Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2026-05-08
ECLI:NL:RBROT:2026:5387
ECLI:NL:RBROT:2026:5387 text/xml public 2026-06-03T09:24:14 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-05-08 C/10/714460 / KG ZA 26-117 Uitspraak Kort geding NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5387 text/html public 2026-06-03T09:23:36 2026-06-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5387 Rechtbank Rotterdam , 08-05-2026 / C/10/714460 / KG ZA 26-117 Kort geding. Inzagevordering. Eiseres vordert inzage van inbeslaggenomen stukken op grond van artikel 196 en artikel 197 Rv. Afwijzing vordering. Tussen partijen loopt al een procedure in hoger beroep. Daarnaast ontbreekt een spoedeisend belang. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/714460 / KG ZA 26-117 Vonnis in kort geding van 8 mei 2026 in de zaak van GEMEENTE DORDRECHT , zetelend in Dordrecht, eiseres, advocaten: mrs. M.B. Klijn, R.R. Verkerk en A.N. Faber, tegen BALLAST NEDAM ONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ B.V. , gevestigd in Rotterdam, gedaagde, advocaten: mrs. T.R.B. de Greve, D.C. Orobio de Castro en P.M. de Vos. Partijen worden hierna de gemeente en BNO genoemd. De zaak in het kort De gemeente heeft ten laste van BNO conservatoir bewijsbeslag gelegd. De inbeslaggenomen stukken zijn afgegeven aan een gerechtelijk bewaarder. In dit kort geding vordert de gemeente dat zij inzage krijgt in de stukken. Volgens de gemeente heeft zij de stukken nodig om haar verweer in de hogerberoepsprocedure tussen partijen voor te kunnen bereiden, om te beoordelen of zij eventueel eigen vorderingen tegen BNO in kan stellen, en om haar kansen in de procedure(s) tegen BNO in te kunnen schatten. De voorzieningenrechter wijst de vordering van de gemeente af. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaarding van 6 februari 2026, met producties 1 tot en met 19, de aanvullende producties 20 en 21 van de gemeente, de akte in het geding brengen producties, nadere specificatie belang bij inzage in stukken van de gemeente, met producties 22 tot en met 32, de partiële conclusie van antwoord van BNO, met producties 1 tot en met 43, de akte gedeeltelijke reactie conclusie van antwoord van de gemeente, met producties 33 tot en met 62, de aanvullende producties 44 en 45 van BNO, de pleitnotities van mr. Klijn, de spreekaantekeningen van mr. De Greve. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 april 2026. 2 De feiten 2.1. In 2019 organiseert de gemeente een marktselectieprocedure voor de ontwikkeling van het Gezondheidspark in Dordrecht (hierna: het project). Het project omvat de verkoop van een bestaande parkeergarage en vijf kavels (hierna: het onroerend goed) ten behoeve van een gefaseerde uitbreiding van de parkeergarage (fase 0) en de bouw van woningen (fasen 1, 3a, 3b en 4). De gemeente gunt het project aan BNO. 2.2. Op 22 juni 2021 sluiten de gemeente en BNO een ‘Ontwikkelovereenkomst Middenzone Gezondheidspark gemeente Dordrecht’ (hierna: de ontwikkelovereenkomst). Daarin leggen partijen vast dat de gemeente voornemens is om het onroerend goed aan BNO te verkopen, zodat BNO het project kan ontwikkelen. Na goedkeuring van het definitief ontwerp voor de fasen 0 en 1 gaan partijen over tot het sluiten van vervolgovereenkomsten, die na overeenstemming tussen partijen worden vastgesteld. De verkoop en levering van het onroerend goed vindt plaats conform de vervolgovereenkomsten. De ontwikkelovereenkomst bepaalt verder dat de gemeente het onroerend goed exclusief voor BNO reserveert voor een periode van 18 maanden voor de fasen 0 en 1 en 36 maanden voor de fasen 3a, 3b en 4. Voor deze reservering is BNO een vergoeding van € 968.000,00, inclusief omzetbelasting, aan de gemeente verschuldigd, die, in geval van verkoop en levering aan BNO, op de koopsom in mindering wordt gebracht. Indien binnen de reserveringsperiode geen gronduitgifte aan BNO plaatsvindt, vervalt de reserveringsvergoeding aan de gemeente. De gemeente heeft in dat geval ook het recht om De gemeente legde aan dat verzoek onder meer ten grondslag dat zij een vordering tot schadevergoeding op BNO heeft en op een later moment een separate procedure jegens BNO aanhangig wenst te maken. Samengevat stelt de gemeente dat het juist BNO is geweest die de onderhandelingen over de vervolgovereenkomsten opzettelijk heeft gefrustreerd, vanwege veranderende marktomstandigheden, en thans onrechtmatig procedeert in hoger beroep door het opwerpen van vertragingen (het indienen van de Woo-verzoeken en preprocessuele bewijsverrichtingen). 2.12. Bij beschikking van 10 december 2025 verleent de voorzieningenrechter het gevraagde verlof. Daarbij wordt bepaald dat de inbeslaggenomen stukken in bewaring dienen te worden gegeven aan DigiJuris B.V. (hierna: DigiJuris). 2.13. Op 3 februari 2026 legt de deurwaarder op verzoek van de gemeente ten laste van BNO conservatoir bewijsbeslag. Daarbij worden data op de smartphones van [functionaris 1] , [functionaris 2] en [functionaris 3] in beslag genomen. De deurwaarder geeft de in beslaggenomen stukken vervolgens in bewaring aan DigiJuris. 2.14. Op 26, 27 en 31 maart 2026 en 6 april 2026 vinden bij het hof de voorlopige getuigenverhoren plaats. De gemeente ziet af van contra-enquête. 2.15. In opdracht van BNO doorzoekt en analyseert Forvis Mazars Forensic & Investigations Services B.V. (hierna: Forvis Mazars) de inbeslaggenomen stukken. In haar rapport van 13 april 2026 staat dat daarbij geen aanwijzingen zijn gevonden dat BNO de onderhandelingen bewust heeft geprobeerd te vertragen of beëindigen, bijvoorbeeld vanwege gewijzigde marktomstandigheden of interne financiële overwegingen. 2.16. In hoger beroep staat de zaak op de rol voor memorie van grieven op 26 mei 2026. 3 Het geschil 3.1. De gemeente vordert, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: 1. BNO veroordeelt om te gedogen en al datgene te doen wat nodig is om mogelijk te maken dat de gemeente inzage krijgt in: primair : alle stukken waarop bewijsbeslag is gelegd, met dien verstande dat gegevens die mogelijk onder het verschoningsrecht vallen eruit worden gefilterd, subsidiair : een door de voorzieningenrechter te bepalen selectie van stukken, 2. bepaalt dat de deurwaarder wordt aangewezen als vertegenwoordiger van BNO en in die hoedanigheid gerechtigd is, al dan niet met behulp van DigiJuris, de stukken op doelmatige wijze te selecteren en aan de gemeente ter beschikking te stellen, 3. BNO veroordeelt in de proceskosten, inclusief de kosten van het bewijsbeslag. 3.2. BNO voert verweer en concludeert tot onbevoegdheid van de voorzieningenrechter, niet-ontvankelijkheid van de gemeente dan wel afwijzing van de vordering, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente. In geval van toewijzing van de inzagevordering verzoekt BNO de voorzieningenrechter om 1) aan de gemeente een mededelingsverbod op te leggen, versterkt met een dwangsom van € 1 miljoen per overtreding, 2) de gemeente te bevelen om alle kosten ex artikel 194 Rv te dragen en die kosten vooraf te voldoen en 3) daaraan de voorwaarde te verbinden dat de gemeente de kosten van Forvis Mazars van € 135.000,00 betaalt. 4 De beoordeling 4.1. De gemeente vordert inzage van de inbeslaggenomen stukken, met uitzondering van de stukken die onder het verschoningsrecht vallen. Volgens de gemeente moet haar verzoek worden aangemerkt als een verzoek voorlopige bewijsverrichting als bedoeld in de artikelen 196 en 197 Rv. BNO verzet zich op materiële gronden tegen inzage (zij beroept zich onder meer op een meer omvattend verschoningsrecht), maar werpt ook formele verweren op. Volgens BNO kan de inzagevordering uitsluitend in de hogerberoepsprocedure worden ingesteld. Daarnaast weerspreekt zij dat de gemeente een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. 