. Daar zijn onder meer de verdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 13] bij aanwezig. Verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] bespreken ook een testdag op 24 oktober 2023 in Lelystad. Uit de verklaringen van de verdachten [medeverdachte 5] en [verdachte] leidt de rechtbank af dat het de bedoeling was dat ook in Tynaarlo geoefend zou gaan worden met het omstickeren en ompakken van bananen. In beide zaken vinden meermaals ontmoetingen plaats tussen de verdachten, in wisselende samenstellingen, bij hotels en op andere openbare plaatsen. Vooral het hotel Jan Tabak in Bussum blijkt een belangrijke ontmoetingsplaats te zijn. Bij dat hotel worden ook de telefoons met schuilnamen uitgedeeld/overgedragen. In beide zaken wordt gebruik gemaakt van een bedrijvenstructuur door middel waarvan getracht wordt de invoer van verdovende middelen mogelijk te maken. [bedrijf 1] lijkt daarbij de spil te zijn, maar er blijkt ook betrokkenheid van de bedrijven [bedrijf 6] , [bedrijf 7] en [bedrijf 8] Hoewel de verdachten zelf niet (op formele wijze) met deze bedrijven verbonden zijn, ondernemen zij wel activiteiten voor en namens deze bedrijven. Zo communiceerde [verdachte] namens [bedrijf 1] en verrichtte hij administratieve werkzaamheden voor dit bedrijf. De loods bij [bedrijf 2] werd verhuurd aan [bedrijf 1] , de lasergraveermachine werd gekocht op naam van [bedrijf 1] en meerdere verdachten reden in auto’s die werden verhuurd aan [bedrijf 1] [medeverdachte 14] nam het beheer met betrekking tot [bedrijf 1] over, nadat [verdachte] werd aangehouden. Nadat ook [medeverdachte 14] werd aangehouden, lijkt deze rol te zijn overgenomen door [medeverdachte 13] . In de auto waarin de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 5] werden aangehouden lag een Samsung A14 telefoon, die was geprepareerd voor de bedrijven [bedrijf 6] en [bedrijf 7] . Dit laatste bedrijf is de huurder van de loods in Naarden. De huurovereenkomst daarvoor werd aangetroffen bij [medeverdachte 14] op het moment van zijn aanhouding. Rol per verdachte De rechtbank stelt met betrekking tot de rolverdeling van de verschillende verdachten bij de hen ten laste gelegde feiten het volgende vast: [medeverdachte 3] had zowel ten aanzien van 26Rouen als in de zaak 26StLouis een aansturende rol. Hij heeft versluierd gecommuniceerd met verschillende medeverdachten, nam op bepalende momenten belangrijke beslissingen, was verantwoordelijk voor de financiën, en gaf de andere verdachten opdrachten en instructies . [verdachte] heeft zowel in de zaak 26Rouen als in 26StLouis een logistieke, administratieve en ondersteunende rol gehad.
Volledig
De papieren gebruiksaanwijzing van dit specifieke apparaat werd aangetroffen in een verborgen ruimte in een van de bakwagens in Tynaarlo. Ook wordt in de chat gesproken over een kabeltje dat door LionLasers zou worden nagestuurd op hetzelfde adres als waarop eerder de graveermachine werd bezorgd (de loods in Lelystad). Op de telefoon van [verdachte] is een foto gevonden van de lasergraveermachine op de achterbank van een auto; in de chat wordt gesproken over de wijze waarop het apparaat het best (van Lelystad naar Naarden) kan worden vervoerd. Uit het dossier maakt de rechtbank op dat [medeverdachte 14] de administratie van [bedrijf 1] heeft overgenomen van [verdachte] nadat deze werd aangehouden. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank verder af dat [medeverdachte 14] voorafgaand aan de inval in de loods in Tynaarlo samen met andere verdachten in Wernhout is geweest om daar (lege) bananendozen te halen. [medeverdachte 13] heeft geen inhoudelijke verklaring willen afleggen, maar heeft ontkend dat hij gebruik maakte van het account [accountnaam 3] . Uit het onderzoek blijkt echter het tegendeel. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 13] een dag na de inval bij [bedrijf 2] samen met andere verdachten aanwezig was bij Jan Tabak in Bussum en daar kennelijk een nieuwe telefoon heeft ontvangen. Vanaf dat moment is namelijk te zien dat de telefoon met het account [accountnaam 3] in grote lijnen dezelfde reisbewegingen maakt als de privé-telefoon van [medeverdachte 13] , onder andere tijdens zijn verblijf in Malaga (Spanje). In de nachtelijke uren straalt de [accountnaam 3] telefoon aan nabij het huisadres van [medeverdachte 13] . Uit de communicatie via het [accountnaam 3] blijkt betrokkenheid van [medeverdachte 13] bij de voorbereiding van drugsgerelateerde strafbare feiten. Zo meldt de beheerder van de loods in Lelystad ( [medeverdachte 15] ) aan [accountnaam 3] dat er problemen zijn met de milieuvergunning, wat door [accountnaam 3] vervolgens verder wordt besproken met onder meer de verdachten [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] . Er wordt gesproken over het vinden van een nieuwe loods, een zoektocht waaraan [accountnaam 3] actief deelneemt. [medeverdachte 13] is daarnaast meermalen op verschillende locaties in het gezelschap gezien van andere verdachten en was op cruciale momenten aanwezig bij Jan Tabak in Bussum. Samen met [medeverdachte 15] brengt [medeverdachte 13] een aan de criminele organisatie te relateren voertuig (Volkswagen Taigo met kenteken [kenteken 2] ) weg. Ook is hij meermalen gezien bij [bedrijf 2] (26Rouen), voorafgaand aan de inval in