Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-05-01
ECLI:NL:RBROT:2026:5177
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
14,743 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5177 text/xml public 2026-05-19T10:52:44 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-05-01 C/10/713204 / KG ZA 26-31 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5177 text/html public 2026-05-19T10:52:26 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5177 Rechtbank Rotterdam , 01-05-2026 / C/10/713204 / KG ZA 26-31 Kort geding. Aanbesteding. Afwijzing. Aanbesteding voor het verrichten van doelgroepenvervoer. De voorzieningenrechter kwalificeert het voornemen van de Gemeente om één van de eisen van de aanbesteding aan te passen als een wijziging. Er is echter geen sprake van een wezenlijke wijziging, zoals bedoeld in artikel 2.163g van de Aanbestedingswet. Het staat de Gemeente daarom vrij om de eis te wijzigen op de door haar aangekondigde manier. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/713204 / KG ZA 26-31 Vonnis in kort geding van 1 mei 2026 in de zaak van 1 TREVVEL B.V., 2. [naam] B.V., statutair gevestigd in Rotterdam, eisende partijen, advocaten: mrs. L.M. Engels en M. van den Brink, tegen GEMEENTE ROTTERDAM , zetelend in Rotterdam, gedaagde partij, advocaten: mrs. M. van Rijn en T.M.O. Bottinga, waarin is tussengekomen RMC ROTTERDAM B.V. , statutair gevestigd in Rotterdam, tussenkomende partij, advocaten: mrs. P.H.L.M. Kuypers en A. Kul. Partijen worden hierna Trevvel c.s., de Gemeente en RMC genoemd. 1 De zaak in het kort 1.1. De Gemeente heeft een Europese openbare aanbesteding voor het verrichten van doelgroepenvervoer gepubliceerd via TenderNed (de Opdracht). In Eis 184 van het Programma van Eisen, die betrekking heeft op zogenoemde CAV-ritten, staat dat een reiziger slechts kan reizen van en naar bestemmingen tot maximaal 25 kilometer van zijn woonadres. De Gemeente heeft de Opdracht inmiddels definitief gegund aan RMC. Na de gunning heeft de Gemeente het voornemen geuit om Eis 184 te wijzigen, in die zin dat de beperking tot reizen van en naar bestemmingen tot maximaal 25 km van het woonadres komt te vervallen voor CAV-reizen waarvan het vertrek- en aankomstpunt binnen de gemeentegrenzen zijn gelegen. Trevvel c.s. maken bezwaar tegen deze voorgenomen wijziging en stellen zich op het standpunt dat de Gemeente de CAV-ritten van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger apart moet aanbesteden, dan wel de Opdracht opnieuw moet aanbesteden voor zover de Gemeente (alsnog) een samenvoeging wenst. Daarom vorderen Trevvel c.s. – kort gezegd – dat het de Gemeente onder druk van een dwangsom wordt geboden om de voorgenomen wijziging in te trekken en de voorgenomen wijziging alsnog aan te besteden. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van Trevvel c.s. en de vordering in de tussenkomst van RMC (die vordert dat het Trevvel c.s. wordt geboden om te gehengen en te gedogen dat RMC en de Gemeente uitvoering geven aan de voorgenomen wijziging) af. Dit wordt hierna uitgelegd. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 14 januari 2026, met bijlagen 1 tot en met 19; de aanvullende bijlagen 20 tot en met 22 van Trevvel c.s.; de conclusie van antwoord van de Gemeente, met bijlagen 1 en 2; de incidentele conclusie met vordering tot tussenkomst van RMC, subsidiair voeging, met bijlagen 1 tot en met 3; de mondelinge behandeling op 17 april 2026; de spreekaantekeningen van mr. Engels; de pleitnota van mr. Van Rijn; de pleitaantekeningen van mr. Kuypers. 3 De beoordeling in het incident 3.1. RMC heeft primair gevorderd te mogen tussenkomen en subsidiair om zich te mogen voegen in de procedure tussen Trevvel c.s. en de Gemeente. 3.2. Tijdens de mondelinge behandeling hebben Trevvel c.s. en de Gemeente verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst van RMC. De voorzieningenrechter heeft de daartoe strekkende vordering van RMC toegewezen, wat in de kop van dit vonnis al tot uitdrukking is gebracht. Het belang van RMC bij de tussenkomst is erin gelegen dat zij, als de partij aan wie de Opdracht is gegund, nadelige gevolgen kan ondervinden van een voor de Gemeente ongunstige uitkomst van deze zaak. Het spoedeisend belang en de goede procesorde staan niet aan toewijzing in de weg. 3.3. De proceskosten in het incident worden gecompenseerd, omdat geen van partijen heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. in de hoofdzaak en in de tussenkomst 3.4. Het draait in deze zaak om Eis 184 van het Programma van Eisen. Die eis heeft betrekking op zogenoemde CAV-ritten. Dat zijn ritten voor personen met een indicatie voor Collectief Aanvullend Vervoer. Deze ritten zijn sociaal-recreatief van aard. Eis 184 luidt als volgt: “ De Reiziger kan reizen van en naar bestemmingen tot maximaal 25km van zijn woonadres, op basis van de kortste route in afstand volgens Easytravel of een andere minimaal gelijkwaardige routeplanner die goedgekeurd is door de Opdrachtgever. Overige bestemmingen kunnen uitsluitend worden vastgesteld na voorafgaand overleg tussen Opdrachtgever en Opdrachtnemer. ”. 