Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-30
ECLI:NL:RBROT:2026:5436
Civiel recht
Kort geding
16,213 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5436 text/xml public 2026-06-02T18:17:07 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-30 C/10/715990 / KG ZA 26-224 Uitspraak Kort geding NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5436 text/html public 2026-06-02T18:14:14 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5436 Rechtbank Rotterdam , 30-04-2026 / C/10/715990 / KG ZA 26-224 Kort geding. Vordering tot ongedaanmaking dividenduitkering. Afwijzing. Het is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dividenduitkering in strijd is met daarover gesloten overeenkomst en daarmee dat onrechtmatig zou zijn gehandeld door gedaagden. Verder is onvoldoende onderbouwd wat het (spoedeisend) belang van eiser is bij herstel van de verhaalspositie van de betreffende vennootschap. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/715990 / KG ZA 26-224 Vonnis in kort geding van 30 april 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , wonende te [woonplaats 1] , Griekenland, hierna te noemen: [eiser 1] 2. [eiser 2] , wonende te [woonplaats 2] , Spanje, hierna te noemen: [eiser 2] eisende partijen, advocaten: mrs. M.H.C. Sinninghe Damsté en M. Uterwijk, tegen 1 COÖPERATIE JULER U.A., gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: CoJu 2. [naam 1] , wonende te [woonplaats 3] , hierna te noemen: [naam 1] 3. [naam 2] , wonende te [woonplaats 4] , Spanje, hierna te noemen: [naam 2] advocaat: mr. I.J.A. Tax, 4. de rechtspersoon naar buitenlands recht JULER HOLDING S.À.R.L. , gevestigd te Luxemburg, Luxenburg, hierna te noemen: Juler Luxemburg 5. de rechtspersoon naar buitenlands recht JULER LIMITED , gevestigd te Nicosia, Cyprus, hierna te noemen: Juler Cyprus advocaten: mrs. M.J. Siegers en L. Meijerhof, 6. [naam 3] , wonende te [woonplaats 5] , Uruguay, advocaten: mr. M. Karel en M. Verberkmoes-Cota, hierna te noemen: [naam 3] , 7. JULER B.V. , te Rotterdam, hierna te noemen: Juler niet verschenen. 1. De zaak in het kort 1.1. [eiser 1] en [eiser 2] beroepen zich op een overeenkomst die zij naar eigen zeggen hebben gesloten met CoJu, [naam 1] en [naam 2] . In die overeenkomst staat volgens hen dat CoJu geen uitkeringen van gelden aan aandeelhouders mag doen zonder dat aan bepaalde voorwaarden is voldaan. CoJu heeft wel gelden uitgekeerd aan aandeelhouders en dit is volgens [eiser 1] en [eiser 2] in strijd met de overeenkomst. Zij stellen daarom vorderingen in om de uitkeringen ongedaan te maken. De andere gedaagden hebben CoJu volgens [eiser 1] en [eiser 2] overgehaald om in strijd met de overeenkomst te handelen en dat is volgens [eiser 1] en [eiser 2] onrechtmatig. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] af. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaardingen van 11 maart 2026 met producties 1 tot en met 51; - de conclusie van antwoord van CoJu, [naam 1] en [naam 2] met producties 1 tot en met 26; - de incidentele conclusie houdende onbevoegdheid tevens (voorwaardelijke) conclusie van antwoord van Juler Luxemburg en Juler Cyprus met productie 1 tot en met 6; - de incidentele conclusie tot onbevoegdheid tevens (voorwaardelijke) conclusie van antwoord van [naam 3] ; - de akte overlegging producties van [eiser 1] en [eiser 2] met producties 52 tot en met 55; - de mondelinge behandeling van 16 april 2026 - de pleitnota van [eiser 1] en [eiser 2] , - de pleitnota van Juler Luxemburg en Juler Cyprus - de pleitnota van [naam 3] 3 De feiten 3.1. Het onderhavige geschil speelt zich af binnen een groep vennootschappen waarvan personen van de [familienaam 1] en [familienaam 2] families ‘ Ultimate Beneficial Owners ’ (UBO’s) zijn. Deze personen houden (via hun vennootschappen) de aandelen in Juler Cyprus, die op haar beurt aandeelhouder is van Juler Luxemburg, die op haar beurt aandeelhouder is van CoJu. [naam 1] en [naam 2] zijn [functionaris] van CoJu en Juler B.V. [naam 3] is [functionaris] van Juler Luxemburg en Juler Cyprus. Als [functionaris] van Juler Luxemburg is zij gezamenlijk bevoegd met de andere [functionaris] , Luxembourg Corporation Company S.A. en als [functionaris] van Juler Cyprus is zij gezamenlijk bevoegd met de andere [functionaris] , CCY Management Limited. De aandelen in Juler Cyprus worden gehouden door [eiser 1] , [eiser 2] , [naam 1] en 4 andere familieleden, allen via een doelvennootschap of ‘ special-purpose vehicle ’ (SPV), en [naam 2] (rechtstreeks). [eiser 1] , [eiser 2] en [naam 1] houden ieder (via hun SPV) iets meer dan 20% van de aandelen in Juler Cyprus. [eiser 1] en [eiser 2] zijn (middellijk) [functionaris] geweest van CoJu. 3.2. CoJu houdt ruim 91% van de aandelen in Hilda Holding B.V. (hierna: Hilda), dat op haar beurt een 36.55% van de aandelen houdt in Swansea B.V. (hierna: Swansea), dat de enige aandeelhouder is van Cygne B.V. (hierna: Cygne). De andere aandeelhouders van Swansea zijn Prudential Investments Corp. en Agricom Holdings S.A. Cygne was eigenaar van aandelen in Nidera Capital B.V. (hierna: Nidera), de topholding van de Nidera-groep. 3.3. COFCO Coöperatief U.A. (hierna: COFCO) heeft in 2014 en 2016 alle aandelen in Nidera van Cygne verworven. Volgens COFCO bleek na de koop van boekhoudkundige onregelmatigheden, waarden de aandelen van Nidera overgewaardeerd. COFCO is daarom een arbitrageprocedure tegen Cygne gestart bij de International Chamber of Commerce en vorderde daarin USD 677 miljoen euro aan schadevergoeding. Cygne is, nadat eerst een vonnis is gewezen waarin zij aansprakelijk is gesteld voor bedrog bij de 2016-transactie, bij arbitraal vonnis van 11 mei 2002 veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van USD 123,8 miljoen aan COFCO. Cygne heeft voldaan aan die veroordeling. 3.4. COFCO is een procedure gestart bij de rechtbank Rotterdam tegen (onder meer) de accountant, Ernst & Young Accountants LLP (hierna: EY), die de jaarrekeningen van Nidera had voorzien van accountantsverklaringen. De procedure ziet – kort samengevat – op de vaststelling van aansprakelijkheid van EY wegens gemaakte beroepsfouten. Als EY aansprakelijk is, moet de omvang van de aansprakelijkheid nog in een daarop volgende schadestaatprocedure worden vastgesteld. De procedure staat op de rol voor vonnis op 6 mei 2026. 3.5. EY heeft Cygne in vrijwaring opgeroepen en gevorderd dat Cygne wordt veroordeeld tot betaling van alle schade die EY aan COFCO zou moeten vergoeden. Deze procedure is, na tussenvonnis, op de parkeerrol van de rechtbank Rotterdam geplaatst in afwachting van de uitkomst van de bodem- en schadestaatprocedure tussen COFCO en EY. 3.6. In 2018 hebben de (middellijk) aandeelhouders van Cygne een afspraak gemaakt over een eventuele uitkering van de opbrengsten uit de verkoop van Nidera (tegen het stellen van een bankgarantie of na unanieme besluitvorming). In 2022 zijn er van gelden vanuit Cygne naar de diverse aandeelhouders uitgekeerd. De opbrengst van de verkoop van Cygne is terechtgekomen bij de aandeelhouders van Swansea. Hilda heeft circa USD 99,8 miljoen ontvangen en daarvan een bedrag van USD 90 miljoen aan CoJu betaald. 3.7. CoJu en haar (middellijk) (oud) [functionarissen] hebben in juli 2023 een overeenkomst gesloten, waarin beperkingen zijn gesteld aan het doen van uitkeringen van (de in 3.6. bedoelde) gelden aan aandeelhouders (de “HWL-overeenkomst”). In de HWL-overeenkomst staat onder meer het volgende: “ 1. [CoJu] will, as long as it is exposed to liability risks in relation to the EY and/or COFCO claims against Cygne, not distribute funds in excess of an amount that equals [CoJu]’s financial exposure in relation to such claims, unless: a. [ [naam 1] ], [ [naam 2] ], [ [eiser 1] ] and Stichting Julca unanimously agree thereto - approval will not unreasonably be withheld; or b. Distribution takes place against an irrevocable bank guarantee for the benefit of [CoJu] for the amount of the distribution plus interest (market rate) and costs from a reputable first class bank that will reimburse, at first request, any liability of [CoJu] in relation to the EY claim / COFCO claim or a cash-like equivalent of such a bank guarantee, both with terms to be further agreed upon in good faith.