Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-01-20
ECLI:NL:RBROT:2026:566
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/10032 uitspraak van de meervoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen [naam eiseres] , uit [plaats] , eiseres en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister (gemachtigde: mr. P. Stahl-de Bruin). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een eenmalig bedrag op grond van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen van Surinaamse herkomst (het Tijdelijk besluit). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres ten onrechte heeft afgewezen . Eiseres heeft dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming op grond van het Tijdelijk besluit. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 2 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 september 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de echtgenoot van eiseres en mr. P. van der Voorn en mr. K. Verbeek namens de minister. 2.5. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend. 2.6. De minister heeft een nader stuk ingediend. 2.7. Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om ter nadere zitting te worden gehoord. Met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) sluit de rechtbank het onderzoek. Beoordeling door de rechtbank Achtergrond en wettelijk kader 3. Op grond van artikel 13, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) wordt voor ieder niet verzekerd jaar een korting van 2% toegepast. Hierdoor heeft een groep ouderen van Surinaamse herkomst geen volledige AOW-uitkering opgebouwd, omdat de jaren waarin zij in Suriname woonden niet meetellen, aangezien zij toen geen ingezetenen waren. Dit is als onrecht ervaren, omdat Suriname voor de onafhankelijkheid van 25 november 1975 onderdeel was van het Koninkrijk der Nederlanden. Op grond van artikel 2 van het Tijdelijk besluit “wordt als gebaar van erkenning een eenmalig bedrag toegekend aan ouderen van Surinaamse herkomst, dat ziet op de unieke samenloop van omstandigheden van deze groep, gevormd door de verwachtingen die zijn ontstaan rondom het onafhankelijkheidsproces van Suriname, in verband met de komst van deze groep naar Nederland met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst, het onrecht dat deze groep ervaart, omdat zij veronderstelden door de komst naar Nederland ook recht op een volledige ouderdomsuitkering op grond van de AOW te krijgen, terwijl soms over een lange periode geen recht op grond van de AOW is opgebouwd, en de politiekbestuurlijke wens om de pijn van deze groep vanwege deze samenloop van omstandigheden te erkennen.”. Als aan de voorwaarden van artikel 3 wordt voldaan, heeft de belanghebbende op grond van artikel 4 van het Tijdelijk besluit recht op een eenmalig bedrag van € 5.000,-. 4. In artikel 3 van het Tijdelijk besluit is bepaald dat een persoon recht heeft op een eenmalig bedrag, indien deze: a. uiterlijk op 25 november 1975 in Nederland is gaan wonen, met het oog op de inwerkingtreding van de Toescheidingsovereenkomst; b. voorafgaand aan het tijdstip waarop deze persoon in Nederland ging wonen in Suriname woonde; c. ten minste de leeftijd van 18 jaar had bereikt op het tijdstip, waarop deze persoon in Nederland ging wonen; en d. op 1 juli 2024 ten min In het commissiedebat van 29 juni 2023 is nog toegelicht dat niet wordt gekozen voor de indertijd geldende leeftijd voor meerderjarigheid van 21 jaar, maar voor de leeftijd van 18 jaar, omdat men dan, naar actuele maatstaven, handelingsbevoegd (bedoeld zal zijn: handelingsbekwaam) is en zelf keuzes kan maken. 8.2. Aan het Tijdelijk besluit ligt een politiek-bestuurlijke afweging ten grondslag en de rechtbank is van oordeel dat de gekozen leeftijdsgrens op zichzelf en in beginsel de terughoudende rechterlijke toets kan doorstaan. De rechtbank acht de in het Tijdelijk besluit gemaakte keuze voor de leeftijdsgrens van 18 jaar inzichtelijk en voldoende gemotiveerd. Inherent aan een afbakening door het stellen van een leeftijdsgrens is dat een groep mensen die wel de bewuste keuze hebben gemaakt om naar Nederland te verhuizen, maar die (net) niet aan het leeftijdsvereiste voldoen, geen gebaar van erkenning krijgen. 8.3. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat onverkorte toepassing van de leeftijdsgrens in haar geval onevenredig uitvalt, evenwel gewezen op artikel 1:233 van het Burgerlijk Wetboek. Ten tijde van de komst van eiseres naar Nederland luidde artikel 233 van het Burgerlijk Wetboek (oud) als volgt: “Minderjarigen zijn zij, die de ouderdom van een en twintig jaren niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest.” Eiseres is op 28 juli 1973 gehuwd. Hieruit volgt dat eiseres op het moment dat zij in Nederland kwam wonen voor de Nederlandse wet meerderjarig was en dus handelingsbekwaam. Voor de groep personen van Surinaamse herkomst die bij aankomst in Nederland jonger dan 18 jaar, maar gehuwd waren en daardoor volgens de Nederlandse wet meerderjarig waren, is niets geregeld in het Tijdelijk besluit. Uit de hiervoor genoemde Nota van toelichting of het verslag van het commissiedebat blijkt ook niet dat bij deze groep is stilgestaan. Deze groep personen is dus, naar het de rechtbank voorkomt, bij de totstandkoming van het Tijdelijk besluit over het hoofd gezien. 8.4. Gelet op de bedoeling van de leeftijdsgrens van 18 jaar – namelijk aansluiting zoeken bij het moment waarop een persoon wettelijk handelingsbekwaam is geworden, wat indertijd ook voor jonggehuwden gold – en de omstandigheid dat in de Nota van toelichting een verwijzing naar de Toescheidingsovereenkomst is opgenomen, waarbij de rechtbank van belang acht dat in artikel 1, eerste lid, daarvan niet alleen is bepaald dat zij die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt meerderjarig zijn in de zin van deze Overeenkomst maar ook zij die vroeger in het huwelijk zijn getreden, leidt de toepassing van artikel 3, aanhef en onder c, van het Tijdelijk besluit naar het oordeel van de rechtbank voor deze groep gehuwden daarom tot een uitkomst die onevenredig is in verhouding tot het doel van het Tijdelijk besluit. De leeftijdsvoorwaarde moet daarom voor de groep gehuwden jonger dan 18 jaar – en daarmee ook voor eiseres – vanwege strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing blijven. De rechtbank tekent hierbij nog aan dat dit niet wezenlijk afdoet aan de uitvoerbaarheid van het Tijdelijk besluit, aangezien gehuwd zijn doorgaans eenvoudig valt vast te stellen. Conclusie en gevolgen 9.1. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en herroept het besluit van 2 augustus 2024. De rechtbank kan met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien en bepaalt dat eiseres recht heeft op een eenmalig bedrag van € 5.000,-. 9.2. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 25 september 2024; - herroept het besluit van 2 augustus 2024; - bepaalt dat eiseres recht heeft op een eenmalig bedrag van € 5.000,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bes