Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-05-06
ECLI:NL:RBROT:2026:5676
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
28,255 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5676 text/xml public 2026-05-18T14:41:18 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-05-06 10.019032.25 en 10.245792.24 en TUL: 10.149983.23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Rotterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5676 text/html public 2026-05-18T14:39:06 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5676 Rechtbank Rotterdam , 06-05-2026 / 10.019032.25 en 10.245792.24 en TUL: 10.149983.23 De verdachte wordt veroordeeld voor het doden van een hond, twee bedreigingen, het verduisteren en beschadigen van een voertuig, het vernielen van verschillende autoruiten en voor een auto-inbraak. Er wordt een gevangenisstraf van 179 dagen opgelegd, gelijk aan het voorarrest. Daarnaast wordt de maatregel van tbs met voorwaarden aan de verdachte opgelegd en wordt bevolen dat deze dadelijk uitvoerbaar is. De rechtbank overweegt dat de tbs-maatregel een maatregel is die vrijheidsbeneming kan meebrengen en is daarom niet gehouden het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen, maar schorst het bevel met ingang van het moment van opname in een zorginstelling. Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam Meervoudige kamer strafzaken Parketnummers: 10.019032.25 en 10.245792.24 Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10.149983.23 Datum uitspraak: 6 mei 2026 Datum zitting: 21 april 2026 Tegenspraak Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1986 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] [woonplaats] , gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] . Advocaat van de verdachte: mr. R. van den Hemel Officier van justitie: mr. N.A. van Manen Benadeelde partijen parketnummer 10.019032.25: [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] Benadeelde partijen parketnummer 10.245792.24: [benadeelde 5] , [benadeelde 4] en [benadeelde 6] Kern van het vonnis De verdachte wordt veroordeeld voor het doden van een hond, twee bedreigingen, het verduisteren en beschadigen van een voertuig, het vernielen van verschillende autoruiten en voor een auto-inbraak. Er wordt een gevangenisstraf van 179 dagen opgelegd, gelijk aan het voorarrest. Daarnaast wordt de maatregel van tbs met voorwaarden aan de verdachte opgelegd en wordt bevolen dat deze dadelijk uitvoerbaar is. De rechtbank overweegt dat de tbs-maatregel een maatregel is die vrijheidsbeneming kan meebrengen en is daarom niet gehouden het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen, maar schorst het bevel met ingang van het moment van opname in een zorginstelling. 1 Tenlastelegging De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat 10.019032.25 1 hij op of omstreeks 16 januari 2025 te Papendrecht, althans in Nederland [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] (via WhatsApp-(spraak)berichten verstuurd aan [slachtoffer 2] ) dreigend de woorden toe te voegen: “Want laat ik 1 ding niet willen horen: dat ze raar gaat lopen doen want dan schiet ik haar vanavond nog kapot." althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking. 2 hij op of omstreeks 17 januari 2025 te Dordrecht, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] (tijdens het politieverhoor ten overstaan van verbalisant [naam verbalisant 1] ) dreigend de woorden toe te voegen: - " dan ga ik wel zitten en dan pak ik als ik vrij kom degene die over mij lult" en/of - " ik moet toch wel zitten en haal erna desnoods voor 3000 euro echt wel een wapen en degene die mij dit flikt een kogel door zijn kop schiet" en/of - " als ik vrijkom ga ik direct verhaal halen en zal dan aangeefster omleggen/iets aan doen omdat zij mijn leven kapotmaakt" en/of - " ik ga zeggen dat, omdat ze mij kapot maken dat als ik ooit vrij kom dat ook bij haar ga doen. Het is klaar! Ik koop een wapen en slacht ze af. Niemand kan mij tegenhouden en het is ook geen geheim" en/of - " [voornaam slachtoffer 1] is echt te ver gegaan, als ik vrij kom dan ga ik helemaal los en zal ik linea recta naar haar toe gaan en haar wat aan doen. Niemand kan dat stoppen, omdat zij mij dit nu ook aan doet. Ik zal haar kapot schieten!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; 3 hij op of omstreeks 28 oktober 2025 te Vlijmen, gemeente Heusden, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk, een dier (te weten een hond, genaamd [naam hond] ), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander, heeft gedood, althans vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; 10.245792.24 1 hij op een of meer tijdstippen in de periode van 27 juli 2024 tot en met 29 juli 2024 te Papendrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk een auto (te weten een Nissan Pixo met het kenteken [kentekennummer] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten doordat die [slachtoffer 4] het voertuig is ontvlucht en/of het voertuig heeft verlaten, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 2 hij op een of meer tijdstippen in de periode van 27 juli 2024 tot en met 29 juli 2024 te Papendrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een autosleutel en/of een auto (te weten een Nissan Pixo met het kenteken [kentekennummer] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt; 3 hij op of omstreeks 29 juli 2024 te Papendrecht, een lifehammer, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; 4 hij op of omstreeks 29 juli 2024 te Papendrecht, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere autoruiten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt. 2 Bewijs 2.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten. 2.2. Conclusie van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 2 onder parketnummer 10.245792.24 (verduistering en vernieling Nissan Pixo) en heeft zich ten aanzien van de overige feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken. 2.3. Oordeel van de rechtbank 2.3.1. Bewezenverklaring en bewijsmiddelen Bewezen is dat de verdachte alle feiten waarvan hij wordt beschuldigd heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3. Opsomming bewijsmiddelen De bewezenverklaring van de feiten onder parketnummer 10.019032.25 en van feit 3 en 4 onder parketnummer 10.149983.23 is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft die feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd, maar niet uitgeschreven. 10.019032.25 Feit 1 | bedreiging [slachtoffer 1] op 16 januari 2025 De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 21 april 2026; Het proces-verbaal van aangifte, nummer [nummer proces-verbaal 1] , pagina 15 tot en met 34 van het procesdossier, inhoudende de aangifte van [slachtoffer 1] ; Het proces-verbaal van bevindingen, nummer [nummer proces-verbaal 2] , pagina 72 tot en met 73 van het procesdossier, inhoudende het relaas van verbalisant [naam verbalisant 2] .
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5676 text/xml public 2026-05-18T14:41:18 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-05-06 10.019032.25 en 10.245792.24 en TUL: 10.149983.23 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Rotterdam Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5676 text/html public 2026-05-18T14:39:06 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5676 Rechtbank Rotterdam , 06-05-2026 / 10.019032.25 en 10.245792.24 en TUL: 10.149983.23 De verdachte wordt veroordeeld voor het doden van een hond, twee bedreigingen, het verduisteren en beschadigen van een voertuig, het vernielen van verschillende autoruiten en voor een auto-inbraak. Er wordt een gevangenisstraf van 179 dagen opgelegd, gelijk aan het voorarrest. Daarnaast wordt de maatregel van tbs met voorwaarden aan de verdachte opgelegd en wordt bevolen dat deze dadelijk uitvoerbaar is. De rechtbank overweegt dat de tbs-maatregel een maatregel is die vrijheidsbeneming kan meebrengen en is daarom niet gehouden het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen, maar schorst het bevel met ingang van het moment van opname in een zorginstelling. Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam Meervoudige kamer strafzaken Parketnummers: 10.019032.25 en 10.245792.24 Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10.149983.23 Datum uitspraak: 6 mei 2026 Datum zitting: 21 april 2026 Tegenspraak Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1986 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres: [adres 1] , [postcode] [woonplaats] , gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam P.I.] . Advocaat van de verdachte: mr. R. van den Hemel Officier van justitie: mr. N.A. van Manen Benadeelde partijen parketnummer 10.019032.25: [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] Benadeelde partijen parketnummer 10.245792.24: [benadeelde 5] , [benadeelde 4] en [benadeelde 6] Kern van het vonnis De verdachte wordt veroordeeld voor het doden van een hond, twee bedreigingen, het verduisteren en beschadigen van een voertuig, het vernielen van verschillende autoruiten en voor een auto-inbraak. Er wordt een gevangenisstraf van 179 dagen opgelegd, gelijk aan het voorarrest. Daarnaast wordt de maatregel van tbs met voorwaarden aan de verdachte opgelegd en wordt bevolen dat deze dadelijk uitvoerbaar is. De rechtbank overweegt dat de tbs-maatregel een maatregel is die vrijheidsbeneming kan meebrengen en is daarom niet gehouden het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen, maar schorst het bevel met ingang van het moment van opname in een zorginstelling. 1 Tenlastelegging De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat 10.019032.25 1 hij op of omstreeks 16 januari 2025 te Papendrecht, althans in Nederland [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] (via WhatsApp-(spraak)berichten verstuurd aan [slachtoffer 2] ) dreigend de woorden toe te voegen: “Want laat ik 1 ding niet willen horen: dat ze raar gaat lopen doen want dan schiet ik haar vanavond nog kapot." althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking. 2 hij op of omstreeks 17 januari 2025 te Dordrecht, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] (tijdens het politieverhoor ten overstaan van verbalisant [naam verbalisant 1] ) dreigend de woorden toe te voegen: - " dan ga ik wel zitten en dan pak ik als ik vrij kom degene die over mij lult" en/of - " ik moet toch wel zitten en haal erna desnoods voor 3000 euro echt wel een wapen en degene die mij dit flikt een kogel door zijn kop schiet" en/of - " als ik vrijkom ga ik direct verhaal halen en zal dan aangeefster omleggen/iets aan doen omdat zij mijn leven kapotmaakt" en/of - " ik ga zeggen dat, omdat ze mij kapot maken dat als ik ooit vrij kom dat ook bij haar ga doen. Het is klaar! Ik koop een wapen en slacht ze af. Niemand kan mij tegenhouden en het is ook geen geheim" en/of - " [voornaam slachtoffer 1] is echt te ver gegaan, als ik vrij kom dan ga ik helemaal los en zal ik linea recta naar haar toe gaan en haar wat aan doen. Niemand kan dat stoppen, omdat zij mij dit nu ook aan doet. Ik zal haar kapot schieten!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; 3 hij op of omstreeks 28 oktober 2025 te Vlijmen, gemeente Heusden, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk, een dier (te weten een hond, genaamd [naam hond] ), in elk geval enig goed, die geheel of ten dele toebehoorde aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander, heeft gedood, althans vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt; 10.245792.24 1 hij op een of meer tijdstippen in de periode van 27 juli 2024 tot en met 29 juli 2024 te Papendrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk een auto (te weten een Nissan Pixo met het kenteken [kentekennummer] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten doordat die [slachtoffer 4] het voertuig is ontvlucht en/of het voertuig heeft verlaten, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; 2 hij op een of meer tijdstippen in de periode van 27 juli 2024 tot en met 29 juli 2024 te Papendrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een autosleutel en/of een auto (te weten een Nissan Pixo met het kenteken [kentekennummer] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt; 3 hij op of omstreeks 29 juli 2024 te Papendrecht, een lifehammer, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming; 4 hij op of omstreeks 29 juli 2024 te Papendrecht, opzettelijk en wederrechtelijk een of meerdere autoruiten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt. 2 Bewijs 2.1. Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten. 2.2. Conclusie van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 en 2 onder parketnummer 10.245792.24 (verduistering en vernieling Nissan Pixo) en heeft zich ten aanzien van de overige feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken. 2.3. Oordeel van de rechtbank 2.3.1. Bewezenverklaring en bewijsmiddelen Bewezen is dat de verdachte alle feiten waarvan hij wordt beschuldigd heeft gepleegd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3. Opsomming bewijsmiddelen De bewezenverklaring van de feiten onder parketnummer 10.019032.25 en van feit 3 en 4 onder parketnummer 10.149983.23 is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft die feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd, maar niet uitgeschreven. 10.019032.25 Feit 1 | bedreiging [slachtoffer 1] op 16 januari 2025 De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 21 april 2026; Het proces-verbaal van aangifte, nummer [nummer proces-verbaal 1] , pagina 15 tot en met 34 van het procesdossier, inhoudende de aangifte van [slachtoffer 1] ; Het proces-verbaal van bevindingen, nummer [nummer proces-verbaal 2] , pagina 72 tot en met 73 van het procesdossier, inhoudende het relaas van verbalisant [naam verbalisant 2] .