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5436 text/xml public 2026-06-02T18:17:07 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-30 C/10/715990 / KG ZA 26-224 Uitspraak Kort geding NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5436 text/html public 2026-06-02T18:14:14 2026-06-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5436 Rechtbank Rotterdam , 30-04-2026 / C/10/715990 / KG ZA 26-224 Kort geding. Vordering tot ongedaanmaking dividenduitkering. Afwijzing. Het is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dividenduitkering in strijd is met daarover gesloten overeenkomst en daarmee dat onrechtmatig zou zijn gehandeld door gedaagden. Verder is onvoldoende onderbouwd wat het (spoedeisend) belang van eiser is bij herstel van de verhaalspositie van de betreffende vennootschap. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/715990 / KG ZA 26-224 Vonnis in kort geding van 30 april 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , wonende te [woonplaats 1] , Griekenland, hierna te noemen: [eiser 1] 2. [eiser 2] , wonende te [woonplaats 2] , Spanje, hierna te noemen: [eiser 2] eisende partijen, advocaten: mrs. M.H.C. Sinninghe Damsté en M. Uterwijk, tegen 1 COÖPERATIE JULER U.A., gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: CoJu 2. [naam 1] , wonende te [woonplaats 3] , hierna te noemen: [naam 1] 3. [naam 2] , wonende te [woonplaats 4] , Spanje, hierna te noemen: [naam 2] advocaat: mr. I.J.A. Tax, 4. de rechtspersoon naar buitenlands recht JULER HOLDING S.À.R.L. , gevestigd te Luxemburg, Luxenburg, hierna te noemen: Juler Luxemburg 5. de rechtspersoon naar buitenlands recht JULER LIMITED , gevestigd te Nicosia, Cyprus, hierna te noemen: Juler Cyprus advocaten: mrs. M.J. Siegers en L. Meijerhof, 6. [naam 3] , wonende te [woonplaats 5] , Uruguay, advocaten: mr. M. Karel en M. Verberkmoes-Cota, hierna te noemen: [naam 3] , 7. JULER B.V. , te Rotterdam, hierna te noemen: Juler niet verschenen. 1. De zaak in het kort 1.1. [eiser 1] en [eiser 2] beroepen zich op een overeenkomst die zij naar eigen zeggen hebben gesloten met CoJu, [naam 1] en [naam 2] . In die overeenkomst staat volgens hen dat CoJu geen uitkeringen van gelden aan aandeelhouders mag doen zonder dat aan bepaalde voorwaarden is voldaan. CoJu heeft wel gelden uitgekeerd aan aandeelhouders en dit is volgens [eiser 1] en [eiser 2] in strijd met de overeenkomst. Zij stellen daarom vorderingen in om de uitkeringen ongedaan te maken. De andere gedaagden hebben CoJu volgens [eiser 1] en [eiser 2] overgehaald om in strijd met de overeenkomst te handelen en dat is volgens [eiser 1] en [eiser 2] onrechtmatig. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] af. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaardingen van 11 maart 2026 met producties 1 tot en met 51; - de conclusie van antwoord van CoJu, [naam 1] en [naam 2] met producties 1 tot en met 26; - de incidentele conclusie houdende onbevoegdheid tevens (voorwaardelijke) conclusie van antwoord van Juler Luxemburg en Juler Cyprus met productie 1 tot en met 6; - de incidentele conclusie tot onbevoegdheid tevens (voorwaardelijke) conclusie van antwoord van [naam 3] ; - de akte overlegging producties van [eiser 1] en [eiser 2] met producties 52 tot en met 55; - de mondelinge behandeling van 16 april 2026 - de pleitnota van [eiser 1] en [eiser 2] , - de pleitnota van Juler Luxemburg en Juler Cyprus - de pleitnota van [naam 3] 3 De feiten 3.1. Het onderhavige geschil speelt zich af binnen een groep vennootschappen waarvan personen van de [familienaam 1] en [familienaam 2] families ‘ Ultimate Beneficial Owners ’ (UBO’s) zijn. Deze personen houden (via hun vennootschappen) de aandelen in Juler Cyprus, die op haar beurt aandeelhouder is van Juler Luxemburg, die op haar beurt aandeelhouder is van CoJu. [naam 1] en [naam 2] zijn [functionaris] van CoJu en Juler B.V. [naam 3] is [functionaris] van Juler Luxemburg en Juler Cyprus. Als [functionaris] van Juler Luxemburg is zij gezamenlijk bevoegd met de andere [functionaris] , Luxembourg Corporation Company S.A. en als [functionaris] van Juler Cyprus is zij gezamenlijk bevoegd met de andere [functionaris] , CCY Management Limited. De aandelen in Juler Cyprus worden gehouden door [eiser 1] , [eiser 2] , [naam 1] en 4 andere familieleden, allen via een doelvennootschap of ‘ special-purpose vehicle ’ (SPV), en [naam 2] (rechtstreeks). [eiser 1] , [eiser 2] en [naam 1] houden ieder (via hun SPV) iets meer dan 20% van de aandelen in Juler Cyprus. [eiser 1] en [eiser 2] zijn (middellijk) [functionaris] geweest van CoJu. 3.2. CoJu houdt ruim 91% van de aandelen in Hilda Holding B.V. (hierna: Hilda), dat op haar beurt een 36.55% van de aandelen houdt in Swansea B.V. (hierna: Swansea), dat de enige aandeelhouder is van Cygne B.V. (hierna: Cygne). De andere aandeelhouders van Swansea zijn Prudential Investments Corp. en Agricom Holdings S.A. Cygne was eigenaar van aandelen in Nidera Capital B.V. (hierna: Nidera), de topholding van de Nidera-groep. 3.3. COFCO Coöperatief U.A. (hierna: COFCO) heeft in 2014 en 2016 alle aandelen in Nidera van Cygne verworven. Volgens COFCO bleek na de koop van boekhoudkundige onregelmatigheden, waarden de aandelen van Nidera overgewaardeerd. COFCO is daarom een arbitrageprocedure tegen Cygne gestart bij de International Chamber of Commerce en vorderde daarin USD 677 miljoen euro aan schadevergoeding. Cygne is, nadat eerst een vonnis is gewezen waarin zij aansprakelijk is gesteld voor bedrog bij de 2016-transactie, bij arbitraal vonnis van 11 mei 2002 veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van USD 123,8 miljoen aan COFCO. Cygne heeft voldaan aan die veroordeling. 3.4. COFCO is een procedure gestart bij de rechtbank Rotterdam tegen (onder meer) de accountant, Ernst & Young Accountants LLP (hierna: EY), die de jaarrekeningen van Nidera had voorzien van accountantsverklaringen. De procedure ziet – kort samengevat – op de vaststelling van aansprakelijkheid van EY wegens gemaakte beroepsfouten. Als EY aansprakelijk is, moet de omvang van de aansprakelijkheid nog in een daarop volgende schadestaatprocedure worden vastgesteld. De procedure staat op de rol voor vonnis op 6 mei 2026. 3.5. EY heeft Cygne in vrijwaring opgeroepen en gevorderd dat Cygne wordt veroordeeld tot betaling van alle schade die EY aan COFCO zou moeten vergoeden. Deze procedure is, na tussenvonnis, op de parkeerrol van de rechtbank Rotterdam geplaatst in afwachting van de uitkomst van de bodem- en schadestaatprocedure tussen COFCO en EY. 3.6. In 2018 hebben de (middellijk) aandeelhouders van Cygne een afspraak gemaakt over een eventuele uitkering van de opbrengsten uit de verkoop van Nidera (tegen het stellen van een bankgarantie of na unanieme besluitvorming). In 2022 zijn er van gelden vanuit Cygne naar de diverse aandeelhouders uitgekeerd. De opbrengst van de verkoop van Cygne is terechtgekomen bij de aandeelhouders van Swansea. Hilda heeft circa USD 99,8 miljoen ontvangen en daarvan een bedrag van USD 90 miljoen aan CoJu betaald. 3.7. CoJu en haar (middellijk) (oud) [functionarissen] hebben in juli 2023 een overeenkomst gesloten, waarin beperkingen zijn gesteld aan het doen van uitkeringen van (de in 3.6. bedoelde) gelden aan aandeelhouders (de “HWL-overeenkomst”). In de HWL-overeenkomst staat onder meer het volgende: “ 1. [CoJu] will, as long as it is exposed to liability risks in relation to the EY and/or COFCO claims against Cygne, not distribute funds in excess of an amount that equals [CoJu]’s financial exposure in relation to such claims, unless: a. [ [naam 1] ], [ [naam 2] ], [ [eiser 1] ] and Stichting Julca unanimously agree thereto - approval will not unreasonably be withheld; or b. Distribution takes place against an irrevocable bank guarantee for the benefit of [CoJu] for the amount of the distribution plus interest (market rate) and costs from a reputable first class bank that will reimburse, at first request, any liability of [CoJu] in relation to the EY claim / COFCO claim or a cash-like equivalent of such a bank guarantee, both with terms to be further agreed upon in good faith.
