Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-05-13
ECLI:NL:RBROT:2026:5647
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
10,571 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5647 text/xml public 2026-05-18T10:54:48 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-05-13 ROT 24/11304 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5647 text/html public 2026-05-18T10:51:08 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5647 Rechtbank Rotterdam , 13-05-2026 / ROT 24/11304 Boete opgelegd voor vervoer van kreupel varken. Geen aanleiding om eraan te twijfelen dat het varken op het slachthuis pijn had en kreupel liep, maar de rechtbank kan niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat die kreupelheid en pijnlijkheid aan die poot al voorafgaande aan het vervoer aanwezig is geweest. Beroep gegrond. Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/11304 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres], te [plaats], eiseres, en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur , voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, (gemachtigde: mr. E.A. Verhulp). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 1.500,- die verweerder met het besluit van 19 juli 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete ten onrechte heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. 1.2. Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 1 november 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (middellijk bestuurder van eiseres), bijgestaan door dierenarts [naam], en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door mr. F. Peters van Neijenhof en [naam], toezichthoudend dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA ). Totstandkoming van het bestreden besluit 3.1. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 24 mei 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. De toezichthouder schrijft in het rapport onder meer het volgende. “ Datum en tijdstip van de bevindingen: 28 maart 2024, omstreeks 07:45 uur. Ik bevond mij bij slachthuis Agri 4+ te Lichtenvoorde waar ik de antemortem keuring van varkens aan het uitvoeren was. Ik bevond mij op stal bij de bovengenoemde locatie en liep het hok in waar de varkens gestald waren. Ik zag een varken met slachtbliknummer [nummer] (zie foto 1) en UBN [nummer] (zie foto 2). Ik zag dat het varken op drie poten stond. De poot links achter hield hij hangend. Hierdoor besloot ik het varken nader te onderzoeken en maakte ik de volgende bevindingen: ik zag dat het varken tijdens het voortbewegen en in stilstand de linker achterpoot helemaal niet kon belasten (zie video). Ik zag dat de linker achterpoot verdikt was in de regio van de gewrichten van de tarsus (achterschenkel). Ik zag dat het varken een ongelijke gewichtsverdeling had. Ik zag dat de spieren op de linker achterpoot verminderd waren qua spiertonus. Bij het aanraken van het aangetaste gebied (verdikking) voelde ik een harde plek. Boven en onder het aangetaste gebied voelde ik een warm gebied. Het pijnlijke gevoel en warme gebied wijzen op een ontsteking (zie foto 3; de foto is genomen nadat het varken is gedood). Het varken reageerde meteen pijnlijk op mijn aanraking van het aangetaste gebied door het terugtrekken van de betreffende poot. Ik zag dat het varken zijn lichamelijke houding afwijkend had met een kromme rug en opgetrokken buik. Dit duidt ook op ernstige lichamelijke pijn. Ik zag dat de buikholte en de borstholte sneller bewogen dan bij een normaal of rustig varken; het varken had een versnelde ademhaling. Ik hoorde het varken tandenknarsen hetgeen vaak voorkomt bij dieren die op dat moment pijn hebben. Ik zag dat het varken steeds zocht naar een plek waarop hij kon gaan liggen vanwege de pijn die het varken toen had. Ik besloot om het varken direct te laten bedwelmen en doden en zelf postmortem te keuren. De volgende PM-bevindingen zijn geconstateerd door de officiële dierenarts 39420 bij het varken met slachtbliknummer [nummer] en UBN [nummer]: botvergroeiing rondom de gewrichten van de tarsus, meerdere bloedingen in het gewricht en in het hele aangetaste gebied (zie foto’s 4, 5, 6 en 7) en erosie van het gewrichtsoppervlak (zie foto 7). Bij het postmortem onderzoek constateerde ik dat de tarsale gewrichten waren ingekapseld in een hard botachtig weefsel in de vorm van een bal (zie foto’s 4, 5, 6 en 7). Ik constateerde bloedingen zowel op het oppervlak van het aangetaste gebied als in het binnenste van het gewricht. Ik zag dat het gewrichtsoppervlak erosie vertoonde dat doorgedrongen was tot in de diepte van de tarsale en metatarsale botten (zie foto 7). Mijn bovengenoemde beschreven waarnemingen bij het varken met slachtbliknummer [nummer] en UBN [nummer] zijn door mij herkend als pijnlijke ossificatie na een trauma (bijvoorbeeld gebroken poot/botbreuk/infectieuze ontsteking van gewricht). De pijnlijke ossificatie die de kreupelheid veroorzaakte was al minimaal 4 dagen aanwezig; dit bleek mij uit de aanwezigheid van abcesvormingen in het gewricht en erosies van het oppervlak van het gewricht. De kreupelheid veroorzaakt door de pijnlijke ossificatie was al voor transport, dat volgens het vervoersdocument met volgnummer [nummer] had plaatsgevonden op 26 maart 2024, aanwezig en zichtbaar (zie bijlage vervoersdocument met volgnummer [nummer]). Het transport heeft extra lijden veroorzaakt voor het varken, omdat het varken een extra stressfactor had door contact met andere varkens tijdens het transport. Daarnaast heeft het varken tijdens het in- en uitladen en tijdens het transport door het nemen van bochten door de vrachtwagen de pijnlijke poot moeten belasten om het evenwicht te kunnen bewaren, hetgeen ook extra lijden heeft veroorzaakt. ” 3.2. Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “De vervoerder vervoerde op 26 maart 2024 een varken dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, omdat het dier niet in staat was zich op eigen kracht pijnloos te bewegen.” Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 3, aanhef en onder b, artikel 6, derde lid, en Bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en paragraaf 2, onder a, van de Transportverordening . Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 1.500,-. Beoordeling door de rechtbank Heeft verweerder bewezen dat eiseres de overtreding heeft begaan? 4. Volgens eiseres stelt verweerder ten onrechte dat het varken al voorafgaand aan het transport niet in staat was op eigen kracht pijnloos voort te bewegen en dat de chauffeur dit had kunnen zien. Het varken heeft waarschijnlijk in het verleden pijnlijke kreupelheid vertoond, maar dit is uiteindelijk genezen, waardoor het varken geen (zichtbare) pijn had toen het werd geladen. Een verdikte poot is geen reden om een dier niet te vervoeren als het pijnloos kan bewegen. Het is onmogelijk om achteraf te bepalen dat een varken veertig uur eerder pijn moet hebben gehad bij het laden.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5647 text/xml public 2026-05-18T10:54:48 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-05-13 ROT 24/11304 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5647 text/html public 2026-05-18T10:51:08 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5647 Rechtbank Rotterdam , 13-05-2026 / ROT 24/11304 Boete opgelegd voor vervoer van kreupel varken. Geen aanleiding om eraan te twijfelen dat het varken op het slachthuis pijn had en kreupel liep, maar de rechtbank kan niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat die kreupelheid en pijnlijkheid aan die poot al voorafgaande aan het vervoer aanwezig is geweest. Beroep gegrond. Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/11304 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres], te [plaats], eiseres, en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur , voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, (gemachtigde: mr. E.A. Verhulp). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een boete van € 1.500,- die verweerder met het besluit van 19 juli 2024 aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de boete ten onrechte heeft opgelegd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. 1.2. Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 1 november 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het boetebesluit gebleven. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (middellijk bestuurder van eiseres), bijgestaan door dierenarts [naam], en de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door mr. F. Peters van Neijenhof en [naam], toezichthoudend dierenarts bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA ). Totstandkoming van het bestreden besluit 3.1. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 24 mei 2024 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. De toezichthouder schrijft in het rapport onder meer het volgende. “ Datum en tijdstip van de bevindingen: 28 maart 2024, omstreeks 07:45 uur. Ik bevond mij bij slachthuis Agri 4+ te Lichtenvoorde waar ik de antemortem keuring van varkens aan het uitvoeren was. Ik bevond mij op stal bij de bovengenoemde locatie en liep het hok in waar de varkens gestald waren. Ik zag een varken met slachtbliknummer [nummer] (zie foto 1) en UBN [nummer] (zie foto 2). Ik zag dat het varken op drie poten stond. De poot links achter hield hij hangend. Hierdoor besloot ik het varken nader te onderzoeken en maakte ik de volgende bevindingen: ik zag dat het varken tijdens het voortbewegen en in stilstand de linker achterpoot helemaal niet kon belasten (zie video). Ik zag dat de linker achterpoot verdikt was in de regio van de gewrichten van de tarsus (achterschenkel). Ik zag dat het varken een ongelijke gewichtsverdeling had. Ik zag dat de spieren op de linker achterpoot verminderd waren qua spiertonus. Bij het aanraken van het aangetaste gebied (verdikking) voelde ik een harde plek. Boven en onder het aangetaste gebied voelde ik een warm gebied. Het pijnlijke gevoel en warme gebied wijzen op een ontsteking (zie foto 3; de foto is genomen nadat het varken is gedood). Het varken reageerde meteen pijnlijk op mijn aanraking van het aangetaste gebied door het terugtrekken van de betreffende poot. Ik zag dat het varken zijn lichamelijke houding afwijkend had met een kromme rug en opgetrokken buik. Dit duidt ook op ernstige lichamelijke pijn. Ik zag dat de buikholte en de borstholte sneller bewogen dan bij een normaal of rustig varken; het varken had een versnelde ademhaling. Ik hoorde het varken tandenknarsen hetgeen vaak voorkomt bij dieren die op dat moment pijn hebben. Ik zag dat het varken steeds zocht naar een plek waarop hij kon gaan liggen vanwege de pijn die het varken toen had. Ik besloot om het varken direct te laten bedwelmen en doden en zelf postmortem te keuren. De volgende PM-bevindingen zijn geconstateerd door de officiële dierenarts 39420 bij het varken met slachtbliknummer [nummer] en UBN [nummer]: botvergroeiing rondom de gewrichten van de tarsus, meerdere bloedingen in het gewricht en in het hele aangetaste gebied (zie foto’s 4, 5, 6 en 7) en erosie van het gewrichtsoppervlak (zie foto 7). Bij het postmortem onderzoek constateerde ik dat de tarsale gewrichten waren ingekapseld in een hard botachtig weefsel in de vorm van een bal (zie foto’s 4, 5, 6 en 7). Ik constateerde bloedingen zowel op het oppervlak van het aangetaste gebied als in het binnenste van het gewricht. Ik zag dat het gewrichtsoppervlak erosie vertoonde dat doorgedrongen was tot in de diepte van de tarsale en metatarsale botten (zie foto 7). Mijn bovengenoemde beschreven waarnemingen bij het varken met slachtbliknummer [nummer] en UBN [nummer] zijn door mij herkend als pijnlijke ossificatie na een trauma (bijvoorbeeld gebroken poot/botbreuk/infectieuze ontsteking van gewricht). De pijnlijke ossificatie die de kreupelheid veroorzaakte was al minimaal 4 dagen aanwezig; dit bleek mij uit de aanwezigheid van abcesvormingen in het gewricht en erosies van het oppervlak van het gewricht. De kreupelheid veroorzaakt door de pijnlijke ossificatie was al voor transport, dat volgens het vervoersdocument met volgnummer [nummer] had plaatsgevonden op 26 maart 2024, aanwezig en zichtbaar (zie bijlage vervoersdocument met volgnummer [nummer]). Het transport heeft extra lijden veroorzaakt voor het varken, omdat het varken een extra stressfactor had door contact met andere varkens tijdens het transport. Daarnaast heeft het varken tijdens het in- en uitladen en tijdens het transport door het nemen van bochten door de vrachtwagen de pijnlijke poot moeten belasten om het evenwicht te kunnen bewaren, hetgeen ook extra lijden heeft veroorzaakt. ” 3.2. Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “De vervoerder vervoerde op 26 maart 2024 een varken dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, omdat het dier niet in staat was zich op eigen kracht pijnloos te bewegen.” Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 3, aanhef en onder b, artikel 6, derde lid, en Bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en paragraaf 2, onder a, van de Transportverordening . Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 1.500,-. Beoordeling door de rechtbank Heeft verweerder bewezen dat eiseres de overtreding heeft begaan? 4. Volgens eiseres stelt verweerder ten onrechte dat het varken al voorafgaand aan het transport niet in staat was op eigen kracht pijnloos voort te bewegen en dat de chauffeur dit had kunnen zien. Het varken heeft waarschijnlijk in het verleden pijnlijke kreupelheid vertoond, maar dit is uiteindelijk genezen, waardoor het varken geen (zichtbare) pijn had toen het werd geladen. Een verdikte poot is geen reden om een dier niet te vervoeren als het pijnloos kan bewegen. Het is onmogelijk om achteraf te bepalen dat een varken veertig uur eerder pijn moet hebben gehad bij het laden.
Volledig
Dat is ook onwaarschijnlijk, nu de varkenshouder en de chauffeur geen zichtbare pijn hebben geconstateerd en bij het lossen en het laden een dag later ook geen pijn bij het dier is geconstateerd. Hierbij is van belang dat eiseres bij deze rit in totaal slechts vier varkens heeft vervoerd, zodat ieder varken goed zichtbaar is geweest. Het bedrijf dat het varken uiteindelijk naar het slachthuis vervoerde zou ook geen enkele reden hebben om risico te lopen door een varken van een andere handelaar met zichtbare pijn te vervoeren. Mogelijk heeft het varken tijdens het transport, tijdens het lossen of op de slachterij een nieuw trauma opgelopen waardoor het kreupel liep. Dat is ook goed mogelijk omdat volgens de dierenarts sprake was van een ontsteking. Een acute ontsteking treedt meteen op na een weefselbeschadiging en duurt meestal niet langer dan enkele dagen. Ook de bloeding kan wijzen op een acuut trauma, los van de eerder ontstane vergroeiing in het gewricht. Verder is op de bij het rapport gevoegde video te zien dat het varken in goede conditie was en geen ligplekken had en dit beeld past niet bij een dier dat al langere tijd slechts een paar passen kan zetten vanwege de pijn, aldus eiseres. 4.1. In een geval als het onderhavige, waarin een boete is opgelegd, rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder mag daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en de inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Aangezien de constateringen van de toezichthouder pas na het transport zijn gedaan (zoals gebruikelijk is), dient de toezichthouder in het rapport te motiveren dat het dier al voorafgaand aan het transport daarvoor niet geschikt was. Het ligt hierbij voor de hand dat de toezichthouder ook de duur van het transport betrekt, evenals de invloed die het transport kan hebben gehad op de toestand van het dier. 4.2. De rechtbank ziet geen aanleiding om eraan te twijfelen dat het varken op het slachthuis pijn had en kreupel liep. De toezichthouder schrijft dat hij zag dat het varken de linker achterpoot hangend hield en in stilstand en voortbewegen niet belastte, dat deze poot verdikt was en dat het varken tekenen vertoonde van ernstige pijn. Bij het rapport van bevindingen is ook een video gevoegd waarop duidelijk te zien is dat het varken de linker achterpoot niet belast. Eiseres betwist ook niet dat het dier op het slachthuis pijn had en kreupel liep. 4.3. Voor het vaststellen van de overtreding moet echter ook voldoende vaststaan dat het varken zich al voorafgaande aan het door eiseres uitgevoerde transport niet op eigen kracht pijnloos kon voortbewegen. Dit betreft het transport vanaf de veehouder naar het verzamelcentrum, dat op 26 maart 2024 omstreeks 15.10 uur is aangevangen. Het varken is toen door eiseres vervoerd naar een verzamelcentrum, waar het varken enige tijd heeft verbleven. Vervolgens is het varken naar het slachthuis vervoerd, waar de toezichthouder het dier op 28 maart 2024 omstreeks 7.45 uur heeft beoordeeld. De toezichthouder heeft zijn bevindingen dus ongeveer veertig uur na de aanvang van het door eiseres uitgevoerde transport gedaan. Volgens de toezichthouder moet al voorafgaande aan dat transport de pijnlijke kreupelheid bij het varken aanwezig en zichtbaar zijn geweest. In het rapport van bevindingen motiveert de toezichthoudend dierenarts deze conclusie met een verwijzing naar zijn bevindingen bij het postmortem onderzoek. De toezichthouder heeft bij dit onderzoek onder meer vastgesteld dat in de poot sprake was van botvergroeiing rondom de gewrichten, van meerdere bloedingen en van erosie van het gewrichtsoppervlak. De tarsale gewrichten waren ingekapseld in een hard botachtig weefsel. Daarbij verwijst de toezichthouder naar de bij het rapport gevoegde foto’s. Op basis van deze bevindingen concludeert de toezichthoudend dierenarts in het rapport dat sprake was van een pijnlijke ossificatie na een trauma (bijvoorbeeld een gebroken poot, botbreuk of infectieuze ontsteking) die al minimaal vier dagen aanwezig was en de kreupelheid veroorzaakte. 4.4. Eiseres heeft naar voren gebracht dat het varken in het verleden een aandoening heeft gehad aan de bewuste poot. Na behandeling daarvan is het varken hersteld. Het varken was niet kreupel en had geen zichtbare pijn toen het werd ingeladen. De door eiseres ingeschakelde dierenarts heeft ter zitting – op basis van het rapport en het daarbij gevoegde beeldmateriaal – beaamd dat in de poot sprake was van ossificatie en abcesvorming. Volgens hem is echter sprake geweest van een oude gewrichtsontsteking. Na vergroeiing van het gewricht en afkapseling van de ontsteking heeft het dier weliswaar een zwelling aan de poot overgehouden, maar het heeft wel zonder pijn en kreupelheid kunnen lopen. Volgens deze dierenarts was nog wel sprake van een kwetsbaar gewricht, wat blijkt uit de waargenomen gewrichtserosie. Er kan daarom na het inladen een breuk zijn ontstaan die heeft geleid tot de ernstige kreupelheid, zoals waargenomen op het slachthuis. De geconstateerde bloedingen wijzen volgens hem ook op een acuut trauma. 4.5. Gelet op deze verklaring van de door eiseres ingeschakelde dierenarts staat voor de rechtbank niet vast dat het varken voorafgaand aan het transport, dus veertig uur eerder, al kreupel en met pijn heeft gelopen. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat de op de zitting aanwezige toezichthoudend dierenarts heeft beaamd dat de ossificatie rond het gewricht veel ouder is dan vier dagen voor het transport en dat een afgeronde vergroeiing van het gewricht kan leiden tot een situatie waarin geen pijn meer wordt ervaren. Volgens deze toezichthouder was de poot van dit varken evenwel nog niet zodanig hersteld. Daarom was het gewricht nog pijnlijk en liep het varken kreupel. Maar de door eiseres ingeschakelde dierenarts heeft voor die pijnlijkheid en kreupelheid een andere oorzaak aangewezen, namelijk een acuut trauma dat het varken tijdens transport of nadien in een stal kan hebben opgelopen. Weliswaar staat dus vast dat het varken in het verleden een aandoening aan het gewricht van de linker achterpoot heeft gehad, maar de rechtbank kan niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de op het slachthuis geconstateerde kreupelheid en pijnlijkheid aan die poot aanwezig is geweest voorafgaande aan het vervoer door eiseres. Er kan dus niet worden vastgesteld dat eiseres de overtreding heeft begaan. Dit betekent dat verweerder niet bevoegd was een boete aan eiseres op te leggen. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is dus gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit herroepen. Dit betekent dat de boete vervalt. 6. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. De rechtbank stelt de te vergoeden reiskosten van [naam] vast op het opgegeven bedrag van € 58,24, wat aansluit bij het bedrag aan reiskosten met het openbaar vervoer 2e klas.
