Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-05-20
ECLI:NL:RBROT:2026:5706
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/6070 tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen [naam 1] , uit [woonplaats] , eiseres en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: [naam 2] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een terugvordering van te veel uitbetaalde Wajong-uitkering. Eiseres is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld. 1.1. De rechtbank komt in deze tussenuitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit gebreken bevat. Het UWV krijgt de mogelijkheid deze gebreken te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het primaire besluit van 1 mei 2025 heeft het UWV bepaald dat eiseres een bedrag van € 1.636,98, dat zij te veel aan Wajong-uitkering heeft ontvangen, dient terug te betalen aan het UWV. Met het bestreden besluit van 30 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld. 2.1. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op zitting behandeld op 25 februari 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het UWV. Beoordeling door de rechtbank Wat is er gebeurd? 3. Eiseres ontvangt een Wajong-uitkering. Over de periode van 13 mei 2024 tot en met 31 augustus 2024 ontving eiseres deze uitkering in de vorm van een voorschot, omdat zij daarnaast ook inkomsten uit werk had. Met het primaire besluit heeft het UWV de hoogte van de uitkering van eiseres over deze periode definitief berekend. Daarbij heeft het UWV vastgesteld dat eiseres in mei 2024 € 436,60 en in augustus 2024 € 1.200,38 (in totaal € 1.636,98) te veel uitkering heeft ontvangen en dient terug te betalen. Met het bestreden besluit is het UWV bij het primaire besluit gebleven. Waar gaat het om in deze zaak? 4. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht heeft bepaald dat eiseres een bedrag van € 1.636,98 moet terugbetalen. De voor de beoordeling van het beroep relevante wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. Het standpunt van eiseres 5. Eiseres voert aan dat zij bij [bedrijf] werkzaam is geweest van 3 mei 2024 tot en met eind juli 2024. Eiseres heeft dit aan het UWV doorgegeven en heeft in de maanden juni en juli 2024 geen voorschot Wajong-uitkering ontvangen. In de maand mei heeft eiseres deels een voorschot op haar Wajong-uitkering ontvangen, omdat ze halverwege de maand mei 2024 feitelijk met haar werkzaamheden is begonnen en zonder voorschot geen inkomen zou hebben om de vaste lasten te voldoen. Per 1 augustus 2024 was zij werkloos. Omdat [bedrijf] het loon per vier weken uitbetaalde, heeft zij op 15 augustus 2024 loon ontvangen dat ziet op gewerkte uren in de maand juli 2024 (week 29, 30 en 31). Volgens eiseres heeft het UWV dit inkomen van [bedrijf] ten onrechte toegerekend aan de maand augustus omdat zij in augustus 2024 niet heeft gewerkt. Die inkomsten waren bedoeld om haar vaste lasten voor de maand juli te voldoen en om schulden af te lossen. De vaste lasten van de maand augustus 2024 heeft eiseres met de ontvangen Wajong-uitkering van die maand betaald. Eiseres stond in die periode (tot aan 1 juni 2025) onder bewind en zat in een MSNP -traject. Door de terugvordering heeft eiseres voor de maand augustus 2024 geen geld om haar vaste lasten te betalen en lopen haar schulden op. Zij is door de terugvordering daarom in financiële problemen gekomen. Het standpunt van het UWV 6. Het UWV heeft het standpunt ingenomen dat moet worden uitgegaan van de loongegevens uit de polisadministratie. Eiseres heeft geen informatie aangeleverd dat de polisadministratie niet juist is. Omdat eiseres het loon van de maand juli 2024 heeft ontvangen in de maand augustus 2024 en [bedrijf] van deze inkomsten in het aangiftetijdvak van de maand augustus 2024 opgave heeft gedaan, is de hoofdregel dat dit loon die Gelet op de geconstateerde gebreken is het bestreden besluit van 30 juni 2025 in strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:51a van de Awb het UWV in de gelegenheid te stellen deze gebreken te herstellen. De rechtbank doet daarom met toepassing van artikel 8:80a van de Awb een tussenuitspraak. Het UWV dient nader te motiveren of er beleid is met betrekking tot het toepassen van artikel 4:1, zevende lid, van het AIB, wat dit beleid inhoudt en of er in dit geval aanleiding bestaat om dit artikellid toe te passen. Daarnaast dient het UWV nader te motiveren of en waarom in dit geval wel of geen sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat, als bedoeld in artikel 4:1, elfde lid, van het AIB. Het UWV kan de gebreken herstellen met hetzij een aanvullende motivering, hetzij voor zover nodig een nieuwe beslissing op bezwaar na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. 10. Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen een week na verzending van deze tussenuitspraak, meedelen aan de rechtbank of gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres, na ontvangst van de reactie van het UWV, in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. 11. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten in beginsel in strijd met de goede procesorde wordt geacht. 12. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: draagt het UWV op binnen een week na verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of het gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen; stelt het UWV in de gelegenheid om binnen drie weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; bepaalt dat eiseres, na ontvangst van de reactie van het UWV, een termijn van vier weken krijgt om hierop te reageren; houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) Artikel 2:59. Terugvordering 1. Een inkomensvoorziening die op grond van dit hoofdstuk onverschuldigd is betaald, hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 2:58 door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen onverschuldigd is betaald of verstrekt, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd. (…) 5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. (…) Algemeen inkomensbesluit sociale zekerheidswetten Artikel 3:2. Inkomen 1. Onder inkomen wordt verstaan: a. hetgeen onder loon wordt verstaan op grond van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringe