Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-15
ECLI:NL:RBROT:2026:5272
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,069 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5272 text/xml public 2026-05-07T11:12:15 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-15 ROT 24/3842 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5272 text/html public 2026-05-07T11:10:10 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5272 Rechtbank Rotterdam , 15-04-2026 / ROT 24/3842 Wht. Lichte toets. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/3842 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. D. Sarikas), en Dienst Toeslagen (gemachtigde: [naam gemachtigde] ). Samenvatting 1. Eiser heeft een aanvraag ingediend om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). In het kader van de lichte toets heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor de toepassing van een herstelmaatregel en geen recht heeft op het forfaitaire bedrag van € 30.000,-. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het beroep is ongegrond. Procesverloop 2. Met het besluit van 14 oktober 2021 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor de toepassing van een herstelmaatregel en dus geen recht heeft op het forfaitaire bedrag van € 30.000,- als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. Met het bestreden besluit van 8 maart 2024 (gecorrigeerd met een besluit van 13 maart 2024) op het bezwaar van eiser is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiser heeft op 19 januari 2021 een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht. Bij besluit van 7 april 2021 heeft de Dienst Toeslagen eiser geïnformeerd dat hij op basis van de lichte toets vooralsnog niet het forfaitaire bedrag van € 30.000,- uitbetaald krijgt. De Dienst Toeslagen heeft vervolgens een herbeoordeling gemaakt van de kinderopvangtoeslag over 2006 en 2007. Met het besluit van 14 oktober 2021 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiser niet voor compensatie in aanmerking komt. Volgens de Dienst Toeslagen heeft eiser over 2006 en 2007 geen kinderopvangtoeslag aangevraagd en is aan eiser ook geen kinderopvangtoeslag toegekend. Reeds daarom heeft eiser volgens de Dienst Toeslagen geen recht op compensatie. Eiser komt ook geen beroep toe op het vertrouwensbeginsel. Hij kon namelijk niet gerechtvaardigd vertrouwen op toezeggingen van de Dienst Toeslagen omdat hij geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en daarom niet in aanmerking komt voor een herstelregeling. Bij het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Gronden eiser 4. Eiser voert in de eerste plaats aan dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Zijn kinderen zijn naar kinderopvanginstelling [naam kinderopvang] geweest. Eiser heeft lange tijd over de stukken met betrekking tot de opvang en toeslagen beschikt, maar heeft deze na een ongelooflijk zware tijd vernietigd. Hij wilde er namelijk niet meer aan denken. Ruim vijftien jaar later beschikt hij niet meer over de benodigde stukken. Daarnaast doet eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel. Op 18 mei 2021 is hem telefonisch toegezegd dat hij aanspraak maakt op de Catshuisregeling en dat het bedrag van € 30.000,- aan hem zou worden uitbetaald. Nadat betaling uitbleef heeft eiser op 18 juni 2021 telefonisch contact opgenomen met de Dienst Toeslagen en is hem toegezegd dat hij een spoedbetaling zou ontvangen op 8 juli 2021. Ook deze betaling heeft nooit plaatsgevonden. Op 5 augustus 2021 heeft de persoonlijk zaakbehandelaar van eiser, de heer [persoon A] , eiser thuis opgezocht en eiser medegedeeld dat hij een beroep kon doen op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (het vertrouwensbeginsel). Op 8 december 2021 heeft eiser een gesprek gehad met staatssecretaris [persoon B] . In dat gesprek heeft de staatssecretaris aangegeven het eens te zijn met eisers standpunten over de toezeggingen van de Dienst Toeslagen. Heeft de Dienst Toeslagen terecht vastgesteld dat eiser geen gedupeerde is? 5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen zich op basis van zorgvuldig onderzoek terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen aanvrager van kinderopvangtoeslag is geweest en daarom niet in aanmerking komt voor compensatie. De Dienst Toeslagen heeft in verschillende van zijn systemen gezocht. Er zijn in de systemen van de Dienst Toeslagen voor de jaren 2006 en 2007 geen aanvragen op naam van eiser of beschikkingen van kinderopvangtoeslag gevonden. Ook zijn geen antwoord- of wijzigingsformulieren met opvanggegevens bekend. Bij het Landelijk Incasso Centrum (LIC) is evenmin iets terug te vinden over toekenningen, uitbetalingen of terugvorderingen van kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft verder navraag gedaan bij de door eiser genoemde kinderopvanginstelling [naam kinderopvang] . [naam kinderopvang] heeft echter in de administratie geen informatie aangetroffen over eiser en zijn kinderen. Het was vervolgens aan eiser om aannemelijk te maken dat hij wel aanvrager van kinderopvangtoeslag is geweest. Dat heeft eiser niet gedaan. Dat eiser niet meer beschikt over stukken over kinderopvangtoeslag omdat hij de stukken heeft vernietigd, komt naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van eiser. De beroepsgrond slaagt niet. Komt eiser een beroep toe op het vertrouwensbeginsel? 6. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. De rechtbank stelt vast dat aan eiser mededelingen zijn gedaan over de uitbetaling van het forfaitaire bedrag van € 30.000,- door een of meerdere medewerkers van het Serviceteam van de Dienst Toeslagen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de ‘Uitdraai gespreksnotities uit TVS’ waarin bij 28 juni 2021 staat vermeld: “ Aan ouder medegedeeld dat hij op 8 juli wordt uitbetaald en dat hij mij kan bellen als het niet binnen is. ” De persoonlijk zaakbehandelaar van eiser heeft in zijn e-mail aan eiser van 23 juli 2021 bovendien bevestigd dat er meerdere toezeggingen zijn gedaan: “Ondanks diverse toezeggingen is aan u de 30K Catshuisregeling nog niet uitbetaald.” De rechtbank is echter van oordeel dat eiser in de gegeven omstandigheden uit deze uitlatingen niet redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de Dienst Toeslagen daadwerkelijk tot betaling zou overgaan. Daarbij acht de rechtbank relevant dat er ten tijde van de toezeggingen al een besluit was genomen op basis van de lichte toets. Daaruit volgde dat eiser vooralsnog geen recht had op het forfaitaire bedrag van € 30.000,- en dat de integrale beoordeling nog niet was afgerond. De mededelingen over de datum van uitbetaling stonden haaks op dat besluit. Eiser mocht er niet zonder meer op vertrouwen dat – in weerwil van het besluit op basis van de lichte toets en in afwachting van de integrale beoordeling – toch een uitbetaling zou plaatsvinden. Daarbij is relevant dat de mededelingen werden gedaan door medewerkers van het Serviceteam, die niet over de inhoudelijke beoordeling gingen. Voor zover persoonlijk zaakbehandelaar [persoon A] tegen eiser heeft gezegd dat eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel kon doen, kon eiser daar niet gerechtvaardigd het vertrouwen aan ontlenen dat dat beroep ook zou slagen.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5272 text/xml public 2026-05-07T11:12:15 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-15 ROT 24/3842 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5272 text/html public 2026-05-07T11:10:10 2026-05-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5272 Rechtbank Rotterdam , 15-04-2026 / ROT 24/3842 Wht. Lichte toets. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/3842 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. D. Sarikas), en Dienst Toeslagen (gemachtigde: [naam gemachtigde] ). Samenvatting 1. Eiser heeft een aanvraag ingediend om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). In het kader van de lichte toets heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor de toepassing van een herstelmaatregel en geen recht heeft op het forfaitaire bedrag van € 30.000,-. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen dat terecht gedaan. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het beroep is ongegrond. Procesverloop 2. Met het besluit van 14 oktober 2021 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor de toepassing van een herstelmaatregel en dus geen recht heeft op het forfaitaire bedrag van € 30.000,- als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. Met het bestreden besluit van 8 maart 2024 (gecorrigeerd met een besluit van 13 maart 2024) op het bezwaar van eiser is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De Dienst Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 6 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiser heeft op 19 januari 2021 een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht. Bij besluit van 7 april 2021 heeft de Dienst Toeslagen eiser geïnformeerd dat hij op basis van de lichte toets vooralsnog niet het forfaitaire bedrag van € 30.000,- uitbetaald krijgt. De Dienst Toeslagen heeft vervolgens een herbeoordeling gemaakt van de kinderopvangtoeslag over 2006 en 2007. Met het besluit van 14 oktober 2021 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiser niet voor compensatie in aanmerking komt. Volgens de Dienst Toeslagen heeft eiser over 2006 en 2007 geen kinderopvangtoeslag aangevraagd en is aan eiser ook geen kinderopvangtoeslag toegekend. Reeds daarom heeft eiser volgens de Dienst Toeslagen geen recht op compensatie. Eiser komt ook geen beroep toe op het vertrouwensbeginsel. Hij kon namelijk niet gerechtvaardigd vertrouwen op toezeggingen van de Dienst Toeslagen omdat hij geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en daarom niet in aanmerking komt voor een herstelregeling. Bij het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Gronden eiser 4. Eiser voert in de eerste plaats aan dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd. Zijn kinderen zijn naar kinderopvanginstelling [naam kinderopvang] geweest. Eiser heeft lange tijd over de stukken met betrekking tot de opvang en toeslagen beschikt, maar heeft deze na een ongelooflijk zware tijd vernietigd. Hij wilde er namelijk niet meer aan denken. Ruim vijftien jaar later beschikt hij niet meer over de benodigde stukken. Daarnaast doet eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel. Op 18 mei 2021 is hem telefonisch toegezegd dat hij aanspraak maakt op de Catshuisregeling en dat het bedrag van € 30.000,- aan hem zou worden uitbetaald. Nadat betaling uitbleef heeft eiser op 18 juni 2021 telefonisch contact opgenomen met de Dienst Toeslagen en is hem toegezegd dat hij een spoedbetaling zou ontvangen op 8 juli 2021. Ook deze betaling heeft nooit plaatsgevonden. Op 5 augustus 2021 heeft de persoonlijk zaakbehandelaar van eiser, de heer [persoon A] , eiser thuis opgezocht en eiser medegedeeld dat hij een beroep kon doen op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (het vertrouwensbeginsel). Op 8 december 2021 heeft eiser een gesprek gehad met staatssecretaris [persoon B] . In dat gesprek heeft de staatssecretaris aangegeven het eens te zijn met eisers standpunten over de toezeggingen van de Dienst Toeslagen. Heeft de Dienst Toeslagen terecht vastgesteld dat eiser geen gedupeerde is? 5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen zich op basis van zorgvuldig onderzoek terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen aanvrager van kinderopvangtoeslag is geweest en daarom niet in aanmerking komt voor compensatie. De Dienst Toeslagen heeft in verschillende van zijn systemen gezocht. Er zijn in de systemen van de Dienst Toeslagen voor de jaren 2006 en 2007 geen aanvragen op naam van eiser of beschikkingen van kinderopvangtoeslag gevonden. Ook zijn geen antwoord- of wijzigingsformulieren met opvanggegevens bekend. Bij het Landelijk Incasso Centrum (LIC) is evenmin iets terug te vinden over toekenningen, uitbetalingen of terugvorderingen van kinderopvangtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft verder navraag gedaan bij de door eiser genoemde kinderopvanginstelling [naam kinderopvang] . [naam kinderopvang] heeft echter in de administratie geen informatie aangetroffen over eiser en zijn kinderen. Het was vervolgens aan eiser om aannemelijk te maken dat hij wel aanvrager van kinderopvangtoeslag is geweest. Dat heeft eiser niet gedaan. Dat eiser niet meer beschikt over stukken over kinderopvangtoeslag omdat hij de stukken heeft vernietigd, komt naar het oordeel van de rechtbank voor rekening en risico van eiser. De beroepsgrond slaagt niet. Komt eiser een beroep toe op het vertrouwensbeginsel? 6. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. De rechtbank stelt vast dat aan eiser mededelingen zijn gedaan over de uitbetaling van het forfaitaire bedrag van € 30.000,- door een of meerdere medewerkers van het Serviceteam van de Dienst Toeslagen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de ‘Uitdraai gespreksnotities uit TVS’ waarin bij 28 juni 2021 staat vermeld: “ Aan ouder medegedeeld dat hij op 8 juli wordt uitbetaald en dat hij mij kan bellen als het niet binnen is. ” De persoonlijk zaakbehandelaar van eiser heeft in zijn e-mail aan eiser van 23 juli 2021 bovendien bevestigd dat er meerdere toezeggingen zijn gedaan: “Ondanks diverse toezeggingen is aan u de 30K Catshuisregeling nog niet uitbetaald.” De rechtbank is echter van oordeel dat eiser in de gegeven omstandigheden uit deze uitlatingen niet redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de Dienst Toeslagen daadwerkelijk tot betaling zou overgaan. Daarbij acht de rechtbank relevant dat er ten tijde van de toezeggingen al een besluit was genomen op basis van de lichte toets. Daaruit volgde dat eiser vooralsnog geen recht had op het forfaitaire bedrag van € 30.000,- en dat de integrale beoordeling nog niet was afgerond. De mededelingen over de datum van uitbetaling stonden haaks op dat besluit. Eiser mocht er niet zonder meer op vertrouwen dat – in weerwil van het besluit op basis van de lichte toets en in afwachting van de integrale beoordeling – toch een uitbetaling zou plaatsvinden. Daarbij is relevant dat de mededelingen werden gedaan door medewerkers van het Serviceteam, die niet over de inhoudelijke beoordeling gingen. Voor zover persoonlijk zaakbehandelaar [persoon A] tegen eiser heeft gezegd dat eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel kon doen, kon eiser daar niet gerechtvaardigd het vertrouwen aan ontlenen dat dat beroep ook zou slagen.