de loods in Bleiswijk. Bij zijn aanhouding is op de privé-telefoon van [medeverdachte 13] een tweetal afbeeldingen aangetroffen met containernummers en een Bill of Lading. Deze Bill of Lading heeft betrekking op het eerder genoemde transport van calciumcarbonaat, waarbij als afleveradres [bedrijf 3] in Tynaarlo wordt vermeld. Chats en afbeeldingen op de telefoon geven daarnaast aanwijzingen voor betrokkenheid van [medeverdachte 13] bij andere drugsgerelateerde strafbare feiten buiten de ten laste gelegde periode. [medeverdachte 1] heeft, zoals hiervoor besproken, bij zijn aanhouding een verklaring afgelegd die door de rechtbank als betrouwbaar wordt aangemerkt en die op belangrijke onderdelen wordt ondersteund door het onderzoek van de politie. Uit zijn verklaring blijkt dat hij wetenschap had van het drugsgerelateerde karakter van zijn werkzaamheden, naar hij zei te vermoeden cocaïne. Hij was de chauffeur van de vrachtwagen waarmee de bananen naar Tynaarlo zijn gebracht en was op belangrijke momenten aanwezig in Tynaarlo, Lelystad en Wernhout, waar hij onder begeleiding van enkele medeverdachten (lege) bananendozen ophaalde. Hij communiceerde rondom de levering in Tynaarlo met het account [naam 5] , en ontving langs deze weg instructies van [medeverdachte 3] ( [accountnaam 4] ). [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij voor zijn bijdrage van twee transporten ongeveer 80.000 euro zou ontvangen. Parallellen tussen de onderzoeken 26Rouen en 26StLouis De rechtbank stelt vast dat uit het voorgaande blijkt dat de onderzoeken 26Rouen en 26StLouis een aantal opvallende parallellen vertonen. Buiten de omstandigheid dat meerdere verdachten in beide onderzoeken naar voren komen, zijn deze parallellen ook te trekken met betrekking tot de modus operandi. Zo wordt in beide onderzoeken door de kerngroep van verdachten gecommuniceerd via telefoons met schuilnamen rondom een concreet thema (sterke dranken in 26Rouen en frisdranken in 26StLouis). Hierbij valt het op dat vrijwel direct na de inval bij [bedrijf 2] nieuwe telefoons worden aangeschaft en geactiveerd ten behoeve van het openhouden van de (versluierde) communicatielijnen. In beide zaken worden ‘testdagen’ gehouden. Uit de notities die zijn aangetroffen in de woning van de moeder van [medeverdachte 3] blijkt dat op 10 oktober 2023 een testdag plaatsvond. Op die dag stralen de telefoons van de verdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 16] en [verdachte] aan in Lelystad. Op 11 oktober 2023 wordt bij [bedrijf 2] een aantal uren in de loods geoefend met pompwagens, het verplaatsen van (lege) dozen en het in- en uitladen van een vrachtwagen. Daar zijn onder meer de verdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 13] bij aanwezig. Verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] bespreken ook een testdag op 24 oktober 2023 in Lelystad. Uit de verklaringen van de verdachten [medeverdachte 5] en [verdachte] leidt de rechtbank af dat het de bedoeling was dat ook in Tynaarlo geoefend zou gaan worden met het omstickeren en ompakken van bananen. In beide zaken vinden meermaals ontmoetingen plaats tussen de verdachten, in wisselende samenstellingen, bij hotels en op andere openbare plaatsen. Vooral het hotel Jan Tabak in Bussum blijkt een belangrijke ontmoetingsplaats te zijn. Bij dat hotel worden ook de telefoons met schuilnamen uitgedeeld/overgedragen. In beide zaken wordt gebruik gemaakt van een bedrijvenstructuur door middel waarvan getracht wordt de invoer van verdovende middelen mogelijk te maken. [bedrijf 1] lijkt daarbij de spil te zijn, maar er blijkt ook betrokkenheid van de bedrijven [bedrijf 6] , [bedrijf 7] en [bedrijf 8] Hoewel de verdachten zelf niet (op formele wijze) met deze bedrijven verbonden zijn, ondernemen zij wel activiteiten voor en namens deze bedrijven. Zo communiceerde [verdachte] namens [bedrijf 1] en verrichtte hij administratieve werkzaamheden voor dit bedrijf. De loods bij [bedrijf 2] werd verhuurd aan [bedrijf 1] , de lasergraveermachine werd gekocht op naam van [bedrijf 1] en meerdere verdachten reden in auto’s die werden verhuurd aan [bedrijf 1] [medeverdachte 14] nam het beheer met betrekking tot [bedrijf 1] over, nadat [verdachte] werd aangehouden. Nadat ook [medeverdachte 14] werd aangehouden, lijkt deze rol te zijn overgenomen door [medeverdachte 13] . In de auto waarin de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 5] werden aangehouden lag een Samsung A14 telefoon, die was geprepareerd voor de bedrijven [bedrijf 6] en [bedrijf 7] . Dit laatste bedrijf is de huurder van de loods in Naarden. De huurovereenkomst daarvoor werd aangetroffen bij [medeverdachte 14] op het moment van zijn aanhouding. Rol per verdachte De rechtbank stelt met betrekking tot de rolverdeling van de verschillende verdachten bij de hen ten laste gelegde feiten het volgende vast: [medeverdachte 3] had zowel ten aanzien van 26Rouen als in de zaak 26StLouis een aansturende rol. Hij heeft versluierd gecommuniceerd met verschillende medeverdachten, nam op bepalende momenten belangrijke beslissingen, was verantwoordelijk voor de financiën, en gaf de andere verdachten opdrachten en instructies . [verdachte] heeft zowel in de zaak 26Rouen als in 26StLouis een logistieke, administratieve en ondersteunende rol gehad.
Volledig
Hij heeft versluierd gecommuniceerd met verschillende medeverdachten, was op belangrijke momenten – onder andere op de testdagen – aanwezig op de betrokken locaties, heeft namens de bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 7] gehandeld (onder meer bij het organiseren van het transport) en heeft de betrokken telefoons geregeld. [medeverdachte 4] heeft in zowel 26Rouen als in 26StLouis een logistieke en coördinerende rol gehad en was actief betrokken bij de oefendagen. Hij is op cruciale momenten aanwezig geweest en heeft met medeverdachten versluierd gecommuniceerd. In Bleiswijk was hij betrokken bij het vervoer van enkele medeverdachten naar de loods, die daar korte tijd later zijn aangehouden. [medeverdachte 5] heeft in de zaken 26Rouen en 26StLouis vooral een uitvoerende rol gehad. Hij is – voornamelijk samen met [verdachte] – betrokken bij voorbereidende activiteiten, zoals de aankoop en overdracht van telefoons, en heeft uitvoerende handelingen verricht. [medeverdachte 13] heeft in de zaak 26StLouis een organiserende rol gehad. Hij heeft versluierd gecommuniceerd, was op meerdere locaties op bepalende momenten aanwezig, was betrokken bij het zoeken naar een nieuwe loods en heeft – nadat enkele medeverdachten waren aangehouden – een deel van de logistieke rol van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 14] overgenomen. [medeverdachte 14] heeft in de zaak 26StLouis een organiserende rol gehad. Hij kocht de lasergraveermachine en regelde de loods in Naarden. Ook hij heeft versluierd gecommuniceerd met andere verdachte en heeft hij – nadat enkele medeverdachten waren aangehouden – een deel van de administratieve en ondersteunde rol van [verdachte] overgenomen. [medeverdachte 10] heeft in de zaak 26StLouis een uitvoerende rol gehad. Hij heeft de loods in Tynaarlo verhuurd en heeft de activiteiten ter plaatse gefaciliteerd. Hij heeft met andere verdachten versluierd gecommuniceerd en was betrokken bij vermoedelijke testzendingen. [medeverdachte 1] heeft in de zaak 26StLouis een uitvoerende rol gehad. Hij was de chauffeur van de vrachtwagen waarmee de bananen zijn geleverd en heeft in Wernhout lege bananendozen zijn opgehaald. Ook hij is op een testdag aanwezig geweest. De rechtbank concludeert dat de hiervoor genoemde verdachten allen betrokken zijn geweest bij de voorbereiding van drugsgerelateerde strafbare feiten, zoals aan hen ten laste is gelegd. Ten aanzien van de verdachten [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] stelt de rechtbank daarnaast vast dat zij in de ten laste gelegde periode ook betrokken zijn geweest bij de invoer van ruim 7.700 kilo cocaïne in Nederland. Gelet op de hiervoor besproken parallellen tussen het onderzoek 26Rouen en het onderzoek 26StLouis, stelt de rechtbank vast dat de bewezen voorbereidingshandelingen ook in deze laatste zaak betrekking hebben gehad op de invoer en verdere verwerking van cocaïne. Wetenschap, opzet en medeplegen Dat [verdachte] geen wetenschap van of (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het ten laste gelegde acht de rechtbank gelet op de gevoerde communicatie, verrichtte handelingen en hetgeen hiervoor uitvoerig is overwogen niet aannemelijk. Dit verweer wordt daarom verworpen. Voor de kwalificatie van medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij is van belang dat de intellectuele en/of materiële bijdrage van een verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De rechter kan bij die beoordeling onder meer rekening houden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Met zijn handelen, zoals hiervoor nader omschreven, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank een bijdrage van voldoende gewicht geleverd bij de voltooiing van het ten laste gelegde. De rechtbank is, gelet op het handelen van de verdachte en gelet op de intensieve samenwerking met medeverdachten, dan ook van oordeel dat sprake is van medeplegen. Crimineel samenwerkingsverband in het kader van artikel 11b van de Opiumwet Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen concludeert de rechtbank dat de verdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 14] en [medeverdachte 13] hebben gehandeld binnen het kader van een crimineel samenwerkingsverband, waarbij sprake was van een duidelijke rolverdeling. Dat de organisatie de invoer van cocaïne tot oogmerk had, blijkt uit de hiervoor besproken resultaten van de onderzoeken 26Rouen en 26StLouis. Dit wordt onderstreept door het feit dat door de verdachten verrichte handelingen en hun onderlinge communicatie en ontmoetingen zich uitstrekken over een langere periode. Dat de verdachten op de hoogte waren van het criminele oogmerk van de organisatie acht de rechtbank in het licht van al het voorgaande evident. Het feit dat de verdachten [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] worden veroordeeld voor de invoer van een grote partij cocaïne en daarnaast voor het plegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van een volgende invoer van cocaïne, illustreert het kennelijke voornemen om die samenwerking nog langer voort te zetten. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande het bestaan van een samenwerkingsverband van voldoende structuur en duurzaamheid als bedoeld in artikel 140 Sr wettig en overtuigend is bewezen. Bewezenverklaring van feiten 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1, feit 2 en feit 3 primair ten laste gelegde zoals hiervoor is overwogen wettig en overtuigend is bewezen. 3.3.3. Volledige bewezenverklaring Bewezen is dat: Feit 1. hij in de periode van 16 juli 2023 tot en met 10 januari 2024 te Bleiswijk en Tynaarlo en Lelystad en Bussum, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten verdachte n [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 14] en [medeverdachte 13] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vierde en vijfde lid en/of 11a Opiumwet.