Volledig
Upon receipt of a proper bank guarantee or cash equivalent the board will proceed to effect the distribution promptly; For the avoidance of doubt: any distribution should always conform to the provisions in the articles of association ” 3.8. [eiser 2] was in juli 2023 [functionaris] van de in de HWL-overeenkomst genoemde Stichting Julca, die, op dat moment, op haar beurt [functionaris] was van Juler B.V. 3.9. CoJu heeft op 18 december 2025 een algemene ledenvergadering bijeengeroepen voor 22 december 2025 en daarin een uitkering aan Juler Luxemburg – “a partial Capital Repayment” – geagendeerd. [eiser 1] heeft op 20 december 2025 aan CoJu laten weten: “ As UBO, I strongly oppose any distribution of funds to the fund. (…) Per the (…) HWL-Agreement of 10 July 2023, section 1.a., I have the right to veto any distribution of funds. I elect to hereby exercise my veto-right and object to the distribution of any funds.” CoJu heeft op 20 december 2025 besloten om een bedrag van USD 40 miljoen uit te keren aan Juler Luxemburg. Juler Luxemburg heeft, het direct betaalde bedrag op haar beurt, na besluitvorming daarover op 23 december 2025, “ in the form of a share premium repayment” direct uitgekeerd aan Juler Cyprus. 3.10. De rechtbank Nicosia te Cyprus heeft op verzoek van [eiser 1] en [eiser 2] op 11 februari 2026 bij ( ex parte ) vonnis een voorlopige voorziening getroffen. Deze houdt in dat het Juler Cyprus is verboden om de van Juler Luxemburg ontvangen gelden uit te keren. Het vonnis geldt tot dat een in Nederland gewezen vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. 4 Het geschil 4.1. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen - samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar verklaard vonnis: 1. gedaagden beveelt om de distributie van het door CoJu uitgekeerde bedrag ongedaan te maken en ervoor zorg te dragen dat de gelden binnen vijf dagen na de datum van dit vonnis volledig zijn teruggestort op de bankrekening van CoJu op straffe van verbeurte van een dwangsom; 2. CoJu gebiedt de HWL-overeenkomst na te leven, in het bijzonder de daarin opgenomen voorwaarden voor distributies aan (indirecte) aandeelhouders, op straffe van verbeurte van een dwangsom; 3.een persoon benoemt als onafhankelijk bestuurder van CoJu met doorslaggevende en beslissende stem; 4. gedaagden veroordeelt in de kosten van deze procedure. 4.2. De in dit geding verschenen gedaagden voeren verweer. Juler Luxemburg, Juler Cyprus en [naam 3] hebben zich op het standpunt gesteld dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is om van de tegen hen ingestelde vorderingen kennis te nemen. Voor het geval dat verweer wordt verworpen, concluderen zij, evenals CoJu, [naam 1] en [naam 2] tot afwijzing van de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling in de kosten van deze procedure. 5 De beoordeling Verstekverlening 5.1. Ten aanzien van Juler B.V., die niet in de procedure is verschenen, zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen haar verstek wordt verleend. Omdat de overige gedaagden wel in de procedure zijn verschenen, wordt op grond van artikel 140 lid 3 Rv één vonnis gewezen dat voor alle partijen, ook de niet verschenen gedaagde, als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd. Bevoegdheid 5.2. Juler Luxemburg en Juler Cyprus hebben hun vestigingsplaats, en [naam 2] en [naam 3] hebben hun woonplaats, buiten Nederland. Dat betekent dat eerst moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om te oordelen over de tegen hen ingestelde vorderingen. Dat moet de rechter zowel ambtshalve als, in dit geval, gelet op de bevoegdheidsverweren die Juler Luxemburg, Juler Cyprus en [naam 3] hebben gevoerd. 5.3. [eiser 1] en [eiser 2] baseren hun bevoegdheid op artikel 8 Brussel I-bis , met CoJu als ankergedaagde omdat sprake is van een nauwe band tussen de vorderingen, en, subsidiair, op artikel 7 Brussel I-bis omdat sprake is van in Nederland ingetreden schade. Zij stellen in het kader van die subsidiaire bevoegdheidsgrondslag dat alle gedaagden, in hun meerdere rollen en hoedanigheden en met inachtneming van de familiale verbanden en bekendheid met de gehele structuur van de groep, (gezamenlijk) onrechtmatig tegen [eiser 1] en [eiser 2] hebben gehandeld door een tekortkoming in de nakoming van de HWL-overeenkomst door CoJu uit te lokken, te bewerkstelligen of te faciliteren met als doel mede om daarvan te profiteren. De rechter moet haar bevoegdheid daarnaast, zo nodig en in ieder geval voor wat betreft [naam 3] die geen woonplaats in een EU-lidstaat heeft, beoordelen aan de hand van de regels in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). 5.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er een nauwe band bestaat tussen de vorderingen uit hoofde van de HWL-overeenkomst zoals ingesteld tegen CoJu en de vorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad, zoals ingesteld tegen de overige gedaagde partijen. Het gestelde onrechtmatige handelen hangt immers direct samen met de gestelde wanprestatie door CoJu. Indien de wanprestatie wegvalt, vervalt ook de grondslag voor het gestelde onrechtmatige handelen. 5.5. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat een goede rechtsdeling vraagt om een gelijktijdige behandeling en berechting om te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Indien de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] worden toegewezen brengt dat mee dat meerdere gedaagden diverse handelingen moeten verrichten om de gevorderde ongedaanmaking van de uitkering van gelden te bewerkstelligen. Onder die omstandigheden is het denkbaar bij dat afzonderlijke berechting bij een ander gerecht een beslissing wordt gegeven die feitelijk tot verhindering van de ongedaanmaking leidt. Ten aanzien van [naam 3] geldt artikel 8 Brussel I-bis niet, maar wel artikel 7 Rv dat tot hetzelfde resultaat leidt. 5.6. Gelet op het voorgaande is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van de vorderingen tegen Juler Luxemburg, Juler Cyprus, [naam 2] en [naam 3] . Toepasselijk recht 5.7. De grondslag van de vorderingen jegens CoJu is een vordering wegens de tekortkoming in de nakoming van de HWL-overeenkomst. Het toepasselijk recht dient te worden vastgesteld aan de hand van de Rome I verordening. Op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 2 Rome I is het op een overeenkomst toepasselijke recht, het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft. De in dit geval kenmerkende prestatie (het al dan niet verrichten van een uitkering van gelden) moet verricht worden door CoJu. CoJu is gevestigd te Nederland, zodat Nederlands recht van toepassing is. 5.8. De grondslag van overige vorderingen in de hoofdzaak is onrechtmatige daad. Het toepasselijk recht daarvoor wordt vastgesteld aan de hand van de Rome II verordening. Het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad is het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen ( Erfolgsort ) (artikel 4 lid 1 Rome II). 5.9. [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat de schade die zich voordoet bestaat uit de vermindering van de vermogens-, althans verhaalspositie van CoJu. Die gestelde schade doet zich voor in Nederland. Daarmee is ingevolge artikel 4 lid 1 Rome II Nederlands recht van toepassing. Toegegeven kan worden dat op grond van het Nederlands recht de door [eiser 1] en [eiser 2] gestelde schade als afgeleide schade kan worden aangemerkt die in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking komt. Onder Erfolgsort -schade kan onder omstandigheden echter ook worden begrepen de plaats waar enkel de zuivere vermogensschade zich voordoet, zoals bij afgeleide schade het geval is. Het oordeel dat de schade niet voor vergoeding in aanmerking komt is bovendien een materieel oordeel naar Nederlands recht, waar pas aan toe kan worden gekomen na vaststelling van het toepasselijke recht.