3.5. De Gemeente heeft aangekondigd het voornemen te hebben om Eis 184 aan te passen “ door de in de huidige formulering van de eis opgenomen beperking tot reizen van en naar bestemmingen tot maximaal 25 km van het woonadres te laten vervallen voor reizen waarvan het vertrek- en aankomstpunt binnen de gemeentegrenzen zijn gelegen. ”. Het voornemen moet worden gekwalificeerd als een wijziging 3.6. Als eerste moet de voorzieningenrechter de vraag beantwoorden of het voornemen van de Gemeente om Eis 184 aan te passen, kwalificeert als een wijziging, zoals Trevvel c.s. stellen, of slechts als een toepassing van de uitzonderingsmogelijkheid die al in Eis 184 is opgenomen, zoals de Gemeente en RMC betogen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het voornemen van de Gemeente als een wijziging moet worden gekwalificeerd. 3.7. Daarvoor is in de eerste plaats relevant dat de Gemeente het voornemen in haar vooraankondiging van 21 december 2025 (en ook in de rectificatie daarvan van 24 december 2025) zelf expliciet als een wijziging aanduidt. Het standpunt van de Gemeente en RMC in deze zaak dat van een wijziging (toch) geen sprake is, valt hier niet mee te rijmen. Dat geldt ook voor de incidentele conclusie met vordering tot tussenkomst van RMC, waarin RMC meermaals schrijft over de “wijziging” van Eis 184. 3.8. Daar komt bij dat ook feitelijk sprake is van een wijziging van Eis 184. Aanvankelijk werden CAV-reizen van en naar bestemmingen van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger in Eis 184 uitdrukkelijk uitgesloten van de Opdracht, met de uitzondering dat het mogelijk was om “overige bestemmingen” vast te stellen na voorafgaand overleg tussen de Gemeente en RMC. Wat de Gemeente hier precies mee bedoelt, volgt uit het antwoord van de Gemeente op vraag 305 in de Nota van Inlichtingen: “ (…) Met overige bestemmingen kunnen uitsluitend worden vastgesteld na voorafgaand overleg tussen Opdrachtgever en Opdrachtnemer bedoelt de Aanbestedende Dienst dat in zeer uitzonderlijke omstandigheden, na instemming van de Opdrachtgever, hiervan afgeweken kan worden. Een voorbeeld ter verheldering: een Reiziger wil zijn partner bezoeken, die in een verpleeghuis woont dat net buiten het vervoersgebied ligt. ”. Dit antwoord van de Gemeente kan moeilijk anders worden uitgelegd dan wanneer een reiziger een CAV-reis wil maken van of naar een bestemming die meer dan 25 kilometer van zijn woonadres is gelegen, de Gemeente en RMC per geval overleggen of dit al dan niet onder de Opdracht wordt geschaard. Dit soort afwijkingen vindt bovendien slechts plaats “in zeer uitzonderlijke omstandigheden”.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5177 text/xml public 2026-05-19T10:52:44 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-05-01 C/10/713204 / KG ZA 26-31 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5177 text/html public 2026-05-19T10:52:26 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5177 Rechtbank Rotterdam , 01-05-2026 / C/10/713204 / KG ZA 26-31 Kort geding. Aanbesteding. Afwijzing. Aanbesteding voor het verrichten van doelgroepenvervoer. De voorzieningenrechter kwalificeert het voornemen van de Gemeente om één van de eisen van de aanbesteding aan te passen als een wijziging. Er is echter geen sprake van een wezenlijke wijziging, zoals bedoeld in artikel 2.163g van de Aanbestedingswet. Het staat de Gemeente daarom vrij om de eis te wijzigen op de door haar aangekondigde manier. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/713204 / KG ZA 26-31 Vonnis in kort geding van 1 mei 2026 in de zaak van 1 TREVVEL B.V., 2. [naam] B.V., statutair gevestigd in Rotterdam, eisende partijen, advocaten: mrs. L.M. Engels en M. van den Brink, tegen GEMEENTE ROTTERDAM , zetelend in Rotterdam, gedaagde partij, advocaten: mrs. M. van Rijn en T.M.O. Bottinga, waarin is tussengekomen RMC ROTTERDAM B.V. , statutair gevestigd in Rotterdam, tussenkomende partij, advocaten: mrs. P.H.L.M. Kuypers en A. Kul. Partijen worden hierna Trevvel c.s., de Gemeente en RMC genoemd. 1 De zaak in het kort 1.1. De Gemeente heeft een Europese openbare aanbesteding voor het verrichten van doelgroepenvervoer gepubliceerd via TenderNed (de Opdracht). In Eis 184 van het Programma van Eisen, die betrekking heeft op zogenoemde CAV-ritten, staat dat een reiziger slechts kan reizen van en naar bestemmingen tot maximaal 25 kilometer van zijn woonadres. De Gemeente heeft de Opdracht inmiddels definitief gegund aan RMC. Na de gunning heeft de Gemeente het voornemen geuit om Eis 184 te wijzigen, in die zin dat de beperking tot reizen van en naar bestemmingen tot maximaal 25 km van het woonadres komt te vervallen voor CAV-reizen waarvan het vertrek- en aankomstpunt binnen de gemeentegrenzen zijn gelegen. Trevvel c.s. maken bezwaar tegen deze voorgenomen wijziging en stellen zich op het standpunt dat de Gemeente de CAV-ritten van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger apart moet aanbesteden, dan wel de Opdracht opnieuw moet aanbesteden voor zover de Gemeente (alsnog) een samenvoeging wenst. Daarom vorderen Trevvel c.s. – kort gezegd – dat het de Gemeente onder druk van een dwangsom wordt geboden om de voorgenomen wijziging in te trekken en de voorgenomen wijziging alsnog aan te besteden. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van Trevvel c.s. en de vordering in de tussenkomst van RMC (die vordert dat het Trevvel c.s. wordt geboden om te gehengen en te gedogen dat RMC en de Gemeente uitvoering geven aan de voorgenomen wijziging) af. Dit wordt hierna uitgelegd. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 14 januari 2026, met bijlagen 1 tot en met 19; de aanvullende bijlagen 20 tot en met 22 van Trevvel c.s.; de conclusie van antwoord van de Gemeente, met bijlagen 1 en 2; de incidentele conclusie met vordering tot tussenkomst van RMC, subsidiair voeging, met bijlagen 1 tot en met 3; de mondelinge behandeling op 17 april 2026; de spreekaantekeningen van mr. Engels; de pleitnota van mr. Van Rijn; de pleitaantekeningen van mr. Kuypers. 3 De beoordeling in het incident 3.1. RMC heeft primair gevorderd te mogen tussenkomen en subsidiair om zich te mogen voegen in de procedure tussen Trevvel c.s. en de Gemeente. 3.2. Tijdens de mondelinge behandeling hebben Trevvel c.s. en de Gemeente verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst van RMC. De voorzieningenrechter heeft de daartoe strekkende vordering van RMC toegewezen, wat in de kop van dit vonnis al tot uitdrukking is gebracht. Het belang van RMC bij de tussenkomst is erin gelegen dat zij, als de partij aan wie de Opdracht is gegund, nadelige gevolgen kan ondervinden van een voor de Gemeente ongunstige uitkomst van deze zaak. Het spoedeisend belang en de goede procesorde staan niet aan toewijzing in de weg. 3.3. De proceskosten in het incident worden gecompenseerd, omdat geen van partijen heeft te gelden als de in het ongelijk gestelde partij. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. in de hoofdzaak en in de tussenkomst 3.4. Het draait in deze zaak om Eis 184 van het Programma van Eisen. Die eis heeft betrekking op zogenoemde CAV-ritten. Dat zijn ritten voor personen met een indicatie voor Collectief Aanvullend Vervoer. Deze ritten zijn sociaal-recreatief van aard. Eis 184 luidt als volgt: “ De Reiziger kan reizen van en naar bestemmingen tot maximaal 25km van zijn woonadres, op basis van de kortste route in afstand volgens Easytravel of een andere minimaal gelijkwaardige routeplanner die goedgekeurd is door de Opdrachtgever. Overige bestemmingen kunnen uitsluitend worden vastgesteld na voorafgaand overleg tussen Opdrachtgever en Opdrachtnemer. ”. 3.5. De Gemeente heeft aangekondigd het voornemen te hebben om Eis 184 aan te passen “ door de in de huidige formulering van de eis opgenomen beperking tot reizen van en naar bestemmingen tot maximaal 25 km van het woonadres te laten vervallen voor reizen waarvan het vertrek- en aankomstpunt binnen de gemeentegrenzen zijn gelegen. ”. Het voornemen moet worden gekwalificeerd als een wijziging 3.6. Als eerste moet de voorzieningenrechter de vraag beantwoorden of het voornemen van de Gemeente om Eis 184 aan te passen, kwalificeert als een wijziging, zoals Trevvel c.s. stellen, of slechts als een toepassing van de uitzonderingsmogelijkheid die al in Eis 184 is opgenomen, zoals de Gemeente en RMC betogen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het voornemen van de Gemeente als een wijziging moet worden gekwalificeerd. 3.7. Daarvoor is in de eerste plaats relevant dat de Gemeente het voornemen in haar vooraankondiging van 21 december 2025 (en ook in de rectificatie daarvan van 24 december 2025) zelf expliciet als een wijziging aanduidt. Het standpunt van de Gemeente en RMC in deze zaak dat van een wijziging (toch) geen sprake is, valt hier niet mee te rijmen. Dat geldt ook voor de incidentele conclusie met vordering tot tussenkomst van RMC, waarin RMC meermaals schrijft over de “wijziging” van Eis 184. 3.8. Daar komt bij dat ook feitelijk sprake is van een wijziging van Eis 184. Aanvankelijk werden CAV-reizen van en naar bestemmingen van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger in Eis 184 uitdrukkelijk uitgesloten van de Opdracht, met de uitzondering dat het mogelijk was om “overige bestemmingen” vast te stellen na voorafgaand overleg tussen de Gemeente en RMC. Wat de Gemeente hier precies mee bedoelt, volgt uit het antwoord van de Gemeente op vraag 305 in de Nota van Inlichtingen: “ (…) Met overige bestemmingen kunnen uitsluitend worden vastgesteld na voorafgaand overleg tussen Opdrachtgever en Opdrachtnemer bedoelt de Aanbestedende Dienst dat in zeer uitzonderlijke omstandigheden, na instemming van de Opdrachtgever, hiervan afgeweken kan worden. Een voorbeeld ter verheldering: een Reiziger wil zijn partner bezoeken, die in een verpleeghuis woont dat net buiten het vervoersgebied ligt. ”. Dit antwoord van de Gemeente kan moeilijk anders worden uitgelegd dan wanneer een reiziger een CAV-reis wil maken van of naar een bestemming die meer dan 25 kilometer van zijn woonadres is gelegen, de Gemeente en RMC per geval overleggen of dit al dan niet onder de Opdracht wordt geschaard. Dit soort afwijkingen vindt bovendien slechts plaats “in zeer uitzonderlijke omstandigheden”.
Volledig
Door nu echter aan te kondigen dat een deel van de CAV-reizen van en naar bestemmingen van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger toch onder de Opdracht valt, zonder dat van geval tot geval is besproken dat sprake is van zulke zeer uitzonderlijke omstandigheden, wijzigt de Gemeente Eis 184 feitelijk in zoverre dat een deel van de CAV-reizen van en naar bestemmingen van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger toch, categorisch, onder de Opdracht valt. Dat is gelet op al het voorgaande niet slechts een toepassing van de uitzonderingsmogelijkheid die al in Eis 184 was opgenomen. Er is geen sprake van een wezenlijke wijziging 3.9. De voorzieningenrechter moet vervolgens de vraag beantwoorden of het de Gemeente moet worden toegestaan om Eis 184 te wijzigen op de manier die zij voorstaat of dat de Gemeente gehouden is om alle CAV-reizen van en naar bestemming van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger apart (of eventueel gezamenlijk met een nieuwe aanbesteding van de Opdracht als geheel) aan te besteden. 3.10. De Gemeente beroept zich in dit verband op een aantal uitzonderingen op de aanbestedingsplicht in het geval van een wijziging van de Opdracht. Het gaat om de artikelen 2.163c (herzieningsclausule), 2.163e (onvoorzienbare omstandigheden), 2.163d (aanvullende opdracht) en 2.163g (geen wezenlijke wijziging) van de Aanbestedingswet 2012 (‘Aw’). De voorzieningenrechter is van oordeel dat inderdaad geen sprake is van een wezenlijke wijziging, zoals bedoeld in artikel 2.163g lid 2 Aw, en dat het de Gemeente om die reden vrij staat om Eis 184 te wijzigen op de aangekondigde manier. De voorzieningenrechter licht dit toe. 3.11. Het aanbestedingsrechtelijke leerstuk van de ‘wezenlijke wijziging’ is ontwikkeld in rechtspraak van het Hof van Justitie Europese Unie en daarna uitgewerkt in Europese richtlijnen. Dit leerstuk richt zich met name op wijzigingen die voorzien in voorwaarden die, hadden zij deel uitgemaakt van de aanvankelijke procedure, invloed zouden hebben gehad op het resultaat van de procedure. Aanbestedende diensten mogen in de bepalingen van een opdracht geen wijziging aanbrengen die ertoe zou leiden dat deze bepalingen kenmerken vertonen die wezenlijk verschillen van de bepalingen van de oorspronkelijke opdracht. Er is met name sprake van een wezenlijke wijziging als de voorgenomen wijziging de gunning van de opdracht ter discussie kan stellen, in die zin dat in het geval deze bepalingen waren opgenomen in de documenten die de oorspronkelijke aanbestedingsprocedure regelden, een andere offerte zou zijn gekozen of andere inschrijvers hadden kunnen worden toegelaten, en ook wanneer zij het economische evenwicht van de overeenkomst wijzigt in het voordeel van de opdrachtnemer op een wijze die door de voorwaarden van de oorspronkelijke opdracht niet was bedoeld. De kwalificatie wezenlijke wijziging moet vanuit objectief oogpunt worden geanalyseerd. 3.12. Het leerstuk van de wezenlijke wijziging staat in hoofdstuk 2.5 Aw. Een wijziging is wezenlijk als de overheidsopdracht daardoor materieel verschilt van de oorspronkelijke opdracht. Een aantal gevallen (niet limitatief) waarin een wijziging in ieder geval wezenlijk is, zijn als: de wijziging voorziet in voorwaarden die, als zij deel van de oorspronkelijke aanbestedingsprocedure hadden uitgemaakt, de toelating van andere dan de oorspronkelijk geselecteerde gegadigden of de gunning van de overheidsopdracht aan een andere inschrijver mogelijk zouden hebben gemaakt of bijkomende deelnemers aan de aanbestedingsprocedure zouden hebben aangetrokken, de wijziging het economische evenwicht van de overheidsopdracht ten gunste van de opdrachtnemer verandert op een wijze die niet is voorzien in de oorspronkelijke overheidsopdracht, de wijziging leidt tot een aanzienlijke verruiming van het toepassingsgebied van de overheidsopdracht, of een nieuwe opdrachtnemer in de plaats is gekomen van de opdrachtnemer aan wie de aanbestedende dienst de overheidsopdracht oorspronkelijk had gegund in een ander dan in artikel 2.163f bedoeld geval. 3.13. Trevvel c.s. stellen zich in deze zaak op het standpunt dat sprake is van de situaties zoals bedoeld in sub a. en b. De voorzieningenrechter volgt Trevvel c.s. daar niet in en licht dat hierna toe. Trevvel c.s. hebben niet gesteld dat sprake is van (één van) de situaties zoals bedoeld in sub c. en d. hierboven of dat er op andere gronden sprake van is dat de Opdracht na de voorgenomen wijziging materieel verschilt van de oorspronkelijke opdracht, zoals bedoeld in artikel 2.163g lid 2 Aw. De voorzieningenrechter hoeft ook niet ambtshalve te beoordelen of daar sprake van is. Sub a: toelating/deelname andere gegadigden of gunning aan een andere inschrijver? 3.14. Trevvel c.s. hebben niet aannemelijk gemaakt dat de voorgenomen wijziging voorziet in voorwaarden die, als zij deel van de oorspronkelijke aanbestedingsprocedure hadden uitgemaakt, (i) de toelating van andere dan de oorspronkelijk geselecteerde gegadigden mogelijk zou hebben gemaakt, (ii) de gunning van de Opdracht aan een andere inschrijver mogelijk zou hebben gemaakt of (iii) bijkomende deelnemers aan de aanbestedingsprocedure zouden hebben aangetrokken. Voor wat betreft de punten (i) en (iii) geldt dat Trevvel c.s. hierover niets hebben gesteld. Voor wat betreft punt (ii) is het volgende redengevend. 3.15. De Gemeente heeft de inschrijvingen van alle inschrijvers beoordeeld op prijs en kwaliteit. Ten aanzien van het gunningscriterium prijs moesten inschrijvers tarieven offreren voor vijf soorten vervoer. De geoffreerde tarieven telden samen op tot een fictieve inschrijfprijs. De Gemeente heeft ervoor gekozen om een fictieve inschrijfprijs van lager dan € 35.000.000,00 het maximale aantal van 300 punten toe te kennen. Voor het gunningscriterium kwaliteit konden inschrijvers maximaal 700 punten behalen. 3.16. RMC heeft niet alleen het maximale aantal punten op het gunningscriterium prijs behaald, maar zij heeft als enige inschrijver ook het maximale aantal punten op het gunningscriterium kwaliteit behaald. Zelfs als Trevvel c.s. (of een andere inschrijver) door de toevoeging van een deel van de CAV-reizen van en naar bestemmingen van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger concurrerender hadden kunnen inschrijven op het gunningscriterium prijs en op dat gunningscriterium dus een hogere score hadden behaald, dan nog had dit nooit tot een andere winnaar van de aanbesteding kunnen leiden. Doorslaggevend is in dat geval dat Trevvel c.s. (of een andere inschrijver) hooguit hetzelfde aantal punten op het gunningscriterium prijs hadden behaald als RMC, terwijl Trevvel c.s. (of een andere inschrijver) op het gunningscriterium kwaliteit nog steeds minder punten zouden hebben behaald dan RMC. Trevvel c.s. hebben niet toegelicht waarom de voorgenomen wijziging ook invloed zou kunnen hebben op hun inschrijving (of de inschrijving van een andere inschrijver) voor zover dit het gunningscriterium kwaliteit betreft. Het is dan ook niet aannemelijk dat de voorgenomen wijziging voorziet in voorwaarden die, als zij deel van de oorspronkelijke aanbestedingsprocedure hadden uitgemaakt, de gunning van de Opdracht aan een andere inschrijver mogelijk zou hebben gemaakt. Sub b: verandering economische evenwicht die niet was voorzien? 3.17. Trevvel c.s. hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat de voorgenomen wijziging het economische evenwicht van de Opdracht ten gunste van RMC verandert op een wijze die niet is voorzien in de oorspronkelijke opdracht. Daarvoor is het volgende redengevend. 3.18. Een “verschuiving van het economische evenwicht” impliceert dat de Opdracht voor RMC economisch gunstiger wordt als gevolg van een wijziging door de Gemeente. Daarvan kan sprake zijn als voor dezelfde werkzaamheden een hogere prijs wordt afgesproken, als voor minder werkzaamheden dezelfde prijs wordt afgesproken of als RMC op een andere manier een economisch gunstigere positie verkrijgt als gevolg van de wijziging.
