Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-15
ECLI:NL:RBROT:2026:5197
Civiel recht
Proces-verbaal
4,071 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5197 text/xml public 2026-05-06T16:47:51 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-15 C/10/718005 / KG ZA 26-343 en C/10/717991/ FA RK 26-2916 en C/10/718004/ FA RK 26-2921 Uitspraak Proces-verbaal NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5197 text/html public 2026-05-06T16:13:38 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5197 Rechtbank Rotterdam , 15-04-2026 / C/10/718005 / KG ZA 26-343 en C/10/717991/ FA RK 26-2916 en C/10/718004/ FA RK 26-2921 De beroepen tegen het opleggings- en verlengingsbesluit worden ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorziening en proceskostenveroordeling afgewezen. Verzoeker beroept zich op het niet bestaan van gevaar en het ontbreken van een zorgvuldige belangenafweging. De voorzieningenrechter acht dit gevaar wel aanwezig toen de besluiten werden genomen en nog altijd aanwezig vanwege het ontbreken van afspraken en gesprekken met de hulpverlening. Ook heeft verweerder alle bekende omstandigheden betrokken bij het nemen van de besluiten. Rechtbank Rotterdam Team familie Reg.nrs.: C/10/718005 / KG ZA 26-343 (voorlopige voorziening) C/10/717991/ FA RK 26-2916 (beroep tegen oplegging) C/10/718004/ FA RK 26-2921 (beroep tegen verlenging) Procesverbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaken tussen [verzoeker] , verzoeker, wonende te [woonplaats] , gemachtigde mr. R. Moghni, en de burgemeester van de gemeente Capelle aan den IJssel , verweerder, gemachtigde mr. T. Raaphorst, in welke zaken belanghebbende is: [naam 1] , wonende te [woonplaats] , hierna: achterblijfster, en de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats] . 1 Ontstaan en loop van de procedure 1.1. Bij besluit van 24 maart 2026 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan verzoeker (hierna: het opleggingsbesluit). 1.2. Bij besluit van 2 april 2026 heeft verweerder dit huisverbod verlengd tot 21 april 2026 (hierna: het verlengingsbesluit). 1.3. Bij brief van 8 april 2026 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de besluiten (hierna: de bestreden besluiten). Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Aanwezig waren: mr. O.C. Bozbiyik namens mr. R. Moghni; verweerder, vertegenwoordigd door mr. T. Raaphorst en [naam 2] ; Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond, vertegenwoordigd door [naam 3] . 2 Beslissing De voorzieningenrechter: verklaart de beroepen ongegrond; wijst het verzoek om voorlopige voorziening af; wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. 3 Overwegingen 3.1. Wettelijk kader 3.1.1. De wettelijke bepalingen die van belang zijn voor de beoordeling van de beroepsgronden zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. 3.2. Weergave bestreden besluiten, verzoek en beroep 3.2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning van verzoeker en achterblijfster (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen. 3.2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het huisverbod verlengd voor de duur van achttien dagen op grond van de Wth. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning van verzoeker en achterblijfster nog steeds (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen. 3.2.3. Het beroep strekt ertoe beide bestreden besluiten te vernietigen en verweerder te veroordelen in de proceskosten. 3.3. Kortsluiten 3.3.1. Als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting verder onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. 3.3.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verder onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat hij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep. 4 Gronden 4.1. Gevaar en belangenafweging 4.1.1. Verzoeker voert aan dat het gevaar niet bestond op het moment dat verweerder de bestreden besluiten nam en dat het gevaar ook nu niet (meer) bestaat. Daarnaast voert hij aan dat geen sprake is geweest van een zorgvuldige belangenafweging. 4.1.2. Namens verzoeker is toegelicht dat hij erkent dat hij de situatie tijdens het incident anders had kunnen aanpakken. Volgens verzoeker was geen sprake van een serieus gevaar dat de oplegging van het huisverbod rechtvaardigt en zijn er op dit moment geen aanknopingspunten dat verzoeker nog langer een gevaar vormt voor achterblijfster en de minderjarigen. Daarnaast heeft verzoeker verklaard dat hij bereid is mee te werken aan het maken van de afspraken. De reden dat verzoeker eerder niet is verschenen bij de afspraken met de hulpverlening, is volgens verzoeker omdat hij geen toegang heeft tot brieven en zijn DigiD. Verder is namens verzoeker bepleit dat geen zorgvuldige belangenafweging is gemaakt, omdat hij aan zijn lot is overgelaten en hij geen netwerk heeft om op terug te vallen, terwijl achterblijfster wel gebruik kan maken van een netwerk van familie en vrienden. 4.1.3. De rechter beoordeelt vol of het gevaar blijkt uit de door verweerder geduide feiten of omstandigheden. Het aanvaarden van een aanbod tot hulpverlening, het beginnen met die hulpverlening en de reële verwachting dat betrokkene blijft meewerken daaraan, zijn indicaties dat het gevaar niet langer bestaat. Als blijkt van dat gevaar, dan is verweerder bevoegd het huisverbod te verlengen tot ten hoogste vier weken. Daarna beoordeelt de rechter terughoudend of verweerder, alle belangen afwegend, gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid. Het opleggingsbesluit 4.1.4. Uit de stukken blijkt dat ten tijde van de oplegging sprake was van gevaar. Na het incident trof de politie het huis aan met vernielingen, waarvan verzoeker niet heeft weersproken dat hij deze vernielingen – onder invloed van drugs – heeft aangebracht. De jonge minderjarige kinderen van verzoeker en achterblijfster waren aanwezig in de woning. Vanwege het gevaar, dat op dat moment aanwezig was, was verweerder bevoegd een huisverbod op te leggen. Ook heeft verweerder in redelijkheid gebruik kunnen maken van deze bevoegdheid. De door verzoeker gestelde omstandigheden en ook anderszins bij verweerder bekende omstandigheden zijn betrokken. Zo heeft verweerder meegewogen wat verzoeker heeft aangedragen en wat is geconstateerd op het moment van het incident, zoals dat verzoeker is weggereden in een bus, waarin hij kan overnachten. Verzoeker heeft zijn beroepsgrond niet nader geconcretiseerd. Verweerder heeft kunnen concluderen dat de belangen van verzoeker dan minder zwaar wegen dan de belangen van achterblijvers. Het verlengingsbesluit 4.1.5. Omdat geen gesprek heeft plaatsgevonden en geen afspraken zijn gemaakt, was het gevaar op het moment van de verlenging van het huisverbod nog aanwezig. Op 31 maart 2026, een paar dagen voor de verlenging van het huisverbod, stond een gesprek tussen verzoeker en Veilig Thuis gepland. Verzoeker is niet bij dit gesprek verschenen. Veilig Thuis heeft verzoeker wel telefonisch kunnen bereiken en blijft proberen met verzoeker in gesprek te komen. Verweerder was dus bevoegd het verlengingsbesluit te nemen en heeft ook in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kunnen maken.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5197 text/xml public 2026-05-06T16:47:51 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-15 C/10/718005 / KG ZA 26-343 en C/10/717991/ FA RK 26-2916 en C/10/718004/ FA RK 26-2921 Uitspraak Proces-verbaal NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5197 text/html public 2026-05-06T16:13:38 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5197 Rechtbank Rotterdam , 15-04-2026 / C/10/718005 / KG ZA 26-343 en C/10/717991/ FA RK 26-2916 en C/10/718004/ FA RK 26-2921 De beroepen tegen het opleggings- en verlengingsbesluit worden ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorziening en proceskostenveroordeling afgewezen. Verzoeker beroept zich op het niet bestaan van gevaar en het ontbreken van een zorgvuldige belangenafweging. De voorzieningenrechter acht dit gevaar wel aanwezig toen de besluiten werden genomen en nog altijd aanwezig vanwege het ontbreken van afspraken en gesprekken met de hulpverlening. Ook heeft verweerder alle bekende omstandigheden betrokken bij het nemen van de besluiten. Rechtbank Rotterdam Team familie Reg.nrs.: C/10/718005 / KG ZA 26-343 (voorlopige voorziening) C/10/717991/ FA RK 26-2916 (beroep tegen oplegging) C/10/718004/ FA RK 26-2921 (beroep tegen verlenging) Procesverbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaken tussen [verzoeker] , verzoeker, wonende te [woonplaats] , gemachtigde mr. R. Moghni, en de burgemeester van de gemeente Capelle aan den IJssel , verweerder, gemachtigde mr. T. Raaphorst, in welke zaken belanghebbende is: [naam 1] , wonende te [woonplaats] , hierna: achterblijfster, en de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023 te [geboorteplaats] . 1 Ontstaan en loop van de procedure 1.1. Bij besluit van 24 maart 2026 heeft verweerder een huisverbod opgelegd aan verzoeker (hierna: het opleggingsbesluit). 1.2. Bij besluit van 2 april 2026 heeft verweerder dit huisverbod verlengd tot 21 april 2026 (hierna: het verlengingsbesluit). 1.3. Bij brief van 8 april 2026 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen de besluiten (hierna: de bestreden besluiten). Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Aanwezig waren: mr. O.C. Bozbiyik namens mr. R. Moghni; verweerder, vertegenwoordigd door mr. T. Raaphorst en [naam 2] ; Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond, vertegenwoordigd door [naam 3] . 2 Beslissing De voorzieningenrechter: verklaart de beroepen ongegrond; wijst het verzoek om voorlopige voorziening af; wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. 3 Overwegingen 3.1. Wettelijk kader 3.1.1. De wettelijke bepalingen die van belang zijn voor de beoordeling van de beroepsgronden zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. 3.2. Weergave bestreden besluiten, verzoek en beroep 3.2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen op grond van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth). Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning van verzoeker en achterblijfster (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen. 3.2.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het huisverbod verlengd voor de duur van achttien dagen op grond van de Wth. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de aanwezigheid van verzoeker in de woning van verzoeker en achterblijfster nog steeds (een vermoeden van) een ernstig en onmiddellijk gevaar (hierna: het gevaar) oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen. 3.2.3. Het beroep strekt ertoe beide bestreden besluiten te vernietigen en verweerder te veroordelen in de proceskosten. 3.3. Kortsluiten 3.3.1. Als tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Indien de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting verder onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. 3.3.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verder onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat hij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep. 4 Gronden 4.1. Gevaar en belangenafweging 4.1.1. Verzoeker voert aan dat het gevaar niet bestond op het moment dat verweerder de bestreden besluiten nam en dat het gevaar ook nu niet (meer) bestaat. Daarnaast voert hij aan dat geen sprake is geweest van een zorgvuldige belangenafweging. 4.1.2. Namens verzoeker is toegelicht dat hij erkent dat hij de situatie tijdens het incident anders had kunnen aanpakken. Volgens verzoeker was geen sprake van een serieus gevaar dat de oplegging van het huisverbod rechtvaardigt en zijn er op dit moment geen aanknopingspunten dat verzoeker nog langer een gevaar vormt voor achterblijfster en de minderjarigen. Daarnaast heeft verzoeker verklaard dat hij bereid is mee te werken aan het maken van de afspraken. De reden dat verzoeker eerder niet is verschenen bij de afspraken met de hulpverlening, is volgens verzoeker omdat hij geen toegang heeft tot brieven en zijn DigiD. Verder is namens verzoeker bepleit dat geen zorgvuldige belangenafweging is gemaakt, omdat hij aan zijn lot is overgelaten en hij geen netwerk heeft om op terug te vallen, terwijl achterblijfster wel gebruik kan maken van een netwerk van familie en vrienden. 4.1.3. De rechter beoordeelt vol of het gevaar blijkt uit de door verweerder geduide feiten of omstandigheden. Het aanvaarden van een aanbod tot hulpverlening, het beginnen met die hulpverlening en de reële verwachting dat betrokkene blijft meewerken daaraan, zijn indicaties dat het gevaar niet langer bestaat. Als blijkt van dat gevaar, dan is verweerder bevoegd het huisverbod te verlengen tot ten hoogste vier weken. Daarna beoordeelt de rechter terughoudend of verweerder, alle belangen afwegend, gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid. Het opleggingsbesluit 4.1.4. Uit de stukken blijkt dat ten tijde van de oplegging sprake was van gevaar. Na het incident trof de politie het huis aan met vernielingen, waarvan verzoeker niet heeft weersproken dat hij deze vernielingen – onder invloed van drugs – heeft aangebracht. De jonge minderjarige kinderen van verzoeker en achterblijfster waren aanwezig in de woning. Vanwege het gevaar, dat op dat moment aanwezig was, was verweerder bevoegd een huisverbod op te leggen. Ook heeft verweerder in redelijkheid gebruik kunnen maken van deze bevoegdheid. De door verzoeker gestelde omstandigheden en ook anderszins bij verweerder bekende omstandigheden zijn betrokken. Zo heeft verweerder meegewogen wat verzoeker heeft aangedragen en wat is geconstateerd op het moment van het incident, zoals dat verzoeker is weggereden in een bus, waarin hij kan overnachten. Verzoeker heeft zijn beroepsgrond niet nader geconcretiseerd. Verweerder heeft kunnen concluderen dat de belangen van verzoeker dan minder zwaar wegen dan de belangen van achterblijvers. Het verlengingsbesluit 4.1.5. Omdat geen gesprek heeft plaatsgevonden en geen afspraken zijn gemaakt, was het gevaar op het moment van de verlenging van het huisverbod nog aanwezig. Op 31 maart 2026, een paar dagen voor de verlenging van het huisverbod, stond een gesprek tussen verzoeker en Veilig Thuis gepland. Verzoeker is niet bij dit gesprek verschenen. Veilig Thuis heeft verzoeker wel telefonisch kunnen bereiken en blijft proberen met verzoeker in gesprek te komen. Verweerder was dus bevoegd het verlengingsbesluit te nemen en heeft ook in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kunnen maken.