Volledig
Upon receipt of a proper bank guarantee or cash equivalent the board will proceed to effect the distribution promptly; For the avoidance of doubt: any distribution should always conform to the provisions in the articles of association ” 3.8. [eiser 2] was in juli 2023 [functionaris] van de in de HWL-overeenkomst genoemde Stichting Julca, die, op dat moment, op haar beurt [functionaris] was van Juler B.V. 3.9. CoJu heeft op 18 december 2025 een algemene ledenvergadering bijeengeroepen voor 22 december 2025 en daarin een uitkering aan Juler Luxemburg – “a partial Capital Repayment” – geagendeerd. [eiser 1] heeft op 20 december 2025 aan CoJu laten weten: “ As UBO, I strongly oppose any distribution of funds to the fund. (…) Per the (…) HWL-Agreement of 10 July 2023, section 1.a., I have the right to veto any distribution of funds. I elect to hereby exercise my veto-right and object to the distribution of any funds.” CoJu heeft op 20 december 2025 besloten om een bedrag van USD 40 miljoen uit te keren aan Juler Luxemburg. Juler Luxemburg heeft, het direct betaalde bedrag op haar beurt, na besluitvorming daarover op 23 december 2025, “ in the form of a share premium repayment” direct uitgekeerd aan Juler Cyprus. 3.10. De rechtbank Nicosia te Cyprus heeft op verzoek van [eiser 1] en [eiser 2] op 11 februari 2026 bij ( ex parte ) vonnis een voorlopige voorziening getroffen. Deze houdt in dat het Juler Cyprus is verboden om de van Juler Luxemburg ontvangen gelden uit te keren. Het vonnis geldt tot dat een in Nederland gewezen vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. 4 Het geschil 4.1. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen - samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar verklaard vonnis: 1. gedaagden beveelt om de distributie van het door CoJu uitgekeerde bedrag ongedaan te maken en ervoor zorg te dragen dat de gelden binnen vijf dagen na de datum van dit vonnis volledig zijn teruggestort op de bankrekening van CoJu op straffe van verbeurte van een dwangsom; 2. CoJu gebiedt de HWL-overeenkomst na te leven, in het bijzonder de daarin opgenomen voorwaarden voor distributies aan (indirecte) aandeelhouders, op straffe van verbeurte van een dwangsom; 3.een persoon benoemt als onafhankelijk bestuurder van CoJu met doorslaggevende en beslissende stem; 4. gedaagden veroordeelt in de kosten van deze procedure. 4.2. De in dit geding verschenen gedaagden voeren verweer. Juler Luxemburg, Juler Cyprus en [naam 3] hebben zich op het standpunt gesteld dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is om van de tegen hen ingestelde vorderingen kennis te nemen. Voor het geval dat verweer wordt verworpen, concluderen zij, evenals CoJu, [naam 1] en [naam 2] tot afwijzing van de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling in de kosten van deze procedure. 5 De beoordeling Verstekverlening 5.1. Ten aanzien van Juler B.V., die niet in de procedure is verschenen, zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen haar verstek wordt verleend. Omdat de overige gedaagden wel in de procedure zijn verschenen, wordt op grond van artikel 140 lid 3 Rv één vonnis gewezen dat voor alle partijen, ook de niet verschenen gedaagde, als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd. Bevoegdheid 5.2. Juler Luxemburg en Juler Cyprus hebben hun vestigingsplaats, en [naam 2] en [naam 3] hebben hun woonplaats, buiten Nederland. Dat betekent dat eerst moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om te oordelen over de tegen hen ingestelde vorderingen. Dat moet de rechter zowel ambtshalve als, in dit geval, gelet op de bevoegdheidsverweren die Juler Luxemburg, Juler Cyprus en [naam 3] hebben gevoerd. 5.3. [eiser 1] en [eiser 2] baseren hun bevoegdheid op artikel 8 Brussel I-bis , met CoJu als ankergedaagde omdat sprake is van een nauwe band tussen de vorderingen, en, subsidiair, op artikel 7 Brussel I-bis omdat sprake is van in Nederland ingetreden schade. Zij stellen in het kader van die subsidiaire bevoegdheidsgrondslag dat alle gedaagden, in hun meerdere rollen en hoedanigheden en met inachtneming van de familiale verbanden en bekendheid met de gehele structuur van de groep, (gezamenlijk) onrechtmatig tegen [eiser 1] en [eiser 2] hebben gehandeld door een tekortkoming in de nakoming van de HWL-overeenkomst door CoJu uit te lokken, te bewerkstelligen of te faciliteren met als doel mede om daarvan te profiteren. De rechter moet haar bevoegdheid daarnaast, zo nodig en in ieder geval voor wat betreft [naam 3] die geen woonplaats in een EU-lidstaat heeft, beoordelen aan de hand van de regels in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). 5.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er een nauwe band bestaat tussen de vorderingen uit hoofde van de HWL-overeenkomst zoals ingesteld tegen CoJu en de vorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad, zoals ingesteld tegen de overige gedaagde partijen. Het gestelde onrechtmatige handelen hangt immers direct samen met de gestelde wanprestatie door CoJu. Indien de wanprestatie wegvalt, vervalt ook de grondslag voor het gestelde onrechtmatige handelen. 5.5. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat een goede rechtsdeling vraagt om een gelijktijdige behandeling en berechting om te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Indien de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] worden toegewezen brengt dat mee dat meerdere gedaagden diverse handelingen moeten verrichten om de gevorderde ongedaanmaking van de uitkering van gelden te bewerkstelligen. Onder die omstandigheden is het denkbaar bij dat afzonderlijke berechting bij een ander gerecht een beslissing wordt gegeven die feitelijk tot verhindering van de ongedaanmaking leidt. Ten aanzien van [naam 3] geldt artikel 8 Brussel I-bis niet, maar wel artikel 7 Rv dat tot hetzelfde resultaat leidt. 5.6. Gelet op het voorgaande is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van de vorderingen tegen Juler Luxemburg, Juler Cyprus, [naam 2] en [naam 3] . Toepasselijk recht 5.7. De grondslag van de vorderingen jegens CoJu is een vordering wegens de tekortkoming in de nakoming van de HWL-overeenkomst. Het toepasselijk recht dient te worden vastgesteld aan de hand van de Rome I verordening. Op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 2 Rome I is het op een overeenkomst toepasselijke recht, het recht van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten, haar gewone verblijfplaats heeft. De in dit geval kenmerkende prestatie (het al dan niet verrichten van een uitkering van gelden) moet verricht worden door CoJu. CoJu is gevestigd te Nederland, zodat Nederlands recht van toepassing is. 5.8. De grondslag van overige vorderingen in de hoofdzaak is onrechtmatige daad. Het toepasselijk recht daarvoor wordt vastgesteld aan de hand van de Rome II verordening. Het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad is het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen ( Erfolgsort ) (artikel 4 lid 1 Rome II). 5.9. [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat de schade die zich voordoet bestaat uit de vermindering van de vermogens-, althans verhaalspositie van CoJu. Die gestelde schade doet zich voor in Nederland. Daarmee is ingevolge artikel 4 lid 1 Rome II Nederlands recht van toepassing. Toegegeven kan worden dat op grond van het Nederlands recht de door [eiser 1] en [eiser 2] gestelde schade als afgeleide schade kan worden aangemerkt die in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking komt. Onder Erfolgsort -schade kan onder omstandigheden echter ook worden begrepen de plaats waar enkel de zuivere vermogensschade zich voordoet, zoals bij afgeleide schade het geval is. Het oordeel dat de schade niet voor vergoeding in aanmerking komt is bovendien een materieel oordeel naar Nederlands recht, waar pas aan toe kan worden gekomen na vaststelling van het toepasselijke recht.
Volledig
Deze omstandigheden doen dan ook niet aan af aan het oordeel dat ingevolge artikel 4 lid 1 Rome II Nederlands recht van toepassing is. Toetsingskader kort geding 5.10. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat eisers daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. Geschiktheid voor kort geding 5.11. CoJu en [naam 3] stellen dat deze zaak te complex is voor de behandeling in kort geding. De voorzieningenrechter volgt hen daar niet in. Van de in artikel 256 Rv opgenomen bevoegdheid om een voorziening vanwege de complexiteit van de zaak te weigeren moet (zeer) terughoudend gebruik worden gemaakt. De in de jurisprudentie aangenomen gevallen waarin daarvoor aanleiding kan zijn – de feiten zijn niet helder of de gevolgen van de te nemen beslissing zijn niet te overzien – doen zich hier niet voor. Complexiteit is in beginsel en in dit geval geen argument om de voorziening te weigeren. De vorderingen van [eiser 2] worden afgewezen 5.12. De vorderingen van [eiser 2] zijn gegrond op de stelling dat hij partij is bij de HWL-overeenkomst. Meer specifiek stelt hij dat de partijen bij de HWL-overeenkomst – op een overigens onbekend gebleven moment – zijn overeengekomen dat hij in de plaats van Stichting Julca zou treden, althans dat partijen per abuis Stichting Julca in plaats van [eiser 2] hebben opgenomen en dat hij daarom altijd partij bij de HWL-overeenkomst is geweest. 5.13. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de naam van [eiser 2] niet in de tekst van de HWL-overeenkomst voorkomt. Daar staat, alleen, Stichting Julca. Het standpunt dat dit per abuis was, is voorshands niet aannemelijk. CoJu, [naam 1] en [naam 2] hebben onder verwijzing naar het ter zitting geraadpleegde Handelsregister betoogd dat Stichting Julca bewust als partij is opgenomen, omdat zij op dat moment (via Juler B.V.) (middellijk) [functionaris] was van CoJu. Dat is mede gelet op de onvoldoende betwisting daarvan door [eiser 2] aannemelijk. Dat [eiser 2] op enig moment heeft verzocht – of via [eiser 1] heeft doen verzoeken – om de naam van Stichting Julca door zijn naam te vervangen, staat wel vast maar daar is, zo wordt afgeleid uit een e-mail van 4 januari 2024 (productie 16 bij dagvaarding) geen positief gevolg aan gegeven. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog op dat opvalt dat nergens uit blijkt dat [eiser 2] zich tot aan deze procedure op enig moment heeft beroepen op (rechten voortvloeiend uit) de HWL-overeenkomst. 5.14. Aangezien niet aannemelijk is dat [eiser 2] partij is bij de HWL-overeenkomst, worden zijn vorderingen afgewezen. Over vordering 3 wordt specifiek nog het volgende overwogen. Die vordering is er, blijkens de toelichting op gericht om te waarborgen dat CoJu geen uitkeringen zal doen in strijd met de HWL-overeenkomst. [eiser 2] is geen partij bij die overeenkomst. Bij gebreke van een grondslag wordt daarom ook vordering 3 van [eiser 2] afgewezen. De vordering van [eiser 1] tegen alle gedaagden wordt afgewezen 5.15. [eiser 1] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij een (spoedeisend) belang bij deze vordering heeft. Daarvoor is het volgende redengevend. 5.16. In de dagvaarding stelt [eiser 1] dat zijn spoedeisend belang is gelegen in de omstandigheid dat op 6 mei 2026 een vonnis in de vrijwaringszaak tussen EY en Cygne wordt verwacht en dat de gevraagde voorzieningen noodzakelijk zijn om de verhaalspositie van CoJu tijdig te herstellen en behouden. In het tussenvonnis van 30 oktober 2024 in de vrijwaringsprocedure staat dat de zaak wordt verwezen naar de parkeerrol – de zaak staat inmiddels op de parkeerrol van oktober 2026 – en, in conventie, dat alle beslissingen in de procedure worden aangehouden en, als de procedure weer wordt opgebracht, nog processtukken moeten worden gewisseld waarin op in het vonnis genoemde kwesties moet worden ingegaan. Dat betekent dat de stelling niet juist was en dan ook geen spoedeisend belang kan opleveren. 5.17. Voor zover [eiser 1] bedoelt dat een spoedeisend belang voortvloeit uit de beslissing van de rechtbank in Cyprus inhoudende een verplichting om op korte termijn een procedure aanhangig te maken als voorwaarde voor de instandhouding van het gegeven verbod tot uitkering, overweegt de voorzieningenrechter dat die beslissing niet verplichtte tot het aanhangig maken van een kort geding. Een bodemprocedure was ook een mogelijkheid. In zoverre is een spoedeisend belang dan zelf gecreëerd. 5.18. Gesteld is ook nog dat het spoedeisend belang een gegeven is omdat evident is dat inbreuk wordt gemaakt op de HWL-overeenkomst. Vooropgesteld zij dat de enkele (gestelde) omstandigheid dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst niet altijd een (voldoende) spoedeisend belang met zich brengt. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat het spoedeisend belang en het belang bij de vordering hier samenvallen en een inhoudelijke beoordeling van de gestelde schending van HWL-overeenkomst vergen. Die beoordeling volgt verderop in dit vonnis. 5.19. Voor zover het spoedeisend belang is gebaseerd op de omstandigheid dat Juler Cyprus kan overgaan tot een uitkering aan haar aandeelhouders uit de gelden die Juler Cyprus via Juler Luxemburg van CoJu heeft ontvangen, wordt het volgende overwogen. 5.20. De gedaagde partijen wijzen erop dat [eiser 1] en [eiser 2] samen (middellijk) houder zijn 40% van de aandelen in Juler Cyprus en dat een uitkering door Juler Cyprus aan de aandeelhouders op grond van Cypriotische wetgeving enkel mogelijk is wanneer (i) 75% van de aandeelhouders instemmen met deze uitkering en (ii) dat besluit vervolgens is goedgekeurd door een Cypriotische rechter. [eiser 1] en [eiser 2] kunnen een (eventuele) uitkering dan ook blokkeren. [eiser 1] heeft dit onvoldoende betwist. De geschetste omstandigheid kan daarom geen spoedeisend belang opleveren. Dat [eiser 1] en [eiser 2] (indirect) willen instemmen met een terugbetaling vanuit Juler Cyprus naar Juler Luxemburg is in dit verband niet relevant. 5.21. Verder is relevant dat de rechtbank Nicosia te Cyprus in een ( ex parte ) vonnis bij wege van voorlopige voorziening heeft verboden dat enige uitkering van de momenteel onder Juler Cyprus aanwezige gelden plaatsvindt. Daaruit volgt ook dat een uitkering van de gelden op dit moment niet aannemelijk is, wat afbreuk doet aan het gestelde spoedeisend belang. Dat [naam 3] om opheffing van de hier bedoelde beslissing heeft verzocht, leidt niet tot een ander oordeel. Een prognose van de uitkomst van de procedure, en het moment daarvan, kunnen niet worden gegeven. Daar komt bij dat vooralsnog niet valt in te zien dat toewijzing van het verzoek de in 5.20 geschetste omstandigheden kunnen doen wijzigen. 5.22. De beoordeling van het belang van [eiser 1] bij zijn vordering jegens alle gedaagden gaat over de hiervoor in 5.18 al genoemde gestelde schending van de HWL-overeenkomst en het in 1.2. van de dagvaarding genoemde oogmerk van dit kort geding: herstel van de verhaalspositie van CoJu zoals die was voorafgaand aan de uitkering van USD 40 miljoen aan Juler Luxemburg. 5.23. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet aannemelijk is dat een of meer gedaagden de HWL-overeenkomst hebben geschonden. Hiervoor is het volgende redengevend. Uit de aanhef van artikel 1 van de HWL-overeenkomst volgt dat deze aan de partijen daarbij geen onvoorwaardelijk vetorecht biedt om iedere uitkering aan aandeelhouders te voorkomen. Daar staat namelijk dat CoJu “ will not distribute funds in excess of an amount that equals Coöperation Juler’s financial exposure in relation to such claims”. Dat betekent dat een vetorecht alleen kan worden ingeroepen als de voorgenomen uitkeringen ertoe zouden leiden dat het resterende vermogen van CoJu lager wordt dan het bedrag van de mogelijke aansprakelijkheid van CoJu met betrekking tot de vorderingen van EY op Cygne.
Volledig
Deze omstandigheden doen dan ook niet aan af aan het oordeel dat ingevolge artikel 4 lid 1 Rome II Nederlands recht van toepassing is. Toetsingskader kort geding 5.10. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat eisers daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. Geschiktheid voor kort geding 5.11. CoJu en [naam 3] stellen dat deze zaak te complex is voor de behandeling in kort geding. De voorzieningenrechter volgt hen daar niet in. Van de in artikel 256 Rv opgenomen bevoegdheid om een voorziening vanwege de complexiteit van de zaak te weigeren moet (zeer) terughoudend gebruik worden gemaakt. De in de jurisprudentie aangenomen gevallen waarin daarvoor aanleiding kan zijn – de feiten zijn niet helder of de gevolgen van de te nemen beslissing zijn niet te overzien – doen zich hier niet voor. Complexiteit is in beginsel en in dit geval geen argument om de voorziening te weigeren. De vorderingen van [eiser 2] worden afgewezen 5.12. De vorderingen van [eiser 2] zijn gegrond op de stelling dat hij partij is bij de HWL-overeenkomst. Meer specifiek stelt hij dat de partijen bij de HWL-overeenkomst – op een overigens onbekend gebleven moment – zijn overeengekomen dat hij in de plaats van Stichting Julca zou treden, althans dat partijen per abuis Stichting Julca in plaats van [eiser 2] hebben opgenomen en dat hij daarom altijd partij bij de HWL-overeenkomst is geweest. 5.13. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de naam van [eiser 2] niet in de tekst van de HWL-overeenkomst voorkomt. Daar staat, alleen, Stichting Julca. Het standpunt dat dit per abuis was, is voorshands niet aannemelijk. CoJu, [naam 1] en [naam 2] hebben onder verwijzing naar het ter zitting geraadpleegde Handelsregister betoogd dat Stichting Julca bewust als partij is opgenomen, omdat zij op dat moment (via Juler B.V.) (middellijk) [functionaris] was van CoJu. Dat is mede gelet op de onvoldoende betwisting daarvan door [eiser 2] aannemelijk. Dat [eiser 2] op enig moment heeft verzocht – of via [eiser 1] heeft doen verzoeken – om de naam van Stichting Julca door zijn naam te vervangen, staat wel vast maar daar is, zo wordt afgeleid uit een e-mail van 4 januari 2024 (productie 16 bij dagvaarding) geen positief gevolg aan gegeven. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog op dat opvalt dat nergens uit blijkt dat [eiser 2] zich tot aan deze procedure op enig moment heeft beroepen op (rechten voortvloeiend uit) de HWL-overeenkomst. 5.14. Aangezien niet aannemelijk is dat [eiser 2] partij is bij de HWL-overeenkomst, worden zijn vorderingen afgewezen. Over vordering 3 wordt specifiek nog het volgende overwogen. Die vordering is er, blijkens de toelichting op gericht om te waarborgen dat CoJu geen uitkeringen zal doen in strijd met de HWL-overeenkomst. [eiser 2] is geen partij bij die overeenkomst. Bij gebreke van een grondslag wordt daarom ook vordering 3 van [eiser 2] afgewezen. De vordering van [eiser 1] tegen alle gedaagden wordt afgewezen 5.15. [eiser 1] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij een (spoedeisend) belang bij deze vordering heeft. Daarvoor is het volgende redengevend. 5.16. In de dagvaarding stelt [eiser 1] dat zijn spoedeisend belang is gelegen in de omstandigheid dat op 6 mei 2026 een vonnis in de vrijwaringszaak tussen EY en Cygne wordt verwacht en dat de gevraagde voorzieningen noodzakelijk zijn om de verhaalspositie van CoJu tijdig te herstellen en behouden. In het tussenvonnis van 30 oktober 2024 in de vrijwaringsprocedure staat dat de zaak wordt verwezen naar de parkeerrol – de zaak staat inmiddels op de parkeerrol van oktober 2026 – en, in conventie, dat alle beslissingen in de procedure worden aangehouden en, als de procedure weer wordt opgebracht, nog processtukken moeten worden gewisseld waarin op in het vonnis genoemde kwesties moet worden ingegaan. Dat betekent dat de stelling niet juist was en dan ook geen spoedeisend belang kan opleveren. 5.17. Voor zover [eiser 1] bedoelt dat een spoedeisend belang voortvloeit uit de beslissing van de rechtbank in Cyprus inhoudende een verplichting om op korte termijn een procedure aanhangig te maken als voorwaarde voor de instandhouding van het gegeven verbod tot uitkering, overweegt de voorzieningenrechter dat die beslissing niet verplichtte tot het aanhangig maken van een kort geding. Een bodemprocedure was ook een mogelijkheid. In zoverre is een spoedeisend belang dan zelf gecreëerd. 5.18. Gesteld is ook nog dat het spoedeisend belang een gegeven is omdat evident is dat inbreuk wordt gemaakt op de HWL-overeenkomst. Vooropgesteld zij dat de enkele (gestelde) omstandigheid dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst niet altijd een (voldoende) spoedeisend belang met zich brengt. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat het spoedeisend belang en het belang bij de vordering hier samenvallen en een inhoudelijke beoordeling van de gestelde schending van HWL-overeenkomst vergen. Die beoordeling volgt verderop in dit vonnis. 5.19. Voor zover het spoedeisend belang is gebaseerd op de omstandigheid dat Juler Cyprus kan overgaan tot een uitkering aan haar aandeelhouders uit de gelden die Juler Cyprus via Juler Luxemburg van CoJu heeft ontvangen, wordt het volgende overwogen. 5.20. De gedaagde partijen wijzen erop dat [eiser 1] en [eiser 2] samen (middellijk) houder zijn 40% van de aandelen in Juler Cyprus en dat een uitkering door Juler Cyprus aan de aandeelhouders op grond van Cypriotische wetgeving enkel mogelijk is wanneer (i) 75% van de aandeelhouders instemmen met deze uitkering en (ii) dat besluit vervolgens is goedgekeurd door een Cypriotische rechter. [eiser 1] en [eiser 2] kunnen een (eventuele) uitkering dan ook blokkeren. [eiser 1] heeft dit onvoldoende betwist. De geschetste omstandigheid kan daarom geen spoedeisend belang opleveren. Dat [eiser 1] en [eiser 2] (indirect) willen instemmen met een terugbetaling vanuit Juler Cyprus naar Juler Luxemburg is in dit verband niet relevant. 5.21. Verder is relevant dat de rechtbank Nicosia te Cyprus in een ( ex parte ) vonnis bij wege van voorlopige voorziening heeft verboden dat enige uitkering van de momenteel onder Juler Cyprus aanwezige gelden plaatsvindt. Daaruit volgt ook dat een uitkering van de gelden op dit moment niet aannemelijk is, wat afbreuk doet aan het gestelde spoedeisend belang. Dat [naam 3] om opheffing van de hier bedoelde beslissing heeft verzocht, leidt niet tot een ander oordeel. Een prognose van de uitkomst van de procedure, en het moment daarvan, kunnen niet worden gegeven. Daar komt bij dat vooralsnog niet valt in te zien dat toewijzing van het verzoek de in 5.20 geschetste omstandigheden kunnen doen wijzigen. 5.22. De beoordeling van het belang van [eiser 1] bij zijn vordering jegens alle gedaagden gaat over de hiervoor in 5.18 al genoemde gestelde schending van de HWL-overeenkomst en het in 1.2. van de dagvaarding genoemde oogmerk van dit kort geding: herstel van de verhaalspositie van CoJu zoals die was voorafgaand aan de uitkering van USD 40 miljoen aan Juler Luxemburg. 5.23. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet aannemelijk is dat een of meer gedaagden de HWL-overeenkomst hebben geschonden. Hiervoor is het volgende redengevend. Uit de aanhef van artikel 1 van de HWL-overeenkomst volgt dat deze aan de partijen daarbij geen onvoorwaardelijk vetorecht biedt om iedere uitkering aan aandeelhouders te voorkomen. Daar staat namelijk dat CoJu “ will not distribute funds in excess of an amount that equals Coöperation Juler’s financial exposure in relation to such claims”. Dat betekent dat een vetorecht alleen kan worden ingeroepen als de voorgenomen uitkeringen ertoe zouden leiden dat het resterende vermogen van CoJu lager wordt dan het bedrag van de mogelijke aansprakelijkheid van CoJu met betrekking tot de vorderingen van EY op Cygne.
Volledig
De vraag die moet worden beantwoord is of voldoende aannemelijk is dat dit het geval is. 5.24. CoJu doet een beroep op een door NautaDutilh opgesteld memorandum, waaruit zou blijken dat het onwaarschijnlijk is dat Cygne in de vrijwaringsprocedure wordt veroordeeld tot betaling van een (substantiële) schadevergoeding, omdat het door COFCO gevorderde bedrag in de procedure tegen EY dezelfde schade zou betreffen als die Cygne reeds aan COFCO heeft voldaan. Daarnaast heeft CoJu erop gewezen dat in Swansea en Hilda op dit moment voldoende vermogen zit om een eventuele vordering van EY te kunnen voldoen. En zelfs als alle tussengelegen vennootschappen geen verhaal zouden bieden, beschikt CoJu gelet op haar pro-rata deel van de eventuele aansprakelijkheid, na de verrichte uitkering nog over voldoende vermogen, namelijk USD 60 miljoen. 5.25. [eiser 1] heeft onvoldoende ingebracht tegen de onderbouwde stellingen van CoJu. Hij betoogt dat de vordering die COFCO tegen EY heeft ingesteld significant hoger is dan wat Cygne reeds aan schadevergoeding heeft voldaan aan COFCO, maar of de omvang van die vordering reëel is, mede gelet op het feit dat Cygne eerder is veroordeeld tot betaling van een veel lager bedrag aan schadevergoeding dan COFCO had gevorderd, is maar zeer de vraag. Ter zitting is ook erkend dat de vraag of EY tot enige betaling, en welk bedrag, wordt veroordeeld, niet (goed) beantwoord kan worden, met deze kanttekening dat [naam 1] melding heeft gemaakt van schikkingsonderhandelingen op grond waarvan hij aanneemt dat een eventueel te betalen bedrag in de verste verten niet uitkomt op de honderden miljoenen waar [eiser 1] van uit wil gaan. [eiser 1] heeft bovendien slechts in algemene zin betwist dat de tussen Cygne en CoJu gelegen vennootschappen op dit moment over significant vermogen beschikken om een eventuele vordering te voldoen. Zo is niet uitgewerkt dat en waarom een deelneming van Swansea in dit verband niet mag worden meegeteld. [eiser 1] heeft ook onvoldoende toegelicht waarom CoJu niet pro-rata, maar geheel aansprakelijk zou zijn of verhaal zou moeten bieden voor de potentiële vordering van EY op Cygne en waarom het vermogen van CoJu van USD 60 miljoen niet haar eventuele aansprakelijkheid overstijgt. Tot slot betoogt [eiser 1] dat het memorandum van NautaDutilh achterhaald is door een tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam uit 2024, waarin is geoordeeld dat EY beroepsfouten heeft gemaakt en dat EY daarvoor aansprakelijk is. Hoewel [eiser 1] kan worden toegegeven dat het memorandum dateert van voor de vonnisdatum, is het naar voorlopig oordeel nog steeds van waarde omdat het – voor zover partijen dat hebben toegelicht – een inschatting geeft van de (beperkte) omvang van de te betalen schadevergoeding in het geval EY aansprakelijk is. 5.26. Uit het voorgaande volgt dat [eiser 1] onvoldoende heeft aangetoond dat de uitkering in strijd is met het bepaalde in de HWL-overeenkomst en dus dat CoJu is tekort geschoten in de nakoming daarvan. 5.27. De dagvaarding in dit kort geding vangt aan met wat met deze procedure wordt beoogd: herstel van de verhaalspositie van CoJu. Dat en waarom dat een direct eigen belang van [eiser 1] (en [eiser 2] ) bij de vorderingen oplevert, wordt verder niet uitgewerkt. Voor zover bedoeld is te stellen dat [eiser 1] schade leidt als gevolg van een wanprestatie of onrechtmatige daad waarvoor gedaagden aansprakelijk zijn, wordt het volgende overwogen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat schade die [eiser 1] , in beide gevallen, zou kunnen lijden, een waardevermindering van zijn aandelen is. Nog daargelaten de vraag of die schade wel in Nederland wordt geleden, [eiser 1] woont immers niet in Nederland, is in die situatie het uitgangspunt dat een aandeelhouder die schade in beginsel niet kan vorderen. Feiten en omstandigheden waarom in dit geval van dat uitgangspunt moet worden afgeweken, zijn gesteld noch aannemelijk geworden. Een mogelijk verwijt wegens de rol van [eiser 1] als [functionaris] van (en anderszins betrokkene bij) CoJu, en mogelijk daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid en schade, is evenzeer onvoldoende uitgewerkt. In dat verband is relevant dat, zoals CoJu ter zitting heeft benoemd, [eiser 1] steeds duidelijk heeft gemaakt niet in te stemmen met uitkeringen (in de keten vanuit Cygne) althans alleen maar onder de voorwaarde van zekerheid voor de terugbetaling ervan. Het belang van [eiser 1] bij zijn vordering is daarom onvoldoende aannemelijk geworden. 5.28. Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat de vordering van [eiser 1] tegen alle gedaagden wordt afgewezen. De vorderingen van [eiser 1] tegen CoJu worden afgewezen 5.29. Zoals hiervoor is overwogen heeft [eiser 1] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in strijd met de HWL-overeenkomst is gehandeld. Gelet daarop is er onvoldoende reden om de vorderingen tegen CoJu om de HWL-overeenkomst na te komen toe te wijzen. Vordering 2 wordt daarom afgewezen. 5.30. Vordering 3 is er blijkens de toelichting op gericht om te waarborgen dat CoJu geen uitkeringen zal doen in strijd met de HWL-overeenkomst. Vooropgesteld zij dat een dergelijke beperking niet in de vordering tot uitdrukking is gebracht. Deze vordering stuit af op (i) het oordeel dat geen sprake is van schending van HWL-overeenkomst, zodat er geen grond voor een dergelijke maatregel is en (ii) een nieuwe bestuurder zich, net als de huidige bestuurders, heeft te houden aan de HWL-overeenkomst. De belangen van [eiser 1] , voor zover die al een rechtsgrond voor benoeming zouden kunnen opleveren, zijn onvoldoende om daartoe over te gaan. Deze vordering wordt daarom ook afgewezen. De vordering tegen Juler B.V. 5.31. Volledigheidshalve overweegt de voorzieningenrechter nog dat gelet op al het hiervoor overwogene de vorderingen tegen Juler B.V. ongegrond zijn. Proceskosten 5.32. [eiser 1] en [eiser 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten en de gevorderde wettelijke rente) betalen aan de gedaagde partijen zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten worden begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.177,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101,00 5.33. De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. De veroordeling wordt voorts uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 6 De beslissing De voorzieningenrechter 6.1. wijst de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] af, 6.2. veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen aan CoJu, [naam 1] of [naam 2] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser 1] en [eiser 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 6.3. veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen aan Juler Luxemburg of Juler Cyprus binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser 1] en [eiser 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 6.4. veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen aan [naam 3] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser 1] en [eiser 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 6.5. veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten in 6.2., 6.3. en 6.4. als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 6.6. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.