Volledig
Door nu echter aan te kondigen dat een deel van de CAV-reizen van en naar bestemmingen van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger toch onder de Opdracht valt, zonder dat van geval tot geval is besproken dat sprake is van zulke zeer uitzonderlijke omstandigheden, wijzigt de Gemeente Eis 184 feitelijk in zoverre dat een deel van de CAV-reizen van en naar bestemmingen van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger toch, categorisch, onder de Opdracht valt. Dat is gelet op al het voorgaande niet slechts een toepassing van de uitzonderingsmogelijkheid die al in Eis 184 was opgenomen. Er is geen sprake van een wezenlijke wijziging 3.9. De voorzieningenrechter moet vervolgens de vraag beantwoorden of het de Gemeente moet worden toegestaan om Eis 184 te wijzigen op de manier die zij voorstaat of dat de Gemeente gehouden is om alle CAV-reizen van en naar bestemming van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger apart (of eventueel gezamenlijk met een nieuwe aanbesteding van de Opdracht als geheel) aan te besteden. 3.10. De Gemeente beroept zich in dit verband op een aantal uitzonderingen op de aanbestedingsplicht in het geval van een wijziging van de Opdracht. Het gaat om de artikelen 2.163c (herzieningsclausule), 2.163e (onvoorzienbare omstandigheden), 2.163d (aanvullende opdracht) en 2.163g (geen wezenlijke wijziging) van de Aanbestedingswet 2012 (‘Aw’). De voorzieningenrechter is van oordeel dat inderdaad geen sprake is van een wezenlijke wijziging, zoals bedoeld in artikel 2.163g lid 2 Aw, en dat het de Gemeente om die reden vrij staat om Eis 184 te wijzigen op de aangekondigde manier. De voorzieningenrechter licht dit toe. 3.11. Het aanbestedingsrechtelijke leerstuk van de ‘wezenlijke wijziging’ is ontwikkeld in rechtspraak van het Hof van Justitie Europese Unie en daarna uitgewerkt in Europese richtlijnen. Dit leerstuk richt zich met name op wijzigingen die voorzien in voorwaarden die, hadden zij deel uitgemaakt van de aanvankelijke procedure, invloed zouden hebben gehad op het resultaat van de procedure. Aanbestedende diensten mogen in de bepalingen van een opdracht geen wijziging aanbrengen die ertoe zou leiden dat deze bepalingen kenmerken vertonen die wezenlijk verschillen van de bepalingen van de oorspronkelijke opdracht. Er is met name sprake van een wezenlijke wijziging als de voorgenomen wijziging de gunning van de opdracht ter discussie kan stellen, in die zin dat in het geval deze bepalingen waren opgenomen in de documenten die de oorspronkelijke aanbestedingsprocedure regelden, een andere offerte zou zijn gekozen of andere inschrijvers hadden kunnen worden toegelaten, en ook wanneer zij het economische evenwicht van de overeenkomst wijzigt in het voordeel van de opdrachtnemer op een wijze die door de voorwaarden van de oorspronkelijke opdracht niet was bedoeld. De kwalificatie wezenlijke wijziging moet vanuit objectief oogpunt worden geanalyseerd. 3.12. Het leerstuk van de wezenlijke wijziging staat in hoofdstuk 2.5 Aw. Een wijziging is wezenlijk als de overheidsopdracht daardoor materieel verschilt van de oorspronkelijke opdracht. Een aantal gevallen (niet limitatief) waarin een wijziging in ieder geval wezenlijk is, zijn als: de wijziging voorziet in voorwaarden die, als zij deel van de oorspronkelijke aanbestedingsprocedure hadden uitgemaakt, de toelating van andere dan de oorspronkelijk geselecteerde gegadigden of de gunning van de overheidsopdracht aan een andere inschrijver mogelijk zouden hebben gemaakt of bijkomende deelnemers aan de aanbestedingsprocedure zouden hebben aangetrokken, de wijziging het economische evenwicht van de overheidsopdracht ten gunste van de opdrachtnemer verandert op een wijze die niet is voorzien in de oorspronkelijke overheidsopdracht, de wijziging leidt tot een aanzienlijke verruiming van het toepassingsgebied van de overheidsopdracht, of een nieuwe opdrachtnemer in de plaats is gekomen van de opdrachtnemer aan wie de aanbestedende dienst de overheidsopdracht oorspronkelijk had gegund in een ander dan in artikel 2.163f bedoeld geval. 3.13. Trevvel c.s. stellen zich in deze zaak op het standpunt dat sprake is van de situaties zoals bedoeld in sub a. en b. De voorzieningenrechter volgt Trevvel c.s. daar niet in en licht dat hierna toe. Trevvel c.s. hebben niet gesteld dat sprake is van (één van) de situaties zoals bedoeld in sub c. en d. hierboven of dat er op andere gronden sprake van is dat de Opdracht na de voorgenomen wijziging materieel verschilt van de oorspronkelijke opdracht, zoals bedoeld in artikel 2.163g lid 2 Aw. De voorzieningenrechter hoeft ook niet ambtshalve te beoordelen of daar sprake van is. Sub a: toelating/deelname andere gegadigden of gunning aan een andere inschrijver? 3.14. Trevvel c.s. hebben niet aannemelijk gemaakt dat de voorgenomen wijziging voorziet in voorwaarden die, als zij deel van de oorspronkelijke aanbestedingsprocedure hadden uitgemaakt, (i) de toelating van andere dan de oorspronkelijk geselecteerde gegadigden mogelijk zou hebben gemaakt, (ii) de gunning van de Opdracht aan een andere inschrijver mogelijk zou hebben gemaakt of (iii) bijkomende deelnemers aan de aanbestedingsprocedure zouden hebben aangetrokken. Voor wat betreft de punten (i) en (iii) geldt dat Trevvel c.s. hierover niets hebben gesteld. Voor wat betreft punt (ii) is het volgende redengevend. 