Volledig
Dat is ook onwaarschijnlijk, nu de varkenshouder en de chauffeur geen zichtbare pijn hebben geconstateerd en bij het lossen en het laden een dag later ook geen pijn bij het dier is geconstateerd. Hierbij is van belang dat eiseres bij deze rit in totaal slechts vier varkens heeft vervoerd, zodat ieder varken goed zichtbaar is geweest. Het bedrijf dat het varken uiteindelijk naar het slachthuis vervoerde zou ook geen enkele reden hebben om risico te lopen door een varken van een andere handelaar met zichtbare pijn te vervoeren. Mogelijk heeft het varken tijdens het transport, tijdens het lossen of op de slachterij een nieuw trauma opgelopen waardoor het kreupel liep. Dat is ook goed mogelijk omdat volgens de dierenarts sprake was van een ontsteking. Een acute ontsteking treedt meteen op na een weefselbeschadiging en duurt meestal niet langer dan enkele dagen. Ook de bloeding kan wijzen op een acuut trauma, los van de eerder ontstane vergroeiing in het gewricht. Verder is op de bij het rapport gevoegde video te zien dat het varken in goede conditie was en geen ligplekken had en dit beeld past niet bij een dier dat al langere tijd slechts een paar passen kan zetten vanwege de pijn, aldus eiseres. 4.1. In een geval als het onderhavige, waarin een boete is opgelegd, rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder mag daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en de inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Aangezien de constateringen van de toezichthouder pas na het transport zijn gedaan (zoals gebruikelijk is), dient de toezichthouder in het rapport te motiveren dat het dier al voorafgaand aan het transport daarvoor niet geschikt was. Het ligt hierbij voor de hand dat de toezichthouder ook de duur van het transport betrekt, evenals de invloed die het transport kan hebben gehad op de toestand van het dier. 4.2. De rechtbank ziet geen aanleiding om eraan te twijfelen dat het varken op het slachthuis pijn had en kreupel liep. De toezichthouder schrijft dat hij zag dat het varken de linker achterpoot hangend hield en in stilstand en voortbewegen niet belastte, dat deze poot verdikt was en dat het varken tekenen vertoonde van ernstige pijn. Bij het rapport van bevindingen is ook een video gevoegd waarop duidelijk te zien is dat het varken de linker achterpoot niet belast. Eiseres betwist ook niet dat het dier op het slachthuis pijn had en kreupel liep. 4.3. Voor het vaststellen van de overtreding moet echter ook voldoende vaststaan dat het varken zich al voorafgaande aan het door eiseres uitgevoerde transport niet op eigen kracht pijnloos kon voortbewegen. Dit betreft het transport vanaf de veehouder naar het verzamelcentrum, dat op 26 maart 2024 omstreeks 15.10 uur is aangevangen. Het varken is toen door eiseres vervoerd naar een verzamelcentrum, waar het varken enige tijd heeft verbleven. Vervolgens is het varken naar het slachthuis vervoerd, waar de toezichthouder het dier op 28 maart 2024 omstreeks 7.45 uur heeft beoordeeld. De toezichthouder heeft zijn bevindingen dus ongeveer veertig uur na de aanvang van het door eiseres uitgevoerde transport gedaan. Volgens de toezichthouder moet al voorafgaande aan dat transport de pijnlijke kreupelheid bij het varken aanwezig en zichtbaar zijn geweest. In het rapport van bevindingen motiveert de toezichthoudend dierenarts deze conclusie met een verwijzing naar zijn bevindingen bij het postmortem onderzoek. De toezichthouder heeft bij dit onderzoek onder meer vastgesteld dat in de poot sprake was van botvergroeiing rondom de gewrichten, van meerdere bloedingen en van erosie van het gewrichtsoppervlak. De tarsale gewrichten waren ingekapseld in een hard botachtig weefsel. Daarbij verwijst de toezichthouder naar de bij het rapport gevoegde foto’s. Op basis van deze bevindingen concludeert de toezichthoudend dierenarts in het rapport dat sprake was van een pijnlijke ossificatie na een trauma (bijvoorbeeld een gebroken poot, botbreuk of infectieuze ontsteking) die al minimaal vier dagen aanwezig was en de kreupelheid veroorzaakte. 4.4. Eiseres heeft naar voren gebracht dat het varken in het verleden een aandoening heeft gehad aan de bewuste poot. Na behandeling daarvan is het varken hersteld. Het varken was niet kreupel en had geen zichtbare pijn toen het werd ingeladen. De door eiseres ingeschakelde dierenarts heeft ter zitting – op basis van het rapport en het daarbij gevoegde beeldmateriaal – beaamd dat in de poot sprake was van ossificatie en abcesvorming. Volgens hem is echter sprake geweest van een oude gewrichtsontsteking. Na vergroeiing van het gewricht en afkapseling van de ontsteking heeft het dier weliswaar een zwelling aan de poot overgehouden, maar het heeft wel zonder pijn en kreupelheid kunnen lopen. Volgens deze dierenarts was nog wel sprake van een kwetsbaar gewricht, wat blijkt uit de waargenomen gewrichtserosie. Er kan daarom na het inladen een breuk zijn ontstaan die heeft geleid tot de ernstige kreupelheid, zoals waargenomen op het slachthuis. De geconstateerde bloedingen wijzen volgens hem ook op een acuut trauma. 