Volledig
De vraag die moet worden beantwoord is of voldoende aannemelijk is dat dit het geval is. 5.24. CoJu doet een beroep op een door NautaDutilh opgesteld memorandum, waaruit zou blijken dat het onwaarschijnlijk is dat Cygne in de vrijwaringsprocedure wordt veroordeeld tot betaling van een (substantiële) schadevergoeding, omdat het door COFCO gevorderde bedrag in de procedure tegen EY dezelfde schade zou betreffen als die Cygne reeds aan COFCO heeft voldaan. Daarnaast heeft CoJu erop gewezen dat in Swansea en Hilda op dit moment voldoende vermogen zit om een eventuele vordering van EY te kunnen voldoen. En zelfs als alle tussengelegen vennootschappen geen verhaal zouden bieden, beschikt CoJu gelet op haar pro-rata deel van de eventuele aansprakelijkheid, na de verrichte uitkering nog over voldoende vermogen, namelijk USD 60 miljoen. 5.25. [eiser 1] heeft onvoldoende ingebracht tegen de onderbouwde stellingen van CoJu. Hij betoogt dat de vordering die COFCO tegen EY heeft ingesteld significant hoger is dan wat Cygne reeds aan schadevergoeding heeft voldaan aan COFCO, maar of de omvang van die vordering reëel is, mede gelet op het feit dat Cygne eerder is veroordeeld tot betaling van een veel lager bedrag aan schadevergoeding dan COFCO had gevorderd, is maar zeer de vraag. Ter zitting is ook erkend dat de vraag of EY tot enige betaling, en welk bedrag, wordt veroordeeld, niet (goed) beantwoord kan worden, met deze kanttekening dat [naam 1] melding heeft gemaakt van schikkingsonderhandelingen op grond waarvan hij aanneemt dat een eventueel te betalen bedrag in de verste verten niet uitkomt op de honderden miljoenen waar [eiser 1] van uit wil gaan. [eiser 1] heeft bovendien slechts in algemene zin betwist dat de tussen Cygne en CoJu gelegen vennootschappen op dit moment over significant vermogen beschikken om een eventuele vordering te voldoen. Zo is niet uitgewerkt dat en waarom een deelneming van Swansea in dit verband niet mag worden meegeteld. [eiser 1] heeft ook onvoldoende toegelicht waarom CoJu niet pro-rata, maar geheel aansprakelijk zou zijn of verhaal zou moeten bieden voor de potentiële vordering van EY op Cygne en waarom het vermogen van CoJu van USD 60 miljoen niet haar eventuele aansprakelijkheid overstijgt. Tot slot betoogt [eiser 1] dat het memorandum van NautaDutilh achterhaald is door een tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam uit 2024, waarin is geoordeeld dat EY beroepsfouten heeft gemaakt en dat EY daarvoor aansprakelijk is. Hoewel [eiser 1] kan worden toegegeven dat het memorandum dateert van voor de vonnisdatum, is het naar voorlopig oordeel nog steeds van waarde omdat het – voor zover partijen dat hebben toegelicht – een inschatting geeft van de (beperkte) omvang van de te betalen schadevergoeding in het geval EY aansprakelijk is. 5.26. Uit het voorgaande volgt dat [eiser 1] onvoldoende heeft aangetoond dat de uitkering in strijd is met het bepaalde in de HWL-overeenkomst en dus dat CoJu is tekort geschoten in de nakoming daarvan. 5.27. De dagvaarding in dit kort geding vangt aan met wat met deze procedure wordt beoogd: herstel van de verhaalspositie van CoJu. Dat en waarom dat een direct eigen belang van [eiser 1] (en [eiser 2] ) bij de vorderingen oplevert, wordt verder niet uitgewerkt. Voor zover bedoeld is te stellen dat [eiser 1] schade leidt als gevolg van een wanprestatie of onrechtmatige daad waarvoor gedaagden aansprakelijk zijn, wordt het volgende overwogen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat schade die [eiser 1] , in beide gevallen, zou kunnen lijden, een waardevermindering van zijn aandelen is. Nog daargelaten de vraag of die schade wel in Nederland wordt geleden, [eiser 1] woont immers niet in Nederland, is in die situatie het uitgangspunt dat een aandeelhouder die schade in beginsel niet kan vorderen. Feiten en omstandigheden waarom in dit geval van dat uitgangspunt moet worden afgeweken, zijn gesteld noch aannemelijk geworden. Een mogelijk verwijt wegens de rol van [eiser 1] als [functionaris] van (en anderszins betrokkene bij) CoJu, en mogelijk daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid en schade, is evenzeer onvoldoende uitgewerkt. In dat verband is relevant dat, zoals CoJu ter zitting heeft benoemd, [eiser 1] steeds duidelijk heeft gemaakt niet in te stemmen met uitkeringen (in de keten vanuit Cygne) althans alleen maar onder de voorwaarde van zekerheid voor de terugbetaling ervan. Het belang van [eiser 1] bij zijn vordering is daarom onvoldoende aannemelijk geworden. 5.28. Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat de vordering van [eiser 1] tegen alle gedaagden wordt afgewezen. De vorderingen van [eiser 1] tegen CoJu worden afgewezen 5.29. Zoals hiervoor is overwogen heeft [eiser 1] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in strijd met de HWL-overeenkomst is gehandeld. Gelet daarop is er onvoldoende reden om de vorderingen tegen CoJu om de HWL-overeenkomst na te komen toe te wijzen. Vordering 2 wordt daarom afgewezen. 5.30. Vordering 3 is er blijkens de toelichting op gericht om te waarborgen dat CoJu geen uitkeringen zal doen in strijd met de HWL-overeenkomst. Vooropgesteld zij dat een dergelijke beperking niet in de vordering tot uitdrukking is gebracht. Deze vordering stuit af op (i) het oordeel dat geen sprake is van schending van HWL-overeenkomst, zodat er geen grond voor een dergelijke maatregel is en (ii) een nieuwe bestuurder zich, net als de huidige bestuurders, heeft te houden aan de HWL-overeenkomst. De belangen van [eiser 1] , voor zover die al een rechtsgrond voor benoeming zouden kunnen opleveren, zijn onvoldoende om daartoe over te gaan. Deze vordering wordt daarom ook afgewezen. De vordering tegen Juler B.V. 5.31. Volledigheidshalve overweegt de voorzieningenrechter nog dat gelet op al het hiervoor overwogene de vorderingen tegen Juler B.V. ongegrond zijn. Proceskosten 5.32. [eiser 1] en [eiser 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten en de gevorderde wettelijke rente) betalen aan de gedaagde partijen zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten worden begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.177,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101,00 5.33. De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. De veroordeling wordt voorts uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 6 De beslissing De voorzieningenrechter 6.1. wijst de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] af, 6.2. veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen aan CoJu, [naam 1] of [naam 2] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser 1] en [eiser 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 6.3. veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen aan Juler Luxemburg of Juler Cyprus binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser 1] en [eiser 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 6.4. veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen aan [naam 3] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser 1] en [eiser 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 6.5. veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten in 6.2., 6.3. en 6.4. als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 6.6. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.