3.15. De Gemeente heeft de inschrijvingen van alle inschrijvers beoordeeld op prijs en kwaliteit. Ten aanzien van het gunningscriterium prijs moesten inschrijvers tarieven offreren voor vijf soorten vervoer. De geoffreerde tarieven telden samen op tot een fictieve inschrijfprijs. De Gemeente heeft ervoor gekozen om een fictieve inschrijfprijs van lager dan € 35.000.000,00 het maximale aantal van 300 punten toe te kennen. Voor het gunningscriterium kwaliteit konden inschrijvers maximaal 700 punten behalen. 3.16. RMC heeft niet alleen het maximale aantal punten op het gunningscriterium prijs behaald, maar zij heeft als enige inschrijver ook het maximale aantal punten op het gunningscriterium kwaliteit behaald. Zelfs als Trevvel c.s. (of een andere inschrijver) door de toevoeging van een deel van de CAV-reizen van en naar bestemmingen van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger concurrerender hadden kunnen inschrijven op het gunningscriterium prijs en op dat gunningscriterium dus een hogere score hadden behaald, dan nog had dit nooit tot een andere winnaar van de aanbesteding kunnen leiden. Doorslaggevend is in dat geval dat Trevvel c.s. (of een andere inschrijver) hooguit hetzelfde aantal punten op het gunningscriterium prijs hadden behaald als RMC, terwijl Trevvel c.s. (of een andere inschrijver) op het gunningscriterium kwaliteit nog steeds minder punten zouden hebben behaald dan RMC. Trevvel c.s. hebben niet toegelicht waarom de voorgenomen wijziging ook invloed zou kunnen hebben op hun inschrijving (of de inschrijving van een andere inschrijver) voor zover dit het gunningscriterium kwaliteit betreft. Het is dan ook niet aannemelijk dat de voorgenomen wijziging voorziet in voorwaarden die, als zij deel van de oorspronkelijke aanbestedingsprocedure hadden uitgemaakt, de gunning van de Opdracht aan een andere inschrijver mogelijk zou hebben gemaakt. Sub b: verandering economische evenwicht die niet was voorzien? 3.17. Trevvel c.s. hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat de voorgenomen wijziging het economische evenwicht van de Opdracht ten gunste van RMC verandert op een wijze die niet is voorzien in de oorspronkelijke opdracht. Daarvoor is het volgende redengevend. 3.18. Een “verschuiving van het economische evenwicht” impliceert dat de Opdracht voor RMC economisch gunstiger wordt als gevolg van een wijziging door de Gemeente. Daarvan kan sprake zijn als voor dezelfde werkzaamheden een hogere prijs wordt afgesproken, als voor minder werkzaamheden dezelfde prijs wordt afgesproken of als RMC op een andere manier een economisch gunstigere positie verkrijgt als gevolg van de wijziging.
Volledig
Daarbij moet, zoals de Gemeente naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht stelt, sprake zijn van een substantiële verschuiving van het economische evenwicht. 3.19. Trevvel c.s. hebben in dit verband – samengevat weergegeven – het volgende gesteld. De voorgenomen wijziging levert RMC, bij verder vrijwel gelijkblijvende (vaste) kosten, relatief veel meer winst op. De opbrengst van CAV-ritten van meer dan 25 kilometer ligt aanzienlijk hoger dan voor kortere CAV-ritten: gemiddeld circa twee keer, oplopend tot wel drie keer zo hoog. De dienstverlening wordt vergoed op basis van de verreden kilometers. Omdat CAV-ritten van meer dan 25 kilometer grotendeels via de snelweg gaan en in minder tijd meer kilometers worden gemaakt, hebben deze ritten een aanmerkelijk hogere opbrengst per uur dan CAV-ritten over korte(re) afstanden door binnenstedelijk gebied. De CAV-ritten van meer dan 25 kilometer zijn in zoverre ‘de krenten in de pap’. 3.20. De Gemeente en RMC hebben hier – samengevat weergegeven – het volgende tegenover gesteld. In de eerste plaats ligt het uitvoeren van de CAV-ritten van meer dan 25 kilometer al besloten in de inherente afwijkingsmogelijkheid van de 25km-eis en in de (indicatieve) bandbreedte voor het aantal CAV-ritten. De omzet die daarmee kan worden behaald, ligt dus in feite ook al besloten in de uitvraag. Als er al sprake is van een verschuiving van het economische evenwicht, is deze verschuiving dus al voorzien in de oorspronkelijke opdracht. Daar komt bij dat de stellingen van Trevvel c.s. over de vermeend grotere winstgevendheid van de CAV-ritten van meer dan 25 kilometer onjuist zijn, althans aanzienlijk moeten worden genuanceerd. Zo leveren dergelijke ritten niet per definitie relatief meer winst op dan ritten korter dan 25 kilometer, kunnen dergelijke ritten kunnen niet goed worden gecombineerd met andere ritten, hebben dergelijke ritten veel ‘lege’ (retour)kilometers waar geen vergoeding tegenover staat en kennen dergelijke ritten relatief hoge personeels-, brandstof- en afschrijvingskosten. 3.21. De voorzieningenrechter constateert allereerst dat de Gemeente terecht aanvoert dat in de oorspronkelijke opdracht al de mogelijkheid was opgenomen dat RMC CAV-ritten van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger zou uitvoeren. De oorspronkelijke formulering van Eis 184 houdt immers in dat “overige bestemmingen”, en dus ook bestemmingen die verder zijn gelegen dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger, kunnen worden vastgesteld na voorafgaand overleg tussen de Gemeente en RMC. In zoverre is in ieder geval een deel van de CAV-ritten van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger dus al in de oorspronkelijke opdracht begrepen. 