4.5. Gelet op deze verklaring van de door eiseres ingeschakelde dierenarts staat voor de rechtbank niet vast dat het varken voorafgaand aan het transport, dus veertig uur eerder, al kreupel en met pijn heeft gelopen. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat de op de zitting aanwezige toezichthoudend dierenarts heeft beaamd dat de ossificatie rond het gewricht veel ouder is dan vier dagen voor het transport en dat een afgeronde vergroeiing van het gewricht kan leiden tot een situatie waarin geen pijn meer wordt ervaren. Volgens deze toezichthouder was de poot van dit varken evenwel nog niet zodanig hersteld. Daarom was het gewricht nog pijnlijk en liep het varken kreupel. Maar de door eiseres ingeschakelde dierenarts heeft voor die pijnlijkheid en kreupelheid een andere oorzaak aangewezen, namelijk een acuut trauma dat het varken tijdens transport of nadien in een stal kan hebben opgelopen. Weliswaar staat dus vast dat het varken in het verleden een aandoening aan het gewricht van de linker achterpoot heeft gehad, maar de rechtbank kan niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat de op het slachthuis geconstateerde kreupelheid en pijnlijkheid aan die poot aanwezig is geweest voorafgaande aan het vervoer door eiseres. Er kan dus niet worden vastgesteld dat eiseres de overtreding heeft begaan. Dit betekent dat verweerder niet bevoegd was een boete aan eiseres op te leggen. Conclusie en gevolgen 5. Het beroep is dus gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit herroepen. Dit betekent dat de boete vervalt. 6. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. De rechtbank stelt de te vergoeden reiskosten van [naam] vast op het opgegeven bedrag van € 58,24, wat aansluit bij het bedrag aan reiskosten met het openbaar vervoer 2e klas.
Volledig
Wat betreft de opgegeven verletkosten van € 480,- overweegt de rechtbank dat alleen de kosten voor tijdverzuim voor het bijwonen van de zitting en de heen- en terugreis voor vergoeding in aanmerking komen en niet die voor de tijd die is besteed aan voorbereidende handelingen. Voor het bijwonen van de zitting heeft eiseres € 240,- aan verletkosten opgegeven. Daarbij is eiseres uitgegaan van een uurtarief van € 80,- maar eiseres heeft dit niet met stukken onderbouwd. Op grond van het Bpb geldt voor verletkosten een tarief tussen € 9,- en € 109,- per uur. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval een uurtarief van € 50,- redelijk is en stelt de te vergoeden verletkosten vast op € 200,-, uitgaande van vier uur, gelet op de reisafstand en de duur van de zitting. Verder heeft eiseres een bedrag van € 600,- opgegeven voor de inhuur van de dierenarts voor vier uur, dus uitgaande van een uurtarief van € 150,-. Voor de kosten van een deskundige verwijst het Bpb naar het Besluit tarieven strafzaken (Bts) en het daarin vastgelegde maximum uurtarief wordt niet overschreden. Wel is in het Bts geregeld dat alleen een vergoeding wordt toegekend voor het tijdverzuim van een deskundige voor het bijwonen van de zitting en niet voor de tijd besteed aan de reis van en naar de zitting. Gelet op de duur van de zitting zal de rechtbank de te vergoeden deskundigenkosten vaststellen op € 150,-. De aan eiseres te vergoeden proceskosten bedragen dan in totaal € 408,24. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het besluit van 1 november 2024; herroept het besluit van 19 juli 2024; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden; veroordeelt verweerder tot betaling van € 408,24 aan proceskosten van eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026. de griffier is verhinderd deze uitspraak te tekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Transportverordening Artikel 3, aanhef en onder b Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent. Bovendien moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: b) de dieren zijn geschikt voor het voorgenomen transport; Artikel 6, derde lid De vervoerders vervoeren de dieren in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage I. Bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1, en paragraaf 2, onder a Alleen dieren die geschikt zijn voor het voorgenomen transport mogen worden vervoerd, en de vervoersomstandigheden moeten van dien aard zijn dat de dieren geen letsel of onnodig lijden kan worden berokkend. Gewonde, zwakke en zieke dieren worden niet in staat geacht te worden vervoerd, met name in de volgende gevallen: wanneer de dieren niet in staat zijn zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen; Wet dieren Artikel 6.2, eerste lid Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is. Artikel 8.7 Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen. Regeling houders van dieren Artikel 4.8 Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet, worden aangewezen de artikelen 3 tot en met 9 en 12, van verordening (EG) nr. 1/2005 (…). Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG Zie onder meer ECLI:NL:CBB:2023:302 en ECLI:NL:CBB:2025:474 Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb, gelezen in samenhang met artikel 8:36, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 3 Wet tarieven in strafzaken en artikel 8 Bts Artikel 8, tweede lid, Bts
Volledig
Wat betreft de opgegeven verletkosten van € 480,- overweegt de rechtbank dat alleen de kosten voor tijdverzuim voor het bijwonen van de zitting en de heen- en terugreis voor vergoeding in aanmerking komen en niet die voor de tijd die is besteed aan voorbereidende handelingen. Voor het bijwonen van de zitting heeft eiseres € 240,- aan verletkosten opgegeven. Daarbij is eiseres uitgegaan van een uurtarief van € 80,- maar eiseres heeft dit niet met stukken onderbouwd. Op grond van het Bpb geldt voor verletkosten een tarief tussen € 9,- en € 109,- per uur. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval een uurtarief van € 50,- redelijk is en stelt de te vergoeden verletkosten vast op € 200,-, uitgaande van vier uur, gelet op de reisafstand en de duur van de zitting. Verder heeft eiseres een bedrag van € 600,- opgegeven voor de inhuur van de dierenarts voor vier uur, dus uitgaande van een uurtarief van € 150,-. Voor de kosten van een deskundige verwijst het Bpb naar het Besluit tarieven strafzaken (Bts) en het daarin vastgelegde maximum uurtarief wordt niet overschreden. Wel is in het Bts geregeld dat alleen een vergoeding wordt toegekend voor het tijdverzuim van een deskundige voor het bijwonen van de zitting en niet voor de tijd besteed aan de reis van en naar de zitting. Gelet op de duur van de zitting zal de rechtbank de te vergoeden deskundigenkosten vaststellen op € 150,-. De aan eiseres te vergoeden proceskosten bedragen dan in totaal € 408,24. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het besluit van 1 november 2024; herroept het besluit van 19 juli 2024; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan eiseres moet vergoeden; veroordeelt verweerder tot betaling van € 408,24 aan proceskosten van eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026. de griffier is verhinderd deze uitspraak te tekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Transportverordening Artikel 3, aanhef en onder b Het is verboden dieren te vervoeren of te laten vervoeren op zodanige wijze dat het de dieren waarschijnlijk letsel of onnodig lijden berokkent. Bovendien moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: b) de dieren zijn geschikt voor het voorgenomen transport; Artikel 6, derde lid De vervoerders vervoeren de dieren in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage I. Bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1, en paragraaf 2, onder a Alleen dieren die geschikt zijn voor het voorgenomen transport mogen worden vervoerd, en de vervoersomstandigheden moeten van dien aard zijn dat de dieren geen letsel of onnodig lijden kan worden berokkend. Gewonde, zwakke en zieke dieren worden niet in staat geacht te worden vervoerd, met name in de volgende gevallen: wanneer de dieren niet in staat zijn zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen; Wet dieren Artikel 6.2, eerste lid Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is. Artikel 8.7 Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen. Regeling houders van dieren Artikel 4.8 Als voorschriften als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet, worden aangewezen de artikelen 3 tot en met 9 en 12, van verordening (EG) nr. 1/2005 (…). Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG Zie onder meer ECLI:NL:CBB:2023:302 en ECLI:NL:CBB:2025:474 Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb, gelezen in samenhang met artikel 8:36, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 3 Wet tarieven in strafzaken en artikel 8 Bts Artikel 8, tweede lid, Bts