Volledig
Hij heeft versluierd gecommuniceerd met verschillende medeverdachten, was op belangrijke momenten – onder andere op de testdagen – aanwezig op de betrokken locaties, heeft namens de bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 7] gehandeld (onder meer bij het organiseren van het transport) en heeft de betrokken telefoons geregeld. [medeverdachte 4] heeft in zowel 26Rouen als in 26StLouis een logistieke en coördinerende rol gehad en was actief betrokken bij de oefendagen. Hij is op cruciale momenten aanwezig geweest en heeft met medeverdachten versluierd gecommuniceerd. In Bleiswijk was hij betrokken bij het vervoer van enkele medeverdachten naar de loods, die daar korte tijd later zijn aangehouden. [medeverdachte 5] heeft in de zaken 26Rouen en 26StLouis vooral een uitvoerende rol gehad. Hij is – voornamelijk samen met [verdachte] – betrokken bij voorbereidende activiteiten, zoals de aankoop en overdracht van telefoons, en heeft uitvoerende handelingen verricht. [medeverdachte 13] heeft in de zaak 26StLouis een organiserende rol gehad. Hij heeft versluierd gecommuniceerd, was op meerdere locaties op bepalende momenten aanwezig, was betrokken bij het zoeken naar een nieuwe loods en heeft – nadat enkele medeverdachten waren aangehouden – een deel van de logistieke rol van de verdachten [verdachte] en [medeverdachte 14] overgenomen. [medeverdachte 14] heeft in de zaak 26StLouis een organiserende rol gehad. Hij kocht de lasergraveermachine en regelde de loods in Naarden. Ook hij heeft versluierd gecommuniceerd met andere verdachte en heeft hij – nadat enkele medeverdachten waren aangehouden – een deel van de administratieve en ondersteunde rol van [verdachte] overgenomen. [medeverdachte 10] heeft in de zaak 26StLouis een uitvoerende rol gehad. Hij heeft de loods in Tynaarlo verhuurd en heeft de activiteiten ter plaatse gefaciliteerd. Hij heeft met andere verdachten versluierd gecommuniceerd en was betrokken bij vermoedelijke testzendingen. [medeverdachte 1] heeft in de zaak 26StLouis een uitvoerende rol gehad. Hij was de chauffeur van de vrachtwagen waarmee de bananen zijn geleverd en heeft in Wernhout lege bananendozen zijn opgehaald. Ook hij is op een testdag aanwezig geweest. De rechtbank concludeert dat de hiervoor genoemde verdachten allen betrokken zijn geweest bij de voorbereiding van drugsgerelateerde strafbare feiten, zoals aan hen ten laste is gelegd. Ten aanzien van de verdachten [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] stelt de rechtbank daarnaast vast dat zij in de ten laste gelegde periode ook betrokken zijn geweest bij de invoer van ruim 7.700 kilo cocaïne in Nederland. Gelet op de hiervoor besproken parallellen tussen het onderzoek 26Rouen en het onderzoek 26StLouis, stelt de rechtbank vast dat de bewezen voorbereidingshandelingen ook in deze laatste zaak betrekking hebben gehad op de invoer en verdere verwerking van cocaïne. Wetenschap, opzet en medeplegen Dat [verdachte] geen wetenschap van of (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het ten laste gelegde acht de rechtbank gelet op de gevoerde communicatie, verrichtte handelingen en hetgeen hiervoor uitvoerig is overwogen niet aannemelijk. Dit verweer wordt daarom verworpen. Voor de kwalificatie van medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij is van belang dat de intellectuele en/of materiële bijdrage van een verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De rechter kan bij die beoordeling onder meer rekening houden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, uitvoering of afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Met zijn handelen, zoals hiervoor nader omschreven, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank een bijdrage van voldoende gewicht geleverd bij de voltooiing van het ten laste gelegde. De rechtbank is, gelet op het handelen van de verdachte en gelet op de intensieve samenwerking met medeverdachten, dan ook van oordeel dat sprake is van medeplegen. Crimineel samenwerkingsverband in het kader van artikel 11b van de Opiumwet Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen concludeert de rechtbank dat de verdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 14] en [medeverdachte 13] hebben gehandeld binnen het kader van een crimineel samenwerkingsverband, waarbij sprake was van een duidelijke rolverdeling. Dat de organisatie de invoer van cocaïne tot oogmerk had, blijkt uit de hiervoor besproken resultaten van de onderzoeken 26Rouen en 26StLouis. Dit wordt onderstreept door het feit dat door de verdachten verrichte handelingen en hun onderlinge communicatie en ontmoetingen zich uitstrekken over een langere periode. Dat de verdachten op de hoogte waren van het criminele oogmerk van de organisatie acht de rechtbank in het licht van al het voorgaande evident. Het feit dat de verdachten [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] worden veroordeeld voor de invoer van een grote partij cocaïne en daarnaast voor het plegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van een volgende invoer van cocaïne, illustreert het kennelijke voornemen om die samenwerking nog langer voort te zetten. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande het bestaan van een samenwerkingsverband van voldoende structuur en duurzaamheid als bedoeld in artikel 140 Sr wettig en overtuigend is bewezen. Bewezenverklaring van feiten 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1, feit 2 en feit 3 primair ten laste gelegde zoals hiervoor is overwogen wettig en overtuigend is bewezen. 3.3.3. Volledige bewezenverklaring Bewezen is dat: Feit 1. hij in de periode van 16 juli 2023 tot en met 10 januari 2024 te Bleiswijk en Tynaarlo en Lelystad en Bussum, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten verdachte n [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 14] en [medeverdachte 13] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vierde en vijfde lid en/of 11a Opiumwet.