4.2. Op 1 januari 2025 is de nieuwe regeling voor het inzagerecht in werking getreden (de artikelen 194-195a Rv). Artikel 194 Rv geeft Daarbij heeft zij gewezen op feitenrechtspraak waarin is aangenomen dat bij inzagevorderingen waarbij (nog) geen bodemprocedure is ingesteld, het spoedeisend belang reeds daarmee is gegeven. De gemeente miskent hiermee echter dat al een procedure tussen partijen - in hoger beroep - loopt. Juist omdat de gemeente als een van de hoofdredenen voor het verkrijgen van inzage heeft aangevoerd dat zij in het hoger beroep op basis van een deugdelijke feitelijke grondslag verweer wil kunnen voeren, en omdat de gemeente, als zij in die procedure toestemming krijgt om de inbeslaggenomen stukken in te zien, daarmee tevens de stukken in handen krijgt die zij nodig zegt te hebben om de noodzaak en haalbaarheid van een nieuwe bodemprocedure jegens BNO te kunnen bepalen, is het niet gewenst dat de voorzieningenrechter de hoger beroepsprocedure doorkruist met een inhoudelijke beoordeling van de inzagevordering. Dit geldt temeer nu de spoedeisendheid van die nieuwe, tegen BNO te beginnen procedure op zichzelf niet met inhoudelijke argumenten is onderbouwd. 4.6.2. Voor zover de gemeente de stukken dus nodig heeft voor het opstellen van haar memorie van antwoord in het hoger beroep, meent de voorzieningenrechter dat de gemeente zich daartoe tot het hof kan en moet wenden op basis van een vordering ex artikel 843a (oud) Rv. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemeente erop gewezen dat een informatieverzoek de procedure bij het hof alleen maar verder zou vertragen omdat de behandeling daarvan al snel een jaar in beslag neemt. Dit betekent echter niet dat de gemeente reeds daarom het spoedeisend belang heeft dat vereist is voor een inhoudelijke beoordeling van haar vordering in dit kort geding. De gemeente heeft ook niet concreet gemaakt dat het hof haar niet (tijdig) in haar informatieverzoek wil ontvangen. Verder rijst de vraag waarom de gemeente in de hogerberoepsprocedure nog niet in actie is gekomen. Zo had zij het zelfstandig inzageverzoek kunnen doen zónder daarbij het verzoek te doen om die vordering niet in behandeling te nemen zolang dit kort geding loopt, had zij een tegenverzoek kunnen doen in het kader van het door BNO gedane informatieverzoek, en had zij gebruik kunnen maken van haar recht op contra-enquête. 4.6.3. De gemeente heeft verder gesteld dat zij de rechtszaken tegen BNO zo spoedig mogelijk tot een goed einde wil brengen, omdat deze de ontwikkeling van het project verhinderen. Dit strookt echter niet met haar stelling dat zij aan de hand van inzage in de inbeslaggenomen stukken wil onderzoeken of zij een vordering tot schadevergoeding op BNO heeft en daarvoor een nieuwe procedure tegen BNO wil beginnen. Daar komt bij dat de toewijzing van de inzagevordering in dit kort geding niet bepalend is voor het antwoord op de vraag of de gemeente het project door een andere partij kan laten ontwikkelen. Dat kan de gemeente in beginsel namelijk al. Nu de rechtbank in het vonnis heeft beslist dat de gemeente gerechtigd was om de ontwikkelovereenkomst (gedeeltelijk) te beëindigen, moet er vooralsnog van worden uitgegaan dat het haar vrijstaat om het onroerend goed aan een derde te verkopen. Overigens heeft BNO tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven niet voornemens te zijn conservatoir beslag op de grond te leggen. 4.6.4. Ten slotte heeft de gemeente gesteld dat zij met haar inzagevordering de huidige informatieongelijkheid wenst te corrigeren. Hoewel op zichzelf genomen juist is dat de gemeente op grond van verschillende Woo-verzoeken en de beschikking informatie aan BNO heeft verstrekt, miskent de gemeente hiermee haar positie als overheidsorgaan en het recht van een private partij om democratisch gelegitimeerde besluitvorming te controleren. Daarnaast dient zij uitvoering te geven aan de beschikking. Verder heeft de gemeente niet toegelicht waarom de volgens haar bestaande informatieasymmetrie met spoed zou moeten worden weggenomen. Voor zover zij de stukken nodig heeft voor het voeren van verweer in hoger beroep, kan