Volledig
Feit 2 | bedreiging [slachtoffer 1] op 17 januari 2025 De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 21 april 2026; Het proces-verbaal van verhoor verdachte op 17 januari 2025, nummer [nummer proces-verbaal 3] , pagina 89 tot en met 101 van het procesdossier; Het proces-verbaal van bevindingen, nummer [nummer proces-verbaal 4] pagina 82 tot en met 84 van het procesdossier, inhoudende als relaas van verbalisant [naam verbalisant 1] . Feit 3 | doden hond [naam hond] op 28 oktober 2025 De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 21 april 2026; Het proces-verbaal van aangifte, nummer [nummer proces-verbaal 5] , pagina 28 tot en met 72 van het procesdossier met nummer [dossiernummer 1] , inhoudende de aangifte van [slachtoffer 3] ; Rapport van de Stichting Forensisch Dierenonderzoek, nummer [dossiernummer 2] (hond met kopletsel). 10.245792.24 Feit 3 | inbraak auto [slachtoffer 5] op 29 juli 2024 De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 21 april 2026; Het proces-verbaal van aangifte, nummer [nummer proces-verbaal 6] , pagina 10 tot en met 13 van het procesdossier, inhoudende als de aangifte van [slachtoffer 5] ; Het proces-verbaal van bevindingen, nummer [nummer proces-verbaal 7] , pagina 21 tot en met 41 van het procesdossier, inhoudende het relaas van verbalisanten [naam verbalisant 3] en [naam verbalisant 4] . Feit 4 | vernieling autoruiten [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] op 29 juli 2024 De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 21 april 2026; Het proces-verbaal van verhoor verdachte, nummer [nummer proces-verbaal 8] , pagina 68 tot en met 72 van het procesdossier; Het proces-verbaal van aangifte, nummer [nummer proces-verbaal 9] , pagina 14 tot en met 16 van het procesdossier, inhoudende als de aangifte van [slachtoffer 7] . Het proces-verbaal van aangifte, nummer 2024250407-2, pagina 17 tot en met 20 van het procesdossier, inhoudende als de aangifte van [slachtoffer 6] . Uitwerking bewijsmiddelen | verduistering en vernieling auto [slachtoffer 4] De bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 onder parketnummer 10.245792.24 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering. 1. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte Rachel [slachtoffer 4] is mijn vriendin. Op zaterdag 27 juli 2024 kregen wij ruzie in de auto in Dordrecht en is zij uitgestapt. Ik ben in haar auto naar huis gereden en heb de auto weggezet. V: Het voertuig van [voornaam slachtoffer 4] is zojuist vernield aangetroffen. A: Het klepje van de deur heb ik eraf getrokken want deze deed het niet goed. 2. Proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 4] Ik reed in mijn voertuig, een Nissan Pixo voorzien van kenteken [kentekennummer] . Op 27 juli 2024 omstreeks 20:54 uur stapte [verdachte] in mijn voertuig. In de auto hadden wij ruzie. Ik zag dat [voornaam verdachte] een zakmes uit zijn broekzak pakte. Ik schrok hiervan. Ik bracht mijn auto tot stilstand in Dordrecht. Ik zag dat [voornaam verdachte] een zakmes uit zijn broekzak pakte. Ik schrok hiervan. Ik was erg bang en besloot uit het voertuig te stappen. Zo bang dat ik besloot uit het voertuig te stappen en weg te vluchten voor hem. Ik liet hem achter in mijn voertuig, de sleutels zaten nog in het contact. Op 28 juli 2024 ontving ik sms-berichten en e-mails van [voornaam verdachte] . Ik mailde terug en vertelde hem dat ik mijn voertuig terug wilde. Ik vertelde hem dat ik mijn voertuig niet aan hem gegeven had, maar dat ik puur uit angst uit mijn voertuig gesprint was. Ik vertelde hem dat ik mijn voertuig nodig had. Ik mailde terug dat hij mijn auto niet mocht lenen. 3. Proces-verbaal van de politie Op 29 juli 2024 deed [slachtoffer 4] aangifte van verduistering van haar personenauto van het Merk Nissan, type Pixo en voorzien van kenteken [kentekennummer] . Op 30 juli 2024 kregen wij het verzoek te gaan naar de [adres 2] te Papendrecht, waar het verduisterde voertuig zou zijn aangetroffen. Wij kwamen ter plaatse en het genoemde voertuig werd door mij aangetroffen in een parkeervak. Het bestuurdersraam was voor een groot deel geopend en de sleutel van het voertuig zat in het contact. De handgreep van het bestuurdersportier bleek niet meer op het voertuig aanwezig te zijn. 4. Proces-verbaal aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 4] Ik werd op 30 juli 2024 omstreeks 09:12 uur gebeld door een vriendin die vertelde dat zij mijn auto had aangetroffen op de [adres 2] in Papendrecht. U toont mij foto’s van de linkerzijde van het voertuig. - De deurhandel van mijn bestuurdersportier is eraf. U toont mij foto’s van de binnenzijde van het voertuig. - Ik zie het handvat van mijn auto op de bijrijdersstoel liggen. Die zat gewoon aan mijn auto, maar die is er dus vanaf. Ik heb hem meerdere keren gevraagd om die auto terug te brengen. En dan zet hij hem gewoon zo op straat. 2.3.2. Bewijsmotivering 10.245792.24 | feit 1 en 2 (auto [slachtoffer 4] ) De verdediging heeft bepleit dat de verdachte de auto van aangeefster [slachtoffer 4] (hierna ook: aangeefster) had geleend en dat er door haar wisselende signalen werden afgegeven over het gebruik van de auto. Daarmee heeft de verdachte geen opzet gehad op het verduisteren van de auto. Daarnaast volgt niet uit het dossier dat de verdachte degene is geweest die de schade aan de auto heeft veroorzaakt. De rechtbank volgt deze verweren niet. Hoewel aangeefster en verdachte een relatie hadden en zij op 27 juli 2024 zelf uit angst voor de verdachte uit de auto is gestapt en deze bij de verdachte heeft achtergelaten, heeft aangeefster vanaf de dag daarna aan de verdachte ondubbelzinnig duidelijk gemaakt dat zij haar auto terug wilde hebben. De verdachte is, ondanks dat, als heer en meester over het voertuig blijven beschikken waarmee hij in ieder geval vanaf dat moment het voertuig heeft verduisterd. Het voertuig werd vervolgens op 30 juli 2024 aangetroffen met schade. De verdachte heeft bij de politie bekend dat hij het klepje van de deur heeft getrokken en dit wordt ondersteund door de verklaring van aangeefster. Daarmee heeft de verdachte de auto beschadigd. Van de overige schade kan de rechtbank niet vaststellen dat het de verdachte is geweest die daar verantwoordelijk voor is, mede omdat de auto op straat is aangetroffen met een open raam en met de sleutel in het contactslot. 2.3.3. Volledige bewezenverklaring Bewezen is dat: 10.019032.25 Feit 1 hij op 16 januari 2025 in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] (via WhatsApp-(spraak)berichten verstuurd aan [slachtoffer 2] ) dreigend de woorden toe te voegen: “Want laat ik 1 ding niet willen horen: dat ze raar gaat lopen doen want dan schiet ik haar vanavond nog kapot."; Feit 2 hij op 17 januari 2025 te Dordrecht, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] (tijdens het politieverhoor ten overstaan van verbalisant [naam verbalisant 1] ) dreigend de woorden toe te voegen: - " dan ga ik wel zitten en dan pak ik als ik vrij kom degene die over mij lult" en - " ik moet toch wel zitten en haal erna desnoods voor 3000 euro echt wel een wapen en degene die mij dit flikt een kogel door zijn kop schiet" en - " als ik vrijkom ga ik direct verhaal halen en zal dan aangeefster omleggen/iets aan doen omdat zij mijn leven kapotmaakt" en - " ik ga zeggen dat, omdat ze mij kapot maken dat als ik ooit vrij kom dat ook bij haar ga doen. Het is klaar! Ik koop een wapen en slacht ze af. Niemand kan mij tegenhouden en het is ook geen geheim" en - " [naam verbalisant 1] is echt te ver gegaan, als ik vrij kom dan ga ik helemaal los en zal ik linea recta naar haar toe gaan en haar wat aan doen. Niemand kan dat stoppen, omdat zij mij dit nu ook aan doet.
Volledig
Feit 2 | bedreiging [slachtoffer 1] op 17 januari 2025 De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 21 april 2026; Het proces-verbaal van verhoor verdachte op 17 januari 2025, nummer [nummer proces-verbaal 3] , pagina 89 tot en met 101 van het procesdossier; Het proces-verbaal van bevindingen, nummer [nummer proces-verbaal 4] pagina 82 tot en met 84 van het procesdossier, inhoudende als relaas van verbalisant [naam verbalisant 1] . Feit 3 | doden hond [naam hond] op 28 oktober 2025 De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 21 april 2026; Het proces-verbaal van aangifte, nummer [nummer proces-verbaal 5] , pagina 28 tot en met 72 van het procesdossier met nummer [dossiernummer 1] , inhoudende de aangifte van [slachtoffer 3] ; Rapport van de Stichting Forensisch Dierenonderzoek, nummer [dossiernummer 2] (hond met kopletsel). 10.245792.24 Feit 3 | inbraak auto [slachtoffer 5] op 29 juli 2024 De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 21 april 2026; Het proces-verbaal van aangifte, nummer [nummer proces-verbaal 6] , pagina 10 tot en met 13 van het procesdossier, inhoudende als de aangifte van [slachtoffer 5] ; Het proces-verbaal van bevindingen, nummer [nummer proces-verbaal 7] , pagina 21 tot en met 41 van het procesdossier, inhoudende het relaas van verbalisanten [naam verbalisant 3] en [naam verbalisant 4] . Feit 4 | vernieling autoruiten [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] op 29 juli 2024 De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 21 april 2026; Het proces-verbaal van verhoor verdachte, nummer [nummer proces-verbaal 8] , pagina 68 tot en met 72 van het procesdossier; Het proces-verbaal van aangifte, nummer [nummer proces-verbaal 9] , pagina 14 tot en met 16 van het procesdossier, inhoudende als de aangifte van [slachtoffer 7] . Het proces-verbaal van aangifte, nummer 2024250407-2, pagina 17 tot en met 20 van het procesdossier, inhoudende als de aangifte van [slachtoffer 6] . Uitwerking bewijsmiddelen | verduistering en vernieling auto [slachtoffer 4] De bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 onder parketnummer 10.245792.24 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering. 1. Proces-verbaal van de politie, verklaring verdachte Rachel [slachtoffer 4] is mijn vriendin. Op zaterdag 27 juli 2024 kregen wij ruzie in de auto in Dordrecht en is zij uitgestapt. Ik ben in haar auto naar huis gereden en heb de auto weggezet. V: Het voertuig van [voornaam slachtoffer 4] is zojuist vernield aangetroffen. A: Het klepje van de deur heb ik eraf getrokken want deze deed het niet goed. 2. Proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 4] Ik reed in mijn voertuig, een Nissan Pixo voorzien van kenteken [kentekennummer] . Op 27 juli 2024 omstreeks 20:54 uur stapte [verdachte] in mijn voertuig. In de auto hadden wij ruzie. Ik zag dat [voornaam verdachte] een zakmes uit zijn broekzak pakte. Ik schrok hiervan. Ik bracht mijn auto tot stilstand in Dordrecht. Ik zag dat [voornaam verdachte] een zakmes uit zijn broekzak pakte. Ik schrok hiervan. Ik was erg bang en besloot uit het voertuig te stappen. Zo bang dat ik besloot uit het voertuig te stappen en weg te vluchten voor hem. Ik liet hem achter in mijn voertuig, de sleutels zaten nog in het contact. Op 28 juli 2024 ontving ik sms-berichten en e-mails van [voornaam verdachte] . Ik mailde terug en vertelde hem dat ik mijn voertuig terug wilde. Ik vertelde hem dat ik mijn voertuig niet aan hem gegeven had, maar dat ik puur uit angst uit mijn voertuig gesprint was. Ik vertelde hem dat ik mijn voertuig nodig had. Ik mailde terug dat hij mijn auto niet mocht lenen. 3. Proces-verbaal van de politie Op 29 juli 2024 deed [slachtoffer 4] aangifte van verduistering van haar personenauto van het Merk Nissan, type Pixo en voorzien van kenteken [kentekennummer] . Op 30 juli 2024 kregen wij het verzoek te gaan naar de [adres 2] te Papendrecht, waar het verduisterde voertuig zou zijn aangetroffen. Wij kwamen ter plaatse en het genoemde voertuig werd door mij aangetroffen in een parkeervak. Het bestuurdersraam was voor een groot deel geopend en de sleutel van het voertuig zat in het contact. De handgreep van het bestuurdersportier bleek niet meer op het voertuig aanwezig te zijn. 4. Proces-verbaal aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 4] Ik werd op 30 juli 2024 omstreeks 09:12 uur gebeld door een vriendin die vertelde dat zij mijn auto had aangetroffen op de [adres 2] in Papendrecht. U toont mij foto’s van de linkerzijde van het voertuig. - De deurhandel van mijn bestuurdersportier is eraf. U toont mij foto’s van de binnenzijde van het voertuig. - Ik zie het handvat van mijn auto op de bijrijdersstoel liggen. Die zat gewoon aan mijn auto, maar die is er dus vanaf. Ik heb hem meerdere keren gevraagd om die auto terug te brengen. En dan zet hij hem gewoon zo op straat. 2.3.2. Bewijsmotivering 10.245792.24 | feit 1 en 2 (auto [slachtoffer 4] ) De verdediging heeft bepleit dat de verdachte de auto van aangeefster [slachtoffer 4] (hierna ook: aangeefster) had geleend en dat er door haar wisselende signalen werden afgegeven over het gebruik van de auto. Daarmee heeft de verdachte geen opzet gehad op het verduisteren van de auto. Daarnaast volgt niet uit het dossier dat de verdachte degene is geweest die de schade aan de auto heeft veroorzaakt. De rechtbank volgt deze verweren niet. Hoewel aangeefster en verdachte een relatie hadden en zij op 27 juli 2024 zelf uit angst voor de verdachte uit de auto is gestapt en deze bij de verdachte heeft achtergelaten, heeft aangeefster vanaf de dag daarna aan de verdachte ondubbelzinnig duidelijk gemaakt dat zij haar auto terug wilde hebben. De verdachte is, ondanks dat, als heer en meester over het voertuig blijven beschikken waarmee hij in ieder geval vanaf dat moment het voertuig heeft verduisterd. Het voertuig werd vervolgens op 30 juli 2024 aangetroffen met schade. De verdachte heeft bij de politie bekend dat hij het klepje van de deur heeft getrokken en dit wordt ondersteund door de verklaring van aangeefster. Daarmee heeft de verdachte de auto beschadigd. Van de overige schade kan de rechtbank niet vaststellen dat het de verdachte is geweest die daar verantwoordelijk voor is, mede omdat de auto op straat is aangetroffen met een open raam en met de sleutel in het contactslot. 2.3.3. Volledige bewezenverklaring Bewezen is dat: 10.019032.25 Feit 1 hij op 16 januari 2025 in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] (via WhatsApp-(spraak)berichten verstuurd aan [slachtoffer 2] ) dreigend de woorden toe te voegen: “Want laat ik 1 ding niet willen horen: dat ze raar gaat lopen doen want dan schiet ik haar vanavond nog kapot."; Feit 2 hij op 17 januari 2025 te Dordrecht, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] (tijdens het politieverhoor ten overstaan van verbalisant [naam verbalisant 1] ) dreigend de woorden toe te voegen: - " dan ga ik wel zitten en dan pak ik als ik vrij kom degene die over mij lult" en - " ik moet toch wel zitten en haal erna desnoods voor 3000 euro echt wel een wapen en degene die mij dit flikt een kogel door zijn kop schiet" en - " als ik vrijkom ga ik direct verhaal halen en zal dan aangeefster omleggen/iets aan doen omdat zij mijn leven kapotmaakt" en - " ik ga zeggen dat, omdat ze mij kapot maken dat als ik ooit vrij kom dat ook bij haar ga doen. Het is klaar! Ik koop een wapen en slacht ze af. Niemand kan mij tegenhouden en het is ook geen geheim" en - " [naam verbalisant 1] is echt te ver gegaan, als ik vrij kom dan ga ik helemaal los en zal ik linea recta naar haar toe gaan en haar wat aan doen. Niemand kan dat stoppen, omdat zij mij dit nu ook aan doet.
Volledig
Ik zal haar kapot schieten!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; Feit 3 hij op 28 oktober 2025 te Vlijmen, gemeente Heusden opzettelijk en wederrechtelijk, een dier (te weten een hond, genaamd [naam hond] ), die toebehoorde aan [slachtoffer 3] heeft gedood; 10.245792.24 Feit 1 hij in de periode van 27 juli 2024 tot en met 29 juli 2024 te Papendrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk een auto (te weten een Nissan Pixo met het kenteken [kentekennummer] ), toebehorende aan [slachtoffer 4] en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten doordat die [slachtoffer 4] het voertuig is ontvlucht en/of het voertuig heeft verlaten, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; Feit 2 hij in de periode van 27 juli 2024 tot en met 29 juli 2024 te Papendrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een auto (te weten een Nissan Pixo met het kenteken [kentekennummer] ), die aan [slachtoffer 4] toebehoorde heeft beschadigd; Feit 3 hij op 29 juli 2024 te Papendrecht, een lifehammer, die aan [slachtoffer 5] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; Feit 4 hij op 29 juli 2024 te Papendrecht, opzettelijk en wederrechtelijk autoruiten, die aan [slachtoffer 6] of [slachtoffer 7] , toebehoorden heeft vernield. 3 Kwalificatie en strafbaarheid 3.1. Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: 10.019032.25 Feit 1 en 2 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht ; Feit 3 opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, doden ; 10.245792.24 Feit 1 verduistering ; Feit 2 opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen ; Feit 3 diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak ; Feit 4 opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen, meermalen gepleegd . 3.2. Strafbaarheid de feiten en van de verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 4 Straf en maatregel 4.1. Eis van de officier van justitie De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, te weten 179 dagen met aftrek van voorarrest, en een tbs-maatregel met daaraan verbonden de voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd. De dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel wordt gevorderd. 4.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen met daarbij de maatregel van tbs met voorwaarden. 4.3. Oordeel van de rechtbank 4.3.1. Ernst en omstandigheden van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeven strafbare feiten welke gedurende verschillende perioden zijn gepleegd. Allereerst heeft hij in juli 2024 de auto van zijn toenmalige partner [slachtoffer 4] verduisterd en beschadigd. In diezelfde periode heeft hij van nog drie voertuigen de ruiten vernield en heeft hij uit één daarvan een lifehammer weggenomen. Hiermee heeft de verdachte laten zien geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Dit zijn ergerlijke feiten die niet alleen materiële schade, maar ook veel overlast veroorzaken voor de gedupeerden. Vervolgens heeft de verdachte in januari 2025 op twee achtereenvolgende dagen mevrouw [slachtoffer 1] bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht. Deze bedreigingen hebben bij aangeefster serieuze gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt, zoals uit de aangifte en de verklaring ter zitting naar voren is gekomen. Extra kwalijk is dat de verdachte ook bedreigingen jegens mevrouw [slachtoffer 1] heeft geuit ten overstaan van een verbalisant. Tot slot heeft de verdachte in oktober 2025 de hond van zijn partner [slachtoffer 3] gedood. De hond is overleden als gevolg van heftig stomp trauma en meervoudig steekletsel waardoor hersenletsel en bloedverlies zijn ontstaan. De hond is op een vreselijke en inhumane wijze gestorven. Hiermee heeft de verdachte het leven genomen van een hond en daarmee veel verdriet en leed veroorzaakt. Verdachte wist als geen ander hoe dierbaar de hond was voor zijn partner. Het betreft een zeer ernstig feit, waarmee de verdachte geen enkel respect voor het leven van dieren heeft getoond. 4.3.2. Persoon en persoonlijke omstandigheden Strafblad Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 18 maart 2026 blijkt dat de verdachte eerder meermaals onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten (bedreigingen en partnergeweld). Rapporten van deskundigen en de reclassering in de zaak 10.019032.25 In het rapport van psychiater [persoon A] van 8 maart 2026 staat het volgende: Bij de verdachte is sprake van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline kenmerken en een stoornis in het gebruik van benzodiazepines (ernstig), cannabis en cocaïne (matig ernstig). Dit was ook zo ten tijde van het plegen van de delicten. De ten laste gelegde bedreigingen en het doden van de hond zijn direct gerelateerd aan de achterdocht, de agressie en de emotiedisregulatie vanuit de persoonlijkheidsstoornis van de verdachte. Hij interpreteert de wereld om hem heen als kwaadwillend en als hij zich aangevallen voelt, kan hij zich niet meer beheersen. Er wordt geadviseerd om de feiten in een verminderde mate aan hem toe te rekenen. De verdachte heeft een gestructureerde en intensieve behandeling nodig voor zijn stoornissen, waarbij hij leert om meer verantwoordelijkheid voor zijn gedrag te nemen en zich minder agressief en externaliserend op te stellen. Ook moet gestreefd worden naar abstinentie van middelen. Het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel wordt als te vrijblijvend ingeschat. Geadviseerd wordt om een tbs-maatregel op te leggen zodat de verdachte in eerste instantie in een forensische kliniek kan worden opgenomen en kan worden behandeld. Daarna zou hij naar een gestructureerde begeleide woonvorm met voldoende toezicht kunnen uitstromen, waarbij de reclassering toezicht kan houden op de voorwaarden. Alleen met een dergelijke ingrijpende maatregel is preventie van recidive haalbaar. De verdachte heeft enig ziekte-inzicht en behandelmotivatie en zegt zich aan voorwaarden van de tbs-maatregel te willen houden. In het rapport van psycholoog [persoon B] van 14 maart 2026 staat het volgende: Er is sprake van een combinatie van persoonlijkheidspathologie met borderline en antisociale trekken en stoornissen in het gebruik van diverse middelen, welke ook aanwezig waren ten tijde van de feiten. De verdachte is vanuit zijn pathologie niet in staat om op een adequate wijze met stress en emoties om te gaan. De copingvaardigheden zijn beperkt en zijn emotie- en impulsregulatie schieten al snel tekort. Op de momenten van de feiten was de verdachte onvoldoende in staat om zijn gedrag op een meer gezonde wijze bij te sturen en andere gedragskeuzes te maken. Er wordt geadviseerd om het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Het risico op vergelijkbaar agressief gedrag zonder passende hulpverlening en een passend kader wordt als hoog ingeschat. Er dient dan ook opnieuw gestart te worden met een intensieve klinische behandeling in een forensische setting. Na een klinisch traject zal middels een warme en soepele overdracht langdurig ambulante nazorg moeten plaatsvinden, direct aansluitend op die klinische behandeling en in de geest van schematherapie. De behandeling dient gegarandeerd te zijn, wat in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf niet het geval is. Er worden wel mogelijkheden gezien voor een tbs met voorwaarden. De verdachte laat voldoende motivatie zien en er is het nodige probleembesef en -inzicht. Hij heeft eerder laten zien bereid te zijn tot behandeling, maar wanneer het te vrijblijvend is, ontregelt hij. Derhalve is een langdurig toezicht van belang, hetgeen de reclassering in het kader van tbs met voorwaarden kan bieden.