3.22. Dit geldt ook voor zover Trevvel c.s. zich op het standpunt stellen dat RMC (nog los van de grotere winstgevendheid van CAV-ritten van meer dan 25 kilometer) meer CAV-ritten gaat uitvoeren dan waar de Gemeente bij de beoordeling van de inschrijvingen mee heeft gerekend. De Gemeente heeft in de aanbestedingsstukken slechts een bandbreedte van het aantal CAV-ritten genoemd van 600.000 tot 650.000 ritten per jaar en de Gemeente heeft bij de beoordeling van de inschrijvingen gerekend met 630.000 CAV-ritten per jaar. Partijen verwachten dat de voorgenomen wijziging betrekking heeft op ongeveer 11.000 CAV-ritten van meer dan 25 kilometer per jaar. Ook als die extra CAV-ritten worden opgeteld bij het aantal ritten waar de Gemeente mee heeft gerekend, blijft het totale aantal verwachte CAV-ritten dat RMC op jaarbasis gaat uitvoeren binnen de door de Gemeente genoemde (indicatieve) bandbreedte. Overigens is het CAV-vervoer vraagafhankelijk, zodat vooraf niet precies te zeggen valt hoeveel CAV-ritten RMC op jaarbasis gaat uitvoeren. Gelet op dit alles kan niet zonder meer gezegd worden dat iedere wijziging van het aantal CAV-ritten dat RMC op grond van de Opdracht gaat uitvoeren voor RMC extra ritten oplevert ten opzichte van oorspronkelijke opdracht. 3.23. Met betrekking tot de door Trevvel c.s. gestelde (substantieel) grotere winstgevendheid van CAV-ritten van meer dan 25 kilometer constateert de voorzieningenrechter dat de Gemeente en RMC uitvoerig hebben betwist dat CAV-ritten van meer dan 25 kilometer voor RMC financieel (veel) gunstiger uitvallen dan CAV-ritten van korter dan 25 kilometer. De voorzieningenrechter kan op basis van de stellingen en stukken van partijen, mede gelet op wat zij over en weer hebben betwist, ook niet vaststellen dat de grens van 25 kilometer als het ware een financieel omklappunt is, in die zin dat CAV-ritten vanaf 25 kilometer (veel) winstgevender zijn dan ritten tot 25 kilometer. In ieder geval is zonder nadere toelichting, die Trevvel c.s. niet hebben gegeven, niet aannemelijk dat RMC de ongeveer 11.000 CAV-ritten van meer dan 25 kilometer kan uitvoeren zonder dat zij daarvoor extra kosten kwijt is aan overhead, personeel en voertuigen, zoals Trevvel c.s. hebben gesteld. Het tegenovergestelde ligt juist voor de hand. Verder wil de voorzieningenrechter wel aannemen dat een aantal CAV-ritten van meer dan 25 kilometer voor een (groot) deel over de snelweg plaatsvinden, maar de Gemeente heeft er terecht op gewezen dat reizen over de snelweg zeker tijdens de spits niet perse sneller is dan reizen in de binnenstad. Bovendien lijkt de Gemeente terecht aan te voeren dat de geografische ligging van de gemeente Rotterdam meebrengt dat de combinatiemogelijkheden voor CAV-ritten van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger beperkt zijn, omdat die ritten voornamelijk van of naar Hoek van Holland en Rozenburg zullen worden uitgevoerd en de route daar naartoe/vandaan door een ‘corridor’ loopt. 3.24. Alles overwegende hebben Trevvel c.s. onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de opbrengst van CAV-ritten van meer dan 25 kilometer (aanzienlijk) hoger ligt dan voor kortere CAV-ritten en dat de voorgenomen wijziging om die reden het economische evenwicht van de Opdracht ten gunste van RMC verandert op een wijze die niet is voorzien in de oorspronkelijke opdracht, laat staan dat die verandering substantieel is. Daarbij acht de voorzieningenrechter ook relevant dat de winnende (inschrijf)prijs van RMC voor de Opdracht € 280.000.000,00 bedraagt, terwijl de CAV-ritten van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger volgens Trevvel c.s. een omzet van € 8.400.000,00 à € 10.800.000,00 over de maximale looptijd van de Opdracht (acht jaar) vertegenwoordigen. Dit betekent dat, uitgaande van de (inschrijf)prijs van RMC en de door Trevvel c.s. gestelde bedragen, toevoeging van deze CAV-ritten aan de Opdracht zorgt voor een geschatte omzetstijging van slechts 3% à 3,86%. Dat is moeilijk substantieel te noemen, nog daargelaten dat de Gemeente de door Trevvel c.s. genoemde bedragen heeft betwist (volgens de Gemeente gaat het om een omzet van € 7.800.000,00 over de maximale looptijd van de Opdracht) en heeft gesteld dat de voorgenomen wijziging hooguit een extra winst van (vóór belasting) € 100.000,00 per jaar vertegenwoordigt. De conclusie 3.25. Omdat geen sprake is van een wezenlijke wijziging en het de Gemeente om die reden moet worden toegestaan om Eis 184 te wijzigen op de manier die zij voorstaat, worden de vorderingen van Trevvel c.s. afgewezen. De vordering in de tussenkomst wordt ook afgewezen 3.26. De vordering van RMC in de tussenkomst, om Trevvel c.s. te gebieden om te gehengen en te gedogen dat RMC en de Gemeente uitvoering geven aan de voorgenomen wijziging, wordt ook afgewezen. RMC heeft deze vordering slechts ingesteld voor zover vereist voor tussenkomst, zonder dat RMC haar belang bij deze vordering (verder) heeft toegelicht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft RMC deze vordering ook niet besproken. Voor zover bedoeld is Trevvel c.s. de pas van een mogelijk in te stellen hoger beroep af te snijden, staat artikel 6 EVRM, dat ziet op het recht op toegang tot de rechter, daaraan in de weg. Ten overvloede 3.27.