Volledig
Feit 2 hij in de periode van 14 oktober 2023 tot en met 10 januari 2024, te Tynaarlo en Lelystad en Bussum, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten - het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, en - het opzettelijk bewerken en vervoeren, en - het opzettelijk vervaardigen van een hoeveelheid (van een materiaal bevattende) cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende Lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers hebben verdachte en zijn mededaders: • versluierd gecommuniceerd met medeverdachten welke gebruik maakten van (frisdrank)bijnamen, en • een of meerdere telefoon contant aangekocht, en • het transport (inclusief chauffeur) van cocaïne geregeld • gebruik gemaakt van een loods die diende als opslagplaats voor nog te leveren cocaïne, en • gebruikgemaakt van een bedrijvenstructuur ( [bedrijf 5] en [bedrijf 9] en [bedrijf 8] en [bedrijf 1] en [bedrijf 10] ) en een financiële administratie bijgehouden, en • ontmoetingen met een of meer medeverdachten gehad in het Van der Valk hotel, het NH Hotel Jan Tabak, bij de loods in Tynaarlo en de KFC in Den Haag, en • het (laten) bewerken van fruit (bananen) ten behoeve van het verdekt transporteren van cocaïne, en daarbij gebruik maken van (bananen)stickers en (lege) bananendozen en • vijf voertuigen (met Belgische kentekens) met professioneel ingebouwde verborgen ruimtes voorhanden gehad, en • een tas met verschillende containerzegels aangetroffen in een van de voertuigen met verborgen ruimte voorhanden gehad, en • een sealapparaat voorhanden gehad en • gecommuniceerd via email en Whatsapp over het invoeren van containers. Feit 3 (primair) hij in de periode van 16 juli 2023 tot en met 16 oktober 2023 via Nederlandse territoriale wateren, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 7717,64 kilogram cocaïne. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: Feit 1 deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid, vijfde lid, artikel 10a, eerste lid, artikel 11, derde lid, vierde lid, vijfde lid en artikel 11a van de Opiumwet. Feit 2 Medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en/of voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit. Feit 3, primair, Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod. 4.2. Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5 Straf 5.1. Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar. 5.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft betoogd dat bij de oplegging van de straf rekening moet worden gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de redelijke termijn. 5.3. Oordeel van de rechtbank 5.3.1. Ernst en omstandigheden van de feiten De verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan de invoer van ruim 7.700 kilo cocaïne en aan voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. Ook nam hij deel aan een criminele organisatie met als oogmerk de invoer van verdovende middelen. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en dragen bij aan de toename van strafbare feiten. Internationale grootschalige drugshandel wordt rechtstreeks in verband gebracht met zeer ernstige (gewelds)delicten, waar de gehele maatschappij de ontwrichtende gevolgen van ondervindt. Hiermee wordt ernstige schade toegebracht aan de veiligheid van de maatschappij en het gevoel van veiligheid van burgers. 5.3.2. Persoon en persoonlijke omstandigheden Strafblad Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 30 januari 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Rapportage Door de verdediging is een rapport van Reclassering Nederland van 13 november 2025 ingebracht, dat is opgemaakt in het kader van een detentie- en re-integratietraject binnen de huidige detentie van de verdachte in de zaak Pimpelmees. Uit het rapport volgt dat er zorgen zijn op financieel gebied, wat een risico vormt voor delictgedrag. De verdachte heeft een stabiele basis waarin hij kan terugkeren na zijn detentie. Er wordt geadviseerd om hem te laten deelnemen aan het detentie- en re-integratietraject, zodat hij gefaseerd kan terugkeren in de maatschappij na een lange detentiestraf. Het recidiverisico wordt laag geschat. 5.3.3. Redelijke termijn De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 26 oktober 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van 2 jaar en ruim 6 maanden verstreken. Omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak 2 jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De overschrijding van de redelijke termijn is echter naar het oordeel van de rechtbank beperkt, zodat deze overschrijding – in het licht van de ernst van de feiten – in matigende zin een beperkte invloed heeft bij bepaling van de op te leggen straf. 5.3.4. Oplegging straf Gelet op de ernst van de bewezen feiten en het strafblad van de verdachte is oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur onvermijdelijk. Het opleggen van een andere straf is niet passend, ook niet wanneer hierin de straf wordt meegewogen die hem recent is opgelegd in de zaak Pimpelmees. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken eerder zijn opgelegd en met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In deze zaak acht de rechtbank de grote hoeveelheid ingevoerde cocaïne (ruim 7.700 kilogram) strafverzwarend. De rechtbank houdt ook rekening met de logistieke, administratieve en ondersteunende rol van de verdachte in de bewezenverklaarde feiten. In het nadeel van de verdachte betrekt de rechtbank voorts de omstandigheid dat een deel van de feiten is gepleegd terwijl zijn voorlopige hechtenis in de zaak Pimpelmees was geschorst, waarbij het ging om soortgelijke verdenkingen. De waarschuwing en de kans die hij in die zaak heeft gekregen om zijn leven op orde te brengen, was kennelijk geen reden voor de verdachte om te stoppen met zijn criminele activiteiten. De ter zitting besproken persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht de rechtbank tegen deze achtergrond onvoldoende zwaarwegend voor een matiging van de op te leggen straf, zoals gevorderd door de officier van justitie. Alles overwegend wordt daarom een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar opgelegd, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend. 6 Voorlopige hechtenis De verdachte is bij beslissing van de rechtbank van 2 februari 2024 geschorst uit de voorlopige hechtenis voor de duur van de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis in de strafzaak met parketnummer 08/310776-21 (onderzoek Pimpelmees).