Volledig
Ik zal haar kapot schieten!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; Feit 3 hij op 28 oktober 2025 te Vlijmen, gemeente Heusden opzettelijk en wederrechtelijk, een dier (te weten een hond, genaamd [naam hond] ), die toebehoorde aan [slachtoffer 3] heeft gedood; 10.245792.24 Feit 1 hij in de periode van 27 juli 2024 tot en met 29 juli 2024 te Papendrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk een auto (te weten een Nissan Pixo met het kenteken [kentekennummer] ), toebehorende aan [slachtoffer 4] en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten doordat die [slachtoffer 4] het voertuig is ontvlucht en/of het voertuig heeft verlaten, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend; Feit 2 hij in de periode van 27 juli 2024 tot en met 29 juli 2024 te Papendrecht, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een auto (te weten een Nissan Pixo met het kenteken [kentekennummer] ), die aan [slachtoffer 4] toebehoorde heeft beschadigd; Feit 3 hij op 29 juli 2024 te Papendrecht, een lifehammer, die aan [slachtoffer 5] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; Feit 4 hij op 29 juli 2024 te Papendrecht, opzettelijk en wederrechtelijk autoruiten, die aan [slachtoffer 6] of [slachtoffer 7] , toebehoorden heeft vernield. 3 Kwalificatie en strafbaarheid 3.1. Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op: 10.019032.25 Feit 1 en 2 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht ; Feit 3 opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, doden ; 10.245792.24 Feit 1 verduistering ; Feit 2 opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen ; Feit 3 diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak ; Feit 4 opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen, meermalen gepleegd . 3.2. Strafbaarheid de feiten en van de verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 4 Straf en maatregel 4.1. Eis van de officier van justitie De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, te weten 179 dagen met aftrek van voorarrest, en een tbs-maatregel met daaraan verbonden de voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd. De dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel wordt gevorderd. 4.2. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen met daarbij de maatregel van tbs met voorwaarden. 4.3. Oordeel van de rechtbank 4.3.1. Ernst en omstandigheden van de feiten De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeven strafbare feiten welke gedurende verschillende perioden zijn gepleegd. Allereerst heeft hij in juli 2024 de auto van zijn toenmalige partner [slachtoffer 4] verduisterd en beschadigd. In diezelfde periode heeft hij van nog drie voertuigen de ruiten vernield en heeft hij uit één daarvan een lifehammer weggenomen. Hiermee heeft de verdachte laten zien geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Dit zijn ergerlijke feiten die niet alleen materiële schade, maar ook veel overlast veroorzaken voor de gedupeerden. Vervolgens heeft de verdachte in januari 2025 op twee achtereenvolgende dagen mevrouw [slachtoffer 1] bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht. Deze bedreigingen hebben bij aangeefster serieuze gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt, zoals uit de aangifte en de verklaring ter zitting naar voren is gekomen. Extra kwalijk is dat de verdachte ook bedreigingen jegens mevrouw [slachtoffer 1] heeft geuit ten overstaan van een verbalisant. Tot slot heeft de verdachte in oktober 2025 de hond van zijn partner [slachtoffer 3] gedood. De hond is overleden als gevolg van heftig stomp trauma en meervoudig steekletsel waardoor hersenletsel en bloedverlies zijn ontstaan. De hond is op een vreselijke en inhumane wijze gestorven. Hiermee heeft de verdachte het leven genomen van een hond en daarmee veel verdriet en leed veroorzaakt. Verdachte wist als geen ander hoe dierbaar de hond was voor zijn partner. Het betreft een zeer ernstig feit, waarmee de verdachte geen enkel respect voor het leven van dieren heeft getoond. 4.3.2. Persoon en persoonlijke omstandigheden Strafblad Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 18 maart 2026 blijkt dat de verdachte eerder meermaals onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten (bedreigingen en partnergeweld). Rapporten van deskundigen en de reclassering in de zaak 10.019032.25 In het rapport van psychiater [persoon A] van 8 maart 2026 staat het volgende: Bij de verdachte is sprake van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline kenmerken en een stoornis in het gebruik van benzodiazepines (ernstig), cannabis en cocaïne (matig ernstig). Dit was ook zo ten tijde van het plegen van de delicten. De ten laste gelegde bedreigingen en het doden van de hond zijn direct gerelateerd aan de achterdocht, de agressie en de emotiedisregulatie vanuit de persoonlijkheidsstoornis van de verdachte. Hij interpreteert de wereld om hem heen als kwaadwillend en als hij zich aangevallen voelt, kan hij zich niet meer beheersen. Er wordt geadviseerd om de feiten in een verminderde mate aan hem toe te rekenen. De verdachte heeft een gestructureerde en intensieve behandeling nodig voor zijn stoornissen, waarbij hij leert om meer verantwoordelijkheid voor zijn gedrag te nemen en zich minder agressief en externaliserend op te stellen. Ook moet gestreefd worden naar abstinentie van middelen. Het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel wordt als te vrijblijvend ingeschat. Geadviseerd wordt om een tbs-maatregel op te leggen zodat de verdachte in eerste instantie in een forensische kliniek kan worden opgenomen en kan worden behandeld. Daarna zou hij naar een gestructureerde begeleide woonvorm met voldoende toezicht kunnen uitstromen, waarbij de reclassering toezicht kan houden op de voorwaarden. Alleen met een dergelijke ingrijpende maatregel is preventie van recidive haalbaar. De verdachte heeft enig ziekte-inzicht en behandelmotivatie en zegt zich aan voorwaarden van de tbs-maatregel te willen houden. In het rapport van psycholoog [persoon B] van 14 maart 2026 staat het volgende: Er is sprake van een combinatie van persoonlijkheidspathologie met borderline en antisociale trekken en stoornissen in het gebruik van diverse middelen, welke ook aanwezig waren ten tijde van de feiten. De verdachte is vanuit zijn pathologie niet in staat om op een adequate wijze met stress en emoties om te gaan. De copingvaardigheden zijn beperkt en zijn emotie- en impulsregulatie schieten al snel tekort. Op de momenten van de feiten was de verdachte onvoldoende in staat om zijn gedrag op een meer gezonde wijze bij te sturen en andere gedragskeuzes te maken. Er wordt geadviseerd om het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Het risico op vergelijkbaar agressief gedrag zonder passende hulpverlening en een passend kader wordt als hoog ingeschat. Er dient dan ook opnieuw gestart te worden met een intensieve klinische behandeling in een forensische setting. Na een klinisch traject zal middels een warme en soepele overdracht langdurig ambulante nazorg moeten plaatsvinden, direct aansluitend op die klinische behandeling en in de geest van schematherapie. De behandeling dient gegarandeerd te zijn, wat in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke straf niet het geval is. Er worden wel mogelijkheden gezien voor een tbs met voorwaarden. De verdachte laat voldoende motivatie zien en er is het nodige probleembesef en -inzicht. Hij heeft eerder laten zien bereid te zijn tot behandeling, maar wanneer het te vrijblijvend is, ontregelt hij. Derhalve is een langdurig toezicht van belang, hetgeen de reclassering in het kader van tbs met voorwaarden kan bieden.
Volledig
In het rapport van de Reclassering van 20 april 2026 staat het volgende: Er is bij de verdachte sprake van hardnekkige, lang bestaande problematiek die moeilijk bewerkbaar is en direct samenhangt met het risico op (gewelds)recidive. Onderhavige tenlastelegging toont aan dat de verdachte in hoge mate onvoorspelbaar is en dat hij niet in staat is om zijn (agressieve) impulsen te reguleren. In het kader van recidivebeperking is het van belang dat de beïnvloedingsmogelijkheden en het risicomanagement vooral extern vormgegeven worden. Naar verwachting zal een intensief, langdurend behandel- en begeleidingstraject nodig zijn voor het duurzaam terugbrengen van het recidiverisico en zal er langere tijd overheen gaan voordat de verdachte in enige mate de verantwoordelijkheid zal aankunnen om zonder intensieve controle te functioneren. De reclassering stelt dat bescherming van de maatschappij voorop staat. Gelet op dit belang acht zij het niet verantwoord dat de verdachte zonder adequate behandeling en begeleiding terugkeert in de maatschappij. Hij is door de beperkingen vanuit zijn pathologie moeilijk te beïnvloeden en zal lang nodig hebben om gewenst gedrag aan te leren en ongewenst gedrag af te leren. Het is noodzakelijk dat de behandeling geborgd is en dat de continuïteit daarvan niet in gevaar komt. Een dergelijk traject dient klinisch aan te vangen en aan te sluiten op de huidige detentieperiode. De reclassering adviseert dan ook positief over tbs met voorwaarden. Hiermee wordt de verdachte een stevig kader geboden waarbinnen hij de mogelijkheid krijgt om te kunnen omgaan met zijn structurele beperkingen. In het rapport is eveneens geadviseerd over de aan de tbs verbonden voorwaarden. 4.3.3. Oplegging straf en maatregel Toerekenbaarheid Op basis van de rapporten van de psychiater en de psycholoog stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloedde. De feiten worden daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend. Straf Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. De tijd die de verdachte in de zaken in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 179 dagen, is een passende gevangenisstraf. Hierbij zijn eveneens de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en zijn strafblad meegewogen. Terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden De verdachte moet verder ter beschikking worden gesteld. Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van de strafbare feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zoals uiteengezet in de rapporten van de psychiater en de psycholoog. Daarnaast betreft feit 3 op de dagvaarding met parketnummer 10.019032.25 (doden van een hond) een misdrijf waarop in de wet een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en betreffen feit 1 en 2 op die dagvaarding in de wet vermelde misdrijven waarvoor de maatregel van terbeschikkingstelling mogelijk is. Gelet op de aard en ernst van de feiten en het gevaar voor herhaling eist de algemene veiligheid van personen en goederen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Ter bescherming van die veiligheid moet de verdachte zich houden aan voorwaarden, te weten: (a) het niet plegen van strafbare feiten, (b) het meewerken aan reclasseringstoezicht, (c) het meewerken aan een time-out, (d) niet naar het buitenland zonder toestemming, (e) de opname in een zorginstelling, (f) het volgen van ambulante behandeling, (g) verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, (h) een verbod op verdovende middelen, (i) een contactverbod met [slachtoffer 1] , (j) inzet voor dagbesteding, (k) aflossing van schulden, en (l) het geven van openheid. De verdachte heeft verklaard dat hij bereid is deze voorwaarden na te leven. Vanwege het herhalingsgevaar is het noodzakelijk dat de voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat . Daarom bepaalt de rechtbank dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is. Oplegging van de maatregel tot tbs met voorwaarden geldt wettelijk voor een periode van twee jaar en kan op vordering van het Openbaar Ministerie daarna telkens met één of met twee jaren worden verlengd tot een periode van maximaal negen jaar. Nu niet is gebleken dat de bewezen bedreigingen zijn voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag richting de aangeefster en er geen concrete aanwijzingen zijn dat de verdachte daadwerkelijk uitvoering zou geven aan de woordelijke bedreigingen, zal de rechtbank bepalen dat de duur van de aan verdachte op te leggen tbs-maatregel bij een eventuele omzetting naar een tbs-maatregel met bevel tot verpleging maximaal vier jaar kan bedragen. 5 Voorlopige hechtenis en schorsing Zoals hiervoor overwogen legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op en de tbs met voorwaarden, die dadelijk uitvoerbaar is. Eén van de voorwaarden is dat de verdachte zich laat opnemen in een zorginstelling. Uit het reclasseringsrapport volgt echter dat de Divisie Individuele Zaken (DIZ) niet kan garanderen dat er na de gevangenisstraf meteen, aansluitend op de detentie, een plaatsing mogelijk is dan wel dat er een overbruggingsplek beschikbaar is. Zowel de verdachte, zijn raadsvrouw, de officier van justitie en de rechtbank zijn het erover eens dat het geen wenselijke situatie is als de verdachte zonder opname in een zorginstelling en behandeling uit detentie komt. Daarom overweegt de rechtbank in het kader van de voorlopige hechtenis het volgende. Artikel 72 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat het bevel tot voorlopige hechtenis bij einduitspraak wordt opgeheven indien aan de verdachte “noch een vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, noch een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen, onvoorwaardelijk is opgelegd”. Omdat de rechtbank de verdachte een tbs-maatregel oplegt en daarbij voorwaarden stelt, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de rechtbank op grond van deze bepaling de voorlopige hechtenis dient op te heffen. Ten aanzien van de in artikel 72 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering opgenomen voorwaarde dat de betreffende sanctie onvoorwaardelijk moet zijn opgelegd, overweegt de rechtbank dat ook de tbs-maatregel met voorwaarden te gelden heeft als een onvoorwaardelijk opgelegde tbs-maatregel in de zin van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht. Bij ‘oplegging’ van de modaliteit tbs met voorwaarden stelt de rechter voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde. Dat dergelijke voorwaarden worden gesteld, doet niet af aan het gegeven dat de betreffende maatregel onvoorwaardelijk wordt opgelegd. De mogelijkheid van voorwaardelijke oplegging van een tbs-maatregel in letterlijke zin (in die zin dat de tenuitvoerlegging daarvan wordt opgeschort), biedt het geldend recht niet. Doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank in deze zaak is gehouden het bevel tot voorlopige hechtenis op grond van artikel 72 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering op te heffen, is het oordeel of de rechtbank met de tbs met voorwaarden een maatregel oplegt die vrijheidsbeneming kan medebrengen. Hoewel het in de strafrechtspraktijk niet ongebruikelijk is om te spreken van ‘oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging’ of ‘oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden’, kent het Wetboek van Strafrecht in termen van oplegging geen zelfstandig van elkaar te onderscheiden tbs-maatregelen. Het Wetboek van Strafrecht voorziet in één tbs-maatregel zoals opgenomen in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht. ‘Tbs met dwangverpleging’ en ‘tbs met voorwaarden’ zijn daarmee geen in de opleggingsbeslissing van elkaar te onderscheiden maatregelen, maar zijn twee modaliteiten van één en dezelfde maatregel. Voor de vraag of sprake is van een sanctie als bedoeld in artikel 72 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, is de op te leggen sanctie doorslaggevend.
Volledig
In het rapport van de Reclassering van 20 april 2026 staat het volgende: Er is bij de verdachte sprake van hardnekkige, lang bestaande problematiek die moeilijk bewerkbaar is en direct samenhangt met het risico op (gewelds)recidive. Onderhavige tenlastelegging toont aan dat de verdachte in hoge mate onvoorspelbaar is en dat hij niet in staat is om zijn (agressieve) impulsen te reguleren. In het kader van recidivebeperking is het van belang dat de beïnvloedingsmogelijkheden en het risicomanagement vooral extern vormgegeven worden. Naar verwachting zal een intensief, langdurend behandel- en begeleidingstraject nodig zijn voor het duurzaam terugbrengen van het recidiverisico en zal er langere tijd overheen gaan voordat de verdachte in enige mate de verantwoordelijkheid zal aankunnen om zonder intensieve controle te functioneren. De reclassering stelt dat bescherming van de maatschappij voorop staat. Gelet op dit belang acht zij het niet verantwoord dat de verdachte zonder adequate behandeling en begeleiding terugkeert in de maatschappij. Hij is door de beperkingen vanuit zijn pathologie moeilijk te beïnvloeden en zal lang nodig hebben om gewenst gedrag aan te leren en ongewenst gedrag af te leren. Het is noodzakelijk dat de behandeling geborgd is en dat de continuïteit daarvan niet in gevaar komt. Een dergelijk traject dient klinisch aan te vangen en aan te sluiten op de huidige detentieperiode. De reclassering adviseert dan ook positief over tbs met voorwaarden. Hiermee wordt de verdachte een stevig kader geboden waarbinnen hij de mogelijkheid krijgt om te kunnen omgaan met zijn structurele beperkingen. In het rapport is eveneens geadviseerd over de aan de tbs verbonden voorwaarden. 4.3.3. Oplegging straf en maatregel Toerekenbaarheid Op basis van de rapporten van de psychiater en de psycholoog stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloedde. De feiten worden daarom in verminderde mate aan de verdachte toegerekend. Straf Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. De tijd die de verdachte in de zaken in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 179 dagen, is een passende gevangenisstraf. Hierbij zijn eveneens de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en zijn strafblad meegewogen. Terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden De verdachte moet verder ter beschikking worden gesteld. Er bestond bij de verdachte tijdens het plegen van de strafbare feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zoals uiteengezet in de rapporten van de psychiater en de psycholoog. Daarnaast betreft feit 3 op de dagvaarding met parketnummer 10.019032.25 (doden van een hond) een misdrijf waarop in de wet een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en betreffen feit 1 en 2 op die dagvaarding in de wet vermelde misdrijven waarvoor de maatregel van terbeschikkingstelling mogelijk is. Gelet op de aard en ernst van de feiten en het gevaar voor herhaling eist de algemene veiligheid van personen en goederen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld. Ter bescherming van die veiligheid moet de verdachte zich houden aan voorwaarden, te weten: (a) het niet plegen van strafbare feiten, (b) het meewerken aan reclasseringstoezicht, (c) het meewerken aan een time-out, (d) niet naar het buitenland zonder toestemming, (e) de opname in een zorginstelling, (f) het volgen van ambulante behandeling, (g) verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, (h) een verbod op verdovende middelen, (i) een contactverbod met [slachtoffer 1] , (j) inzet voor dagbesteding, (k) aflossing van schulden, en (l) het geven van openheid. De verdachte heeft verklaard dat hij bereid is deze voorwaarden na te leven. Vanwege het herhalingsgevaar is het noodzakelijk dat de voorwaarden meteen gelden, ook als de verdachte in hoger beroep gaat . Daarom bepaalt de rechtbank dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is. Oplegging van de maatregel tot tbs met voorwaarden geldt wettelijk voor een periode van twee jaar en kan op vordering van het Openbaar Ministerie daarna telkens met één of met twee jaren worden verlengd tot een periode van maximaal negen jaar. Nu niet is gebleken dat de bewezen bedreigingen zijn voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door niet-verbaal agressief gedrag richting de aangeefster en er geen concrete aanwijzingen zijn dat de verdachte daadwerkelijk uitvoering zou geven aan de woordelijke bedreigingen, zal de rechtbank bepalen dat de duur van de aan verdachte op te leggen tbs-maatregel bij een eventuele omzetting naar een tbs-maatregel met bevel tot verpleging maximaal vier jaar kan bedragen. 5 Voorlopige hechtenis en schorsing Zoals hiervoor overwogen legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op en de tbs met voorwaarden, die dadelijk uitvoerbaar is. Eén van de voorwaarden is dat de verdachte zich laat opnemen in een zorginstelling. Uit het reclasseringsrapport volgt echter dat de Divisie Individuele Zaken (DIZ) niet kan garanderen dat er na de gevangenisstraf meteen, aansluitend op de detentie, een plaatsing mogelijk is dan wel dat er een overbruggingsplek beschikbaar is. Zowel de verdachte, zijn raadsvrouw, de officier van justitie en de rechtbank zijn het erover eens dat het geen wenselijke situatie is als de verdachte zonder opname in een zorginstelling en behandeling uit detentie komt. Daarom overweegt de rechtbank in het kader van de voorlopige hechtenis het volgende. Artikel 72 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat het bevel tot voorlopige hechtenis bij einduitspraak wordt opgeheven indien aan de verdachte “noch een vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, noch een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen, onvoorwaardelijk is opgelegd”. Omdat de rechtbank de verdachte een tbs-maatregel oplegt en daarbij voorwaarden stelt, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de rechtbank op grond van deze bepaling de voorlopige hechtenis dient op te heffen. Ten aanzien van de in artikel 72 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering opgenomen voorwaarde dat de betreffende sanctie onvoorwaardelijk moet zijn opgelegd, overweegt de rechtbank dat ook de tbs-maatregel met voorwaarden te gelden heeft als een onvoorwaardelijk opgelegde tbs-maatregel in de zin van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht. Bij ‘oplegging’ van de modaliteit tbs met voorwaarden stelt de rechter voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde. Dat dergelijke voorwaarden worden gesteld, doet niet af aan het gegeven dat de betreffende maatregel onvoorwaardelijk wordt opgelegd. De mogelijkheid van voorwaardelijke oplegging van een tbs-maatregel in letterlijke zin (in die zin dat de tenuitvoerlegging daarvan wordt opgeschort), biedt het geldend recht niet. Doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank in deze zaak is gehouden het bevel tot voorlopige hechtenis op grond van artikel 72 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering op te heffen, is het oordeel of de rechtbank met de tbs met voorwaarden een maatregel oplegt die vrijheidsbeneming kan medebrengen. Hoewel het in de strafrechtspraktijk niet ongebruikelijk is om te spreken van ‘oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging’ of ‘oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden’, kent het Wetboek van Strafrecht in termen van oplegging geen zelfstandig van elkaar te onderscheiden tbs-maatregelen. Het Wetboek van Strafrecht voorziet in één tbs-maatregel zoals opgenomen in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht. ‘Tbs met dwangverpleging’ en ‘tbs met voorwaarden’ zijn daarmee geen in de opleggingsbeslissing van elkaar te onderscheiden maatregelen, maar zijn twee modaliteiten van één en dezelfde maatregel. Voor de vraag of sprake is van een sanctie als bedoeld in artikel 72 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, is de op te leggen sanctie doorslaggevend.
Volledig
In dit geval is dat de tbs-maatregel en die kán vrijheidsbeneming meebrengen, gelet op artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht. Daaraan doet niet af het feit dat de rechtbank bij dit vonnis voorwaarden betreffende het gedrag van de verdachte zal stellen, en nu dus geen bevel tot dwangverpleging zal geven. Met oplegging van de tbs-maatregel is daarom sprake van een maatregel die vrijheidsbeneming kan medebrengen. De rechtbank is daarom niet gehouden het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. In plaats daarvan zal de rechtbank de voorlopige hechtenis schorsen. Het met onmiddellijke ingang schorsen van dat bevel zou echter leiden tot een periode waarin de verdachte onbehandeld terugkeert in de samenleving en effectieve handhaving van de gestelde voorwaarden onvoldoende zeker is. Mede gelet op de huidige wachttijd voor opname in zorginstellingen, kan die periode zonder behandeling langere tijd duren. Een dergelijke situatie brengt naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de problematiek van de verdachte en de noodzaak van het starten van de behandeling in een zorginstelling, onverantwoorde risico’s voor de algemene veiligheid van personen met zich mee. De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis daarom schorsen onder dezelfde voorwaarden als gesteld in het kader van artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht met ingang van het moment dat de verdachte zal worden opgenomen in de zorginstelling. De rechtbank is zich ervan bewust dat dit betekent dat de verdachte mogelijk nog enkele maanden in voorlopige hechtenis zal verblijven en is zich bewust van de voor de verdachte onwenselijke gevolgen daarvan. Ter zitting is dit ook met de verdachte en diens verdediging besproken, waarbij naar voren is gekomen dat ook zij dit de meest wenselijke situatie achten. De rechtbank verzoekt daarom dringend de bij plaatsing, behandeling en tenuitvoerlegging betrokken instanties al het redelijkerwijs mogelijke in het werk te stellen om de verdachte op de kortst mogelijke termijn te laten opnemen. Het voorgaande heeft tot (onwenselijk) gevolg dat de geschorste voorlopige hechtenis van de verdachte in beginsel tot in het oneindige zal doorlopen. Het is aan de officier van justitie en/of de verdediging om op het daartoe geëigende moment een verzoek te doen tot opheffing van de voorlopige hechtenis bij de raadkamer van de rechtbank. 6 Vorderingen van de benadeelde partijen 6.1. De vorderingen In dit strafproces hebben in beide parketnummers verschillende benadeelde partijen schadevergoeding van de verdachte gevorderd. De rechtbank zal de vorderingen samenvatten in onderstaande overzichten. 10.019032.25 Benadeelde partij Materiële schade Immateriële schade Totaal [benadeelde 1] € 18.912,66 € 2.500 (reputatieschade) € 500 (psychisch lijden) € 21.912,66 [benadeelde 2] - - - [benadeelde 3] € 146,59 - € 146,59 10.245792.24 Benadeelde partij Materiële schade Immateriële schade Totaal [benadeelde 5] € 650 - € 650 [benadeelde 4] € 319,68 - € 319,68 [benadeelde 6] € 947,22 - € 947,22 Verzocht is om de gevorderde schade te vermeerderen met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 6.2. Standpunt van de officier van justitie Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] wordt de rechtbank verzocht het gevorderde bedrag te matigen en gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid. Voor de vorderingen van zowel [benadeelde 5] als [benadeelde 4] geldt dat de gevorderde bedragen voor de schade aan de auto’s kan worden toegewezen, maar dat het gevorderde gemiste inkomen niet met stukken ondersteund is, en daarom niet toewijsbaar is. De vordering van [benadeelde 6] is geheel toewijsbaar. Voor alle vorderingen is het passend om de wettelijke rente van toepassing te verklaren en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 6.3. Standpunt van de verdediging De benadeelde partij [benadeelde 1] moet niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, omdat de gevorderde materiële schade ziet op de gevolgen van de vermeende smaad/laster, maar daar wordt de verdachte niet voor vervolgd. Daarnaast zijn de gevorderde bedragen niet onderbouwd. Ook de vordering van [benadeelde 6] moet niet-ontvankelijk worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak voor die feiten. Voor de vorderingen van [benadeelde 5] en [benadeelde 4] geldt dat de kosten voor schade aan de auto toegewezen kunnen worden, maar dat de gevorderde schade voor gemiste werkdagen niet-ontvankelijk verklaard moet worden door het gebrek aan onderbouwing. 6.4. Oordeel van de rechtbank 10.019032.25 6.4.1. Vordering [benadeelde 1] Materiële schade en reputatieschade De benadeelde partij heeft schade gevorderd voor onder meer het verlies van haar baan en reputatieschade door het handelen van de verdachte. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van die vorderingen moet de rechtbank echter eerst beoordelen of de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering. Daarvoor gelden een aantal voorwaarden zoals (onder meer) opgenomen in artikel 361 van het Wetboek van Strafvordering. Een van die voorwaarden houdt in dat een benadeelde partij alleen ontvankelijk is in haar vordering als aan haar rechtstreekse schade is toebracht door het bewezen verklaarde feit. In deze strafzaak zijn echter alleen de bedreigingen tegen deze benadeelde partij tenlastegelegd en niet de smaad, waarvan zij blijkens het procesdossier ook aangifte had gedaan. De gevorderde materiële schade en reputatieschade zien op de gevolgen van die smaad, maar dat is niet aan de verdachte ten laste gelegd en daar is de verdachte in deze zaak dus ook niet voor veroordeeld. De gevorderde schade is dus geen rechtstreekse schade is van de bedreigingen en daarom zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van haar vordering. Immateriële schade | psychisch lijden De benadeelde partij heeft € 500,- gevorderde voor psychisch lijden. Hoewel deze schade niet met stukken is onderbouwd, is het zonder meer voorstelbaar dat de benadeelde partij zich als gevolg van het handelen van de verdachte angstig heeft gevoeld en daarvan emotionele gevolgen heeft ondervonden. De verdachte heeft haar op verschillende momenten met de dood bedreigd, zelfs tegenover een verbalisant, en sprak ook over het aanschaffen en het in bezit hebben van een wapen. Gelet op die omstandigheden, acht de rechtbank het gevorderde bedrag voor psychisch lijden billijk. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen. 6.4.2. Vorderingen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] Beide vorderingen worden niet-ontvankelijk verklaard. In de vordering van [benadeelde 2] is geen concrete schade of concreet schadebedrag gevorderd. Bovendien heeft zij in het Wensenformulier bestemd voor het strafdossier aangegeven geen schadevergoeding te willen. Voor de vordering van de politie geldt dat deze schade geen verband houdt met enig aan de verdachte ten laste gelegd feit in deze strafzaak. 10.245792.24 6.4.3. Vordering [benadeelde 5] De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 4 gepleegde strafbare feit omdat zijn autoruit is ingeslagen door de verdachte. De vordering wordt toegewezen voor zover die ziet op het eigen risico omdat deze voldoende is onderbouwd. Ten aanzien van het gevorderde bedrag voor de gemiste werkdag, geldt dat de vordering niet is onderbouwd. Om die reden wordt dat gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. 6.4.4. Vordering [benadeelde 4] De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 3 gepleegde strafbare feit omdat haar autoruit is ingeslagen door de verdachte. De vordering wordt toegewezen voor zover die ziet op de kosten voor het vervangen van die ruit, omdat deze voldoende is onderbouwd. Ten aanzien van het gevorderde bedrag voor de gemiste werkdag, geldt dat de vordering niet is onderbouwd. Om die reden wordt dat gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. 6.4.5. Vordering [benadeelde 6] De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 en 2 gepleegde strafbare feiten.
Volledig
In dit geval is dat de tbs-maatregel en die kán vrijheidsbeneming meebrengen, gelet op artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht. Daaraan doet niet af het feit dat de rechtbank bij dit vonnis voorwaarden betreffende het gedrag van de verdachte zal stellen, en nu dus geen bevel tot dwangverpleging zal geven. Met oplegging van de tbs-maatregel is daarom sprake van een maatregel die vrijheidsbeneming kan medebrengen. De rechtbank is daarom niet gehouden het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. In plaats daarvan zal de rechtbank de voorlopige hechtenis schorsen. Het met onmiddellijke ingang schorsen van dat bevel zou echter leiden tot een periode waarin de verdachte onbehandeld terugkeert in de samenleving en effectieve handhaving van de gestelde voorwaarden onvoldoende zeker is. Mede gelet op de huidige wachttijd voor opname in zorginstellingen, kan die periode zonder behandeling langere tijd duren. Een dergelijke situatie brengt naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de problematiek van de verdachte en de noodzaak van het starten van de behandeling in een zorginstelling, onverantwoorde risico’s voor de algemene veiligheid van personen met zich mee. De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis daarom schorsen onder dezelfde voorwaarden als gesteld in het kader van artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht met ingang van het moment dat de verdachte zal worden opgenomen in de zorginstelling. De rechtbank is zich ervan bewust dat dit betekent dat de verdachte mogelijk nog enkele maanden in voorlopige hechtenis zal verblijven en is zich bewust van de voor de verdachte onwenselijke gevolgen daarvan. Ter zitting is dit ook met de verdachte en diens verdediging besproken, waarbij naar voren is gekomen dat ook zij dit de meest wenselijke situatie achten. De rechtbank verzoekt daarom dringend de bij plaatsing, behandeling en tenuitvoerlegging betrokken instanties al het redelijkerwijs mogelijke in het werk te stellen om de verdachte op de kortst mogelijke termijn te laten opnemen. Het voorgaande heeft tot (onwenselijk) gevolg dat de geschorste voorlopige hechtenis van de verdachte in beginsel tot in het oneindige zal doorlopen. Het is aan de officier van justitie en/of de verdediging om op het daartoe geëigende moment een verzoek te doen tot opheffing van de voorlopige hechtenis bij de raadkamer van de rechtbank. 6 Vorderingen van de benadeelde partijen 6.1. De vorderingen In dit strafproces hebben in beide parketnummers verschillende benadeelde partijen schadevergoeding van de verdachte gevorderd. De rechtbank zal de vorderingen samenvatten in onderstaande overzichten. 10.019032.25 Benadeelde partij Materiële schade Immateriële schade Totaal [benadeelde 1] € 18.912,66 € 2.500 (reputatieschade) € 500 (psychisch lijden) € 21.912,66 [benadeelde 2] - - - [benadeelde 3] € 146,59 - € 146,59 10.245792.24 Benadeelde partij Materiële schade Immateriële schade Totaal [benadeelde 5] € 650 - € 650 [benadeelde 4] € 319,68 - € 319,68 [benadeelde 6] € 947,22 - € 947,22 Verzocht is om de gevorderde schade te vermeerderen met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 6.2. Standpunt van de officier van justitie Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] wordt de rechtbank verzocht het gevorderde bedrag te matigen en gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid. Voor de vorderingen van zowel [benadeelde 5] als [benadeelde 4] geldt dat de gevorderde bedragen voor de schade aan de auto’s kan worden toegewezen, maar dat het gevorderde gemiste inkomen niet met stukken ondersteund is, en daarom niet toewijsbaar is. De vordering van [benadeelde 6] is geheel toewijsbaar. Voor alle vorderingen is het passend om de wettelijke rente van toepassing te verklaren en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 6.3. Standpunt van de verdediging De benadeelde partij [benadeelde 1] moet niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, omdat de gevorderde materiële schade ziet op de gevolgen van de vermeende smaad/laster, maar daar wordt de verdachte niet voor vervolgd. Daarnaast zijn de gevorderde bedragen niet onderbouwd. Ook de vordering van [benadeelde 6] moet niet-ontvankelijk worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak voor die feiten. Voor de vorderingen van [benadeelde 5] en [benadeelde 4] geldt dat de kosten voor schade aan de auto toegewezen kunnen worden, maar dat de gevorderde schade voor gemiste werkdagen niet-ontvankelijk verklaard moet worden door het gebrek aan onderbouwing. 6.4. Oordeel van de rechtbank 10.019032.25 6.4.1. Vordering [benadeelde 1] Materiële schade en reputatieschade De benadeelde partij heeft schade gevorderd voor onder meer het verlies van haar baan en reputatieschade door het handelen van de verdachte. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van die vorderingen moet de rechtbank echter eerst beoordelen of de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering. Daarvoor gelden een aantal voorwaarden zoals (onder meer) opgenomen in artikel 361 van het Wetboek van Strafvordering. Een van die voorwaarden houdt in dat een benadeelde partij alleen ontvankelijk is in haar vordering als aan haar rechtstreekse schade is toebracht door het bewezen verklaarde feit. In deze strafzaak zijn echter alleen de bedreigingen tegen deze benadeelde partij tenlastegelegd en niet de smaad, waarvan zij blijkens het procesdossier ook aangifte had gedaan. De gevorderde materiële schade en reputatieschade zien op de gevolgen van die smaad, maar dat is niet aan de verdachte ten laste gelegd en daar is de verdachte in deze zaak dus ook niet voor veroordeeld. De gevorderde schade is dus geen rechtstreekse schade is van de bedreigingen en daarom zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van haar vordering. Immateriële schade | psychisch lijden De benadeelde partij heeft € 500,- gevorderde voor psychisch lijden. Hoewel deze schade niet met stukken is onderbouwd, is het zonder meer voorstelbaar dat de benadeelde partij zich als gevolg van het handelen van de verdachte angstig heeft gevoeld en daarvan emotionele gevolgen heeft ondervonden. De verdachte heeft haar op verschillende momenten met de dood bedreigd, zelfs tegenover een verbalisant, en sprak ook over het aanschaffen en het in bezit hebben van een wapen. Gelet op die omstandigheden, acht de rechtbank het gevorderde bedrag voor psychisch lijden billijk. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen. 6.4.2. Vorderingen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] Beide vorderingen worden niet-ontvankelijk verklaard. In de vordering van [benadeelde 2] is geen concrete schade of concreet schadebedrag gevorderd. Bovendien heeft zij in het Wensenformulier bestemd voor het strafdossier aangegeven geen schadevergoeding te willen. Voor de vordering van de politie geldt dat deze schade geen verband houdt met enig aan de verdachte ten laste gelegd feit in deze strafzaak. 10.245792.24 6.4.3. Vordering [benadeelde 5] De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 4 gepleegde strafbare feit omdat zijn autoruit is ingeslagen door de verdachte. De vordering wordt toegewezen voor zover die ziet op het eigen risico omdat deze voldoende is onderbouwd. Ten aanzien van het gevorderde bedrag voor de gemiste werkdag, geldt dat de vordering niet is onderbouwd. Om die reden wordt dat gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. 6.4.4. Vordering [benadeelde 4] De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 3 gepleegde strafbare feit omdat haar autoruit is ingeslagen door de verdachte. De vordering wordt toegewezen voor zover die ziet op de kosten voor het vervangen van die ruit, omdat deze voldoende is onderbouwd. Ten aanzien van het gevorderde bedrag voor de gemiste werkdag, geldt dat de vordering niet is onderbouwd. Om die reden wordt dat gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk verklaard. 6.4.5. Vordering [benadeelde 6] De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van de onder 1 en 2 gepleegde strafbare feiten.
Volledig
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte de hendel van het bestuurdersportier heeft vernield, waardoor de gevorderde schade wordt toegewezen voor zover die op die beschadiging ziet, te weten voor een bedrag van € 158,17. Voor het overige wordt deze schadepost niet-ontvankelijk verklaard. Het gevorderde bedrag voor de verkeersboetes, ter hoogte van € 690,-, wordt toegewezen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode als heer en meester over de auto beschikt heeft. Daarmee vallen de in de bewezenverklaarde periode met dat voertuig gereden boetes ook onder zijn verantwoordelijkheid. 6.4.6. Conclusie De verdachte moet de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 5] , [benadeelde 4] en [benadeelde 6] een schadevergoeding betalen zoals in onderstaand overzicht vermeld. De schadevergoedingen zullen tevens vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf de datum die eveneens is opgenomen in het overzicht. Daarnaast wordt oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Benadeelde partij Toegewezen materiële schade Toegewezen immateriële schade Datum ingang wettelijke rente [benadeelde 1] € 500,- 16 januari 2025 [benadeelde 5] € 500,- 29 juli 2024 [benadeelde 4] € 200,- 29 juli 2024 [benadeelde 6] € 848,17 27 juli 2024 De bovengenoemde benadeelde partijen zijn voor het overige in hun vordering niet-ontvankelijk. Dit gedeelte van hun vordering kan alleen nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Nu de vorderingen van deze benadeelde partijen gedeeltelijk zijn toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op € 0,-. Voor de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] geldt dat zij in hun vorderingen geheel niet-ontvankelijk zijn. Deze vorderingen kunnen alleen nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. De benadeelde partijen zullen in de proceskosten door de verdachte ter verdediging tegen deze vorderingen gemaakt worden veroordeeld. De rechtbank begroot deze kosten op € 0,-. 7 Vordering tot tenuitvoerlegging 7.1. Vordering De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 180 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten. 7.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen zodat de verdachte na die tenuitvoerlegging geplaatst kan worden in een zorginstelling. Subsidiair is verzocht om bij afwijzen van de vordering tot tenuitvoerlegging voor een pragmatische oplossing te kiezen zodat de verdachte niet op straat komt te zijn zonder geschikte plek in een zorginstelling. 7.3. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om de vordering af te wijzen nu de verdachte niet langer dan nodig in de gevangenis wil verblijven. Indien de volledige tenuitvoerlegging door de rechtbank wordt bevolen, kan dat problemen opleveren als er eerder dan de einddatum een geschikte plek voor de verdachte komt in een kliniek. Als er geen geschikte plek blijkt te zijn na de tenuitvoerlegging, staat de verdachte alsnog op straat zonder behandeling. 7.4. Oordeel van de rechtbank Allereerst merkt de rechtbank op dat uit de documentatie van de verdachte blijkt dat van deze voorwaardelijke straf op 7 juni 2024 reeds 1 maand ten uitvoer is gelegd. Dat betekent dat er nog 150 dagen van de voorwaardelijke straf openstaan. De bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen. De rechtbank ziet toch af van de tenuitvoerlegging, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de op te leggen tbs met voorwaarden en de (schorsing van) de voorlopige hechtenis. De rechtbank acht het wel passend om de proeftijd met 1 jaar te verlengen. 8 Wettelijke voorschriften De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 38, 38a, 57, 285, 311, 321 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. 9 Beslissingen De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals onder 2 is omschreven, heeft gepleegd; Kwalificatie en strafbaarheid stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de onder 3 vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; Straf en maatregel Gevangenisstraf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 179 dagen ; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, te weten 179 dagen, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; TBS-maatregel beveelt dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden: De terbeschikkinggestelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit . Meewerken aan reclasseringstoezicht : deze medewerking houdt onder andere in: o De terbeschikkinggestelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is. o De terbeschikkinggestelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. o De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden. o De terbeschikkinggestelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. o De terbeschikkinggestelde werkt mee aan huisbezoeken. o De terbeschikkinggestelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners. o De terbeschikkinggestelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering. o De terbeschikkinggestelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht. 3. Meewerken aan time-out : als de reclassering dat nodig vindt en de terbeschikkinggestelde daarmee instemt, kan de terbeschikkinggestelde worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de terbeschikkinggestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar. 4. Niet naar het buitenland : de terbeschikkinggestelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden zonder toestemming van de reclassering. 5. Opname in een zorginstelling : de terbeschikkinggestelde laat zich indien nodig geacht door de reclassering opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start aansluitend op detentie en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de terbeschikkinggestelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de terbeschikkinggestelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing. 6.
Volledig
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte de hendel van het bestuurdersportier heeft vernield, waardoor de gevorderde schade wordt toegewezen voor zover die op die beschadiging ziet, te weten voor een bedrag van € 158,17. Voor het overige wordt deze schadepost niet-ontvankelijk verklaard. Het gevorderde bedrag voor de verkeersboetes, ter hoogte van € 690,-, wordt toegewezen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode als heer en meester over de auto beschikt heeft. Daarmee vallen de in de bewezenverklaarde periode met dat voertuig gereden boetes ook onder zijn verantwoordelijkheid. 6.4.6. Conclusie De verdachte moet de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 5] , [benadeelde 4] en [benadeelde 6] een schadevergoeding betalen zoals in onderstaand overzicht vermeld. De schadevergoedingen zullen tevens vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf de datum die eveneens is opgenomen in het overzicht. Daarnaast wordt oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Benadeelde partij Toegewezen materiële schade Toegewezen immateriële schade Datum ingang wettelijke rente [benadeelde 1] € 500,- 16 januari 2025 [benadeelde 5] € 500,- 29 juli 2024 [benadeelde 4] € 200,- 29 juli 2024 [benadeelde 6] € 848,17 27 juli 2024 De bovengenoemde benadeelde partijen zijn voor het overige in hun vordering niet-ontvankelijk. Dit gedeelte van hun vordering kan alleen nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Nu de vorderingen van deze benadeelde partijen gedeeltelijk zijn toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op € 0,-. Voor de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] geldt dat zij in hun vorderingen geheel niet-ontvankelijk zijn. Deze vorderingen kunnen alleen nog bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. De benadeelde partijen zullen in de proceskosten door de verdachte ter verdediging tegen deze vorderingen gemaakt worden veroordeeld. De rechtbank begroot deze kosten op € 0,-. 7 Vordering tot tenuitvoerlegging 7.1. Vordering De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 180 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten. 7.2. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen zodat de verdachte na die tenuitvoerlegging geplaatst kan worden in een zorginstelling. Subsidiair is verzocht om bij afwijzen van de vordering tot tenuitvoerlegging voor een pragmatische oplossing te kiezen zodat de verdachte niet op straat komt te zijn zonder geschikte plek in een zorginstelling. 7.3. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om de vordering af te wijzen nu de verdachte niet langer dan nodig in de gevangenis wil verblijven. Indien de volledige tenuitvoerlegging door de rechtbank wordt bevolen, kan dat problemen opleveren als er eerder dan de einddatum een geschikte plek voor de verdachte komt in een kliniek. Als er geen geschikte plek blijkt te zijn na de tenuitvoerlegging, staat de verdachte alsnog op straat zonder behandeling. 7.4. Oordeel van de rechtbank Allereerst merkt de rechtbank op dat uit de documentatie van de verdachte blijkt dat van deze voorwaardelijke straf op 7 juni 2024 reeds 1 maand ten uitvoer is gelegd. Dat betekent dat er nog 150 dagen van de voorwaardelijke straf openstaan. De bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen. De rechtbank ziet toch af van de tenuitvoerlegging, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de op te leggen tbs met voorwaarden en de (schorsing van) de voorlopige hechtenis. De rechtbank acht het wel passend om de proeftijd met 1 jaar te verlengen. 8 Wettelijke voorschriften De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 38, 38a, 57, 285, 311, 321 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. 9 Beslissingen De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals onder 2 is omschreven, heeft gepleegd; Kwalificatie en strafbaarheid stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de onder 3 vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; Straf en maatregel Gevangenisstraf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 179 dagen ; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, te weten 179 dagen, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; TBS-maatregel beveelt dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden: De terbeschikkinggestelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit . Meewerken aan reclasseringstoezicht : deze medewerking houdt onder andere in: o De terbeschikkinggestelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is. o De terbeschikkinggestelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. o De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden. o De terbeschikkinggestelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. o De terbeschikkinggestelde werkt mee aan huisbezoeken. o De terbeschikkinggestelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners. o De terbeschikkinggestelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering. o De terbeschikkinggestelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht. 3. Meewerken aan time-out : als de reclassering dat nodig vindt en de terbeschikkinggestelde daarmee instemt, kan de terbeschikkinggestelde worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de terbeschikkinggestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar. 4. Niet naar het buitenland : de terbeschikkinggestelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden zonder toestemming van de reclassering. 5. Opname in een zorginstelling : de terbeschikkinggestelde laat zich indien nodig geacht door de reclassering opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start aansluitend op detentie en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de terbeschikkinggestelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de terbeschikkinggestelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing. 6.
Volledig
Ambulante behandeling : de terbeschikkinggestelde laat zich aansluitend aan zijn klinische opname ambulant behandelen door een forensische ggz instelling zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de terbeschikkinggestelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. 7. Verblijf in begeleid wonen op maatschappelijke opvang : aansluitend aan zijn klinische opname zal de terbeschikkinggestelde verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Het verblijf duurt zolang de reclassering en zorginstelling dat nodig vinden. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt. 8. Verbod verdovende middelen : de terbeschikkinggestelde gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en/of lijst II (softdrugs) en/of geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De terbeschikkinggestelde moet meewerken aan controles. Dit kan zijn een urineonderzoek, ademonderzoek op speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met wel controlemiddel wordt gecontroleerd. 9. Contactverbod : de terbeschikkinggestelde zoekt of heeft op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1990, zolang het Openbaar Ministerie dit nodig acht. 10. Dagbesteding : de terbeschikkinggestelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. 11. Aflossing schulden : de terbeschikkinggestelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt het meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De terbeschikkinggestelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden. 12. Geven van openheid : de terbeschikkinggestelde geeft de reclassering openheid over het aangaan en onderhouden van (partner)relaties en verleent de reclassering toestemming om relevante referenten uit zijn (sociale) netwerk te raadplegen en contact te onderhouden met personen en instanties die deel uitmaken van zijn (sociale) netwerk. geeft aan de Reclassering Nederland opdracht de verdachte bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen; beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is; Voorlopige hechtenis schorst de voorlopige hechtenis onder de hierboven genoemde voorwaarden, met ingang van het moment waarop de verdachte wordt opgenomen in een zorginstelling, Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10.149983.23) verlengt de proeftijd van de bij vonnis van 24 augustus 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met 1 jaar; Vorderingen benadeelde partijen [benadeelde 1] veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1 en 2, parketnummer 10.019032.25) te betalen een bedrag van € 500,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 16 januari 2025 tot de dag van volledige betaling. verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis; legt aan de verdachte voor feit 1 en 2 onder parketnummer 10.019032.25 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat € 500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 16 januari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 5 dagen . De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op; [benadeelde 2] verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 3, parketnummer 10.019032.25); veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0,-; [benadeelde 3] verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering (parketnummer 10.019032.25); veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0,-; [benadeelde 5] veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 5] (feit 4, parketnummer 10.245792.24) te betalen een bedrag van € 500,- als vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 29 juli 2024 tot de dag van volledige betaling. verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis; legt aan de verdachte voor feit 4 onder parketnummer 10.245792.24 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] aan de staat € 500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 29 juli 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 5 dagen . De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op; [benadeelde 4] veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 4] (feit 3, parketnummer 10.245792.24) te betalen een bedrag van € 200,- als vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 29 juli 2024 tot de dag van volledige betaling. verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis; legt aan de verdachte voor feit 3 onder parketnummer 10.245792.24 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] aan de staat € 200,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 29 juli 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 2 dagen . De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op; [benadeelde 6] veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 6] (feit 1 en 2, parketnummer 10.245792.24) te betalen een bedrag van € 848,17 als vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 27 juli 2024 tot de dag van volledige betaling. verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis; legt aan de verdachte voor feit 1 en 2 onder parketnummer 10.245792.24 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 6] aan de staat € 848,17 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 27 juli 2024 tot aan de dag van de gehele betaling.
Volledig
Ambulante behandeling : de terbeschikkinggestelde laat zich aansluitend aan zijn klinische opname ambulant behandelen door een forensische ggz instelling zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de terbeschikkinggestelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. 7. Verblijf in begeleid wonen op maatschappelijke opvang : aansluitend aan zijn klinische opname zal de terbeschikkinggestelde verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Het verblijf duurt zolang de reclassering en zorginstelling dat nodig vinden. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt. 8. Verbod verdovende middelen : de terbeschikkinggestelde gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en/of lijst II (softdrugs) en/of geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De terbeschikkinggestelde moet meewerken aan controles. Dit kan zijn een urineonderzoek, ademonderzoek op speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met wel controlemiddel wordt gecontroleerd. 9. Contactverbod : de terbeschikkinggestelde zoekt of heeft op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1990, zolang het Openbaar Ministerie dit nodig acht. 10. Dagbesteding : de terbeschikkinggestelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. 11. Aflossing schulden : de terbeschikkinggestelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt het meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De terbeschikkinggestelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden. 12. Geven van openheid : de terbeschikkinggestelde geeft de reclassering openheid over het aangaan en onderhouden van (partner)relaties en verleent de reclassering toestemming om relevante referenten uit zijn (sociale) netwerk te raadplegen en contact te onderhouden met personen en instanties die deel uitmaken van zijn (sociale) netwerk. geeft aan de Reclassering Nederland opdracht de verdachte bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen; beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is; Voorlopige hechtenis schorst de voorlopige hechtenis onder de hierboven genoemde voorwaarden, met ingang van het moment waarop de verdachte wordt opgenomen in een zorginstelling, Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10.149983.23) verlengt de proeftijd van de bij vonnis van 24 augustus 2023 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met 1 jaar; Vorderingen benadeelde partijen [benadeelde 1] veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1 en 2, parketnummer 10.019032.25) te betalen een bedrag van € 500,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 16 januari 2025 tot de dag van volledige betaling. verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis; legt aan de verdachte voor feit 1 en 2 onder parketnummer 10.019032.25 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat € 500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 16 januari 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 5 dagen . De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op; [benadeelde 2] verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 3, parketnummer 10.019032.25); veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0,-; [benadeelde 3] verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering (parketnummer 10.019032.25); veroordeelt de benadeelde partij in de kosten die de verdachte heeft gemaakt voor de verdediging tegen de vordering, en begroot deze kosten op € 0,-; [benadeelde 5] veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 5] (feit 4, parketnummer 10.245792.24) te betalen een bedrag van € 500,- als vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 29 juli 2024 tot de dag van volledige betaling. verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis; legt aan de verdachte voor feit 4 onder parketnummer 10.245792.24 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] aan de staat € 500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 29 juli 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 5 dagen . De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op; [benadeelde 4] veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 4] (feit 3, parketnummer 10.245792.24) te betalen een bedrag van € 200,- als vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 29 juli 2024 tot de dag van volledige betaling. verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis; legt aan de verdachte voor feit 3 onder parketnummer 10.245792.24 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] aan de staat € 200,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 29 juli 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 2 dagen . De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op; [benadeelde 6] veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 6] (feit 1 en 2, parketnummer 10.245792.24) te betalen een bedrag van € 848,17 als vergoeding van materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 27 juli 2024 tot de dag van volledige betaling. verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,- en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis; legt aan de verdachte voor feit 1 en 2 onder parketnummer 10.245792.24 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 6] aan de staat € 848,17 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 27 juli 2024 tot aan de dag van de gehele betaling.