Volledig
Feit 2 hij in de periode van 14 oktober 2023 tot en met 10 januari 2024, te Tynaarlo en Lelystad en Bussum, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten - het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, en - het opzettelijk bewerken en vervoeren, en - het opzettelijk vervaardigen van een hoeveelheid (van een materiaal bevattende) cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende Lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers hebben verdachte en zijn mededaders: • versluierd gecommuniceerd met medeverdachten welke gebruik maakten van (frisdrank)bijnamen, en • een of meerdere telefoon contant aangekocht, en • het transport (inclusief chauffeur) van cocaïne geregeld • gebruik gemaakt van een loods die diende als opslagplaats voor nog te leveren cocaïne, en • gebruikgemaakt van een bedrijvenstructuur ( [bedrijf 5] en [bedrijf 9] en [bedrijf 8] en [bedrijf 1] en [bedrijf 10] ) en een financiële administratie bijgehouden, en • ontmoetingen met een of meer medeverdachten gehad in het Van der Valk hotel, het NH Hotel Jan Tabak, bij de loods in Tynaarlo en de KFC in Den Haag, en • het (laten) bewerken van fruit (bananen) ten behoeve van het verdekt transporteren van cocaïne, en daarbij gebruik maken van (bananen)stickers en (lege) bananendozen en • vijf voertuigen (met Belgische kentekens) met professioneel ingebouwde verborgen ruimtes voorhanden gehad, en • een tas met verschillende containerzegels aangetroffen in een van de voertuigen met verborgen ruimte voorhanden gehad, en • een sealapparaat voorhanden gehad en • gecommuniceerd via email en Whatsapp over het invoeren van containers. Feit 3 (primair) hij in de periode van 16 juli 2023 tot en met 16 oktober 2023 via Nederlandse territoriale wateren, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 7717,64 kilogram cocaïne. 4 Kwalificatie en strafbaarheid 4.1. Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: Feit 1 deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid, vijfde lid, artikel 10a, eerste lid, artikel 11, derde lid, vierde lid, vijfde lid en artikel 11a van de Opiumwet. Feit 2 Medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en/of voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit. Feit 3, primair, Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod. 4.2. Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 5 Straf 5.1. Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar. 5.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft betoogd dat bij de oplegging van de straf rekening moet worden gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de redelijke termijn. 5.3. Oordeel van de rechtbank 5.3.1. Ernst en omstandigheden van de feiten De verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan de invoer van ruim 7.700 kilo cocaïne en aan voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. Ook nam hij deel aan een criminele organisatie met als oogmerk de invoer van verdovende middelen. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en dragen bij aan de toename van strafbare feiten. Internationale grootschalige drugshandel wordt rechtstreeks in verband gebracht met zeer ernstige (gewelds)delicten, waar de gehele maatschappij de ontwrichtende gevolgen van ondervindt. Hiermee wordt ernstige schade toegebracht aan de veiligheid van de maatschappij en het gevoel van veiligheid van burgers. 5.3.2. Persoon en persoonlijke omstandigheden Strafblad Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 30 januari 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Rapportage Door de verdediging is een rapport van Reclassering Nederland van 13 november 2025 ingebracht, dat is opgemaakt in het kader van een detentie- en re-integratietraject binnen de huidige detentie van de verdachte in de zaak Pimpelmees. Uit het rapport volgt dat er zorgen zijn op financieel gebied, wat een risico vormt voor delictgedrag. De verdachte heeft een stabiele basis waarin hij kan terugkeren na zijn detentie. Er wordt geadviseerd om hem te laten deelnemen aan het detentie- en re-integratietraject, zodat hij gefaseerd kan terugkeren in de maatschappij na een lange detentiestraf. Het recidiverisico wordt laag geschat. 5.3.3. Redelijke termijn De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 26 oktober 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van 2 jaar en ruim 6 maanden verstreken. Omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak 2 jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. De overschrijding van de redelijke termijn is echter naar het oordeel van de rechtbank beperkt, zodat deze overschrijding – in het licht van de ernst van de feiten – in matigende zin een beperkte invloed heeft bij bepaling van de op te leggen straf. 5.3.4. Oplegging straf Gelet op de ernst van de bewezen feiten en het strafblad van de verdachte is oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur onvermijdelijk. Het opleggen van een andere straf is niet passend, ook niet wanneer hierin de straf wordt meegewogen die hem recent is opgelegd in de zaak Pimpelmees. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken eerder zijn opgelegd en met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. In deze zaak acht de rechtbank de grote hoeveelheid ingevoerde cocaïne (ruim 7.700 kilogram) strafverzwarend. De rechtbank houdt ook rekening met de logistieke, administratieve en ondersteunende rol van de verdachte in de bewezenverklaarde feiten. In het nadeel van de verdachte betrekt de rechtbank voorts de omstandigheid dat een deel van de feiten is gepleegd terwijl zijn voorlopige hechtenis in de zaak Pimpelmees was geschorst, waarbij het ging om soortgelijke verdenkingen. De waarschuwing en de kans die hij in die zaak heeft gekregen om zijn leven op orde te brengen, was kennelijk geen reden voor de verdachte om te stoppen met zijn criminele activiteiten. De ter zitting besproken persoonlijke omstandigheden van de verdachte acht de rechtbank tegen deze achtergrond onvoldoende zwaarwegend voor een matiging van de op te leggen straf, zoals gevorderd door de officier van justitie. Alles overwegend wordt daarom een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar opgelegd, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend. 6 Voorlopige hechtenis De verdachte is bij beslissing van de rechtbank van 2 februari 2024 geschorst uit de voorlopige hechtenis voor de duur van de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis in de strafzaak met parketnummer 08/310776-21 (onderzoek Pimpelmees).
Volledig
De verdachte is in die strafzaak bij vonnis van 27 januari 2025 inmiddels onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie en de verdediging hebben verzocht om bij een veroordeling van de verdachte de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren voor de duur van zijn detentie in de zaak Pimpelmees. Nu de voorlopige hechtenis eerder is geschorst voor de duur van de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis in de zaak Pimpelmees en de verdachte in die zaak inmiddels onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf, zal de rechtbank het geschorste bevel in die zin wijzigen, dat de schorsing van kracht blijft voor de duur van de detentie van de verdachte in de strafzaak met parketnummer 08/310776-21 . 7 Wettelijke voorschriften De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet. 8 Beslissingen De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 (primair), zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd; Kwalificatie en strafbaarheid stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) jaar ; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; Voorlopige hechtenis wijzigt het geschorste bevel van 2 februari 2024, in die zin dat deze thans als volgt heeft te luiden: De rechtbank beveelt dat de voorlopige hechtenis van verdachte in deze strafzaak zal worden geschorst voor de duur van de detentie in de strafzaak met parketnummer 08-310776-21 . 9 Samenstelling rechtbank en ondertekening Dit vonnis is gewezen door: mr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter, en mrs. P.C. Tuinenburg en J.C. Oord, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. L.R. van Zaanen en V.E. Scholtens, griffiers, en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 6 mei 2026. De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage 1 – volledige (nader omschreven/ gewijzigde) tenlastelegging 1 hij in of omstreeks de periode van 16 juli 2023 tot en met 10 januari 2024 te Bleiswijk en/of Tynaarlo en/of Lelystad en/of Bussum, althans (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerking verband van natuurlijke personen, te weten verdachte en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 14] en/of [medeverdachte 13] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vierde en vijfde lid en/of 11a Opiumwet; (art 11b lid 1 Opiumwet) 2 hij op of omstreeks de periode van 14 oktober 2023 tot en met 10 januari 2024, te Tynaarlo en/of Lelystad en/of Bussum, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans alleen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten - het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, en/of - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of - het opzettelijk vervaardigen van één of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of methamfetamine, althans een (grote) hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of methamfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende Lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen, - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/ of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s): • (versluierd) gecommuniceerd met medeverdachten welke gebruik maakten van (frisdrank)bijnamen, en/of • een of meerdere telefoons contant aangekocht, vermoedelijk ten behoeve van voornoemde communicatie tussen medeverdachten, en/of • het regelen van transport (inclusief chauffeur) van vermoedelijk cocaïne en/of verdovende middelen, en/of • gebruik gemaakt van een loods die vermoedelijk diende als opslagplaats voor nog te leveren cocaïne, en/of • gebruikgemaakt van een bedrijvenstructuur ( [bedrijf 5] en/of [bedrijf 9] en/of [bedrijf 8] en/of [bedrijf 1] en/of [bedrijf 10] ) en/of een financiële administratie bijgehouden, en/of • een of meerdere ontmoetingen met een of meer medeverdachten gehad in het Van der Valk hotel, het NH Hotel Jan Tabak, bij de loods in Tynaarlo en de KFC in Den Haag, en/of • het (laten) bewerken van fruit (bananen) ten behoeve van het verdekt transporteren van cocaïne, en/of daarbij onder andere gebruik maken van (bananen)stickers en (lege) bananendozen en/ of • vijf voertuigen (met Belgische kentekens) met professioneel ingebouwde verborgen ruimtes voorhanden gehad, en/ of • een vuurwapen met geluiddemper (aangetroffen in een van de voertuigen met verborgen ruimte) voorhanden gehad, en/of • een tas met verschillende containerzegels waarvan de authenticiteit nog niet is vastgesteld (aangetroffen in een van de voertuigen met verborgen ruimte) voorhanden gehad, en/of • een sealapparaat voorhanden gehad en/of • in een lood aan de [adres 2] verschillende goederen en chemicaliën voorhanden gehad die geschikt zijn voor de grootschalige vervaardiging en/of het be- en verwerken van methamfetamine en/of • gecommuniceerd via email en/of Whatsapp over het invoeren van containers; (Artikel art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art l0a lid 1 ahf/sub 1, 2 en 3 Opiumwet) 3 hij in of omstreeks de periode van 16 juli 2023 tot en met 16 oktober 2023 te Bleiswijk, en/of op/via de Westerschelde, en/of over/via Nederlandse territoriale wateren, in elk geval op een of meer plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 7717,64 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (Artikel art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet) Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij in of omstreeks de periode van 16 juli 2023 tot en met 16 oktober 2023 te Bleiswijk, en/of op/via de Westerschelde, en/of over/via Nederlandse territoriale wateren, in elk geval op een of meer plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, en/ of - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of - het opzettelijk vervaardigen van ongeveer 7717,64 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaf
Volledig
De verdachte is in die strafzaak bij vonnis van 27 januari 2025 inmiddels onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie en de verdediging hebben verzocht om bij een veroordeling van de verdachte de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren voor de duur van zijn detentie in de zaak Pimpelmees. Nu de voorlopige hechtenis eerder is geschorst voor de duur van de tenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis in de zaak Pimpelmees en de verdachte in die zaak inmiddels onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf, zal de rechtbank het geschorste bevel in die zin wijzigen, dat de schorsing van kracht blijft voor de duur van de detentie van de verdachte in de strafzaak met parketnummer 08/310776-21 . 7 Wettelijke voorschriften De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a en 11b van de Opiumwet. 8 Beslissingen De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 (primair), zoals in hoofdstuk 3 is omschreven, heeft gepleegd; Kwalificatie en strafbaarheid stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 4 vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; Straf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) jaar ; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; Voorlopige hechtenis wijzigt het geschorste bevel van 2 februari 2024, in die zin dat deze thans als volgt heeft te luiden: De rechtbank beveelt dat de voorlopige hechtenis van verdachte in deze strafzaak zal worden geschorst voor de duur van de detentie in de strafzaak met parketnummer 08-310776-21 . 9 Samenstelling rechtbank en ondertekening Dit vonnis is gewezen door: mr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter, en mrs. P.C. Tuinenburg en J.C. Oord, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. L.R. van Zaanen en V.E. Scholtens, griffiers, en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 6 mei 2026. De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage 1 – volledige (nader omschreven/ gewijzigde) tenlastelegging 1 hij in of omstreeks de periode van 16 juli 2023 tot en met 10 januari 2024 te Bleiswijk en/of Tynaarlo en/of Lelystad en/of Bussum, althans (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerking verband van natuurlijke personen, te weten verdachte en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 14] en/of [medeverdachte 13] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vierde en vijfde lid en/of 11a Opiumwet; (art 11b lid 1 Opiumwet) 2 hij op of omstreeks de periode van 14 oktober 2023 tot en met 10 januari 2024, te Tynaarlo en/of Lelystad en/of Bussum, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans alleen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten - het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, en/of - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of - het opzettelijk vervaardigen van één of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of methamfetamine, althans een (grote) hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of methamfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende Lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen, - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/ of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, - zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s): • (versluierd) gecommuniceerd met medeverdachten welke gebruik maakten van (frisdrank)bijnamen, en/of • een of meerdere telefoons contant aangekocht, vermoedelijk ten behoeve van voornoemde communicatie tussen medeverdachten, en/of • het regelen van transport (inclusief chauffeur) van vermoedelijk cocaïne en/of verdovende middelen, en/of • gebruik gemaakt van een loods die vermoedelijk diende als opslagplaats voor nog te leveren cocaïne, en/of • gebruikgemaakt van een bedrijvenstructuur ( [bedrijf 5] en/of [bedrijf 9] en/of [bedrijf 8] en/of [bedrijf 1] en/of [bedrijf 10] ) en/of een financiële administratie bijgehouden, en/of • een of meerdere ontmoetingen met een of meer medeverdachten gehad in het Van der Valk hotel, het NH Hotel Jan Tabak, bij de loods in Tynaarlo en de KFC in Den Haag, en/of • het (laten) bewerken van fruit (bananen) ten behoeve van het verdekt transporteren van cocaïne, en/of daarbij onder andere gebruik maken van (bananen)stickers en (lege) bananendozen en/ of • vijf voertuigen (met Belgische kentekens) met professioneel ingebouwde verborgen ruimtes voorhanden gehad, en/ of • een vuurwapen met geluiddemper (aangetroffen in een van de voertuigen met verborgen ruimte) voorhanden gehad, en/of • een tas met verschillende containerzegels waarvan de authenticiteit nog niet is vastgesteld (aangetroffen in een van de voertuigen met verborgen ruimte) voorhanden gehad, en/of • een sealapparaat voorhanden gehad en/of • in een lood aan de [adres 2] verschillende goederen en chemicaliën voorhanden gehad die geschikt zijn voor de grootschalige vervaardiging en/of het be- en verwerken van methamfetamine en/of • gecommuniceerd via email en/of Whatsapp over het invoeren van containers; (Artikel art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art l0a lid 1 ahf/sub 1, 2 en 3 Opiumwet) 3 hij in of omstreeks de periode van 16 juli 2023 tot en met 16 oktober 2023 te Bleiswijk, en/of op/via de Westerschelde, en/of over/via Nederlandse territoriale wateren, in elk geval op een of meer plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 7717,64 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; (Artikel art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet) Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij in of omstreeks de periode van 16 juli 2023 tot en met 16 oktober 2023 te Bleiswijk, en/of op/via de Westerschelde, en/of over/via Nederlandse territoriale wateren, in elk geval op een of meer plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, en/ of - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of - het opzettelijk vervaardigen van ongeveer 7717,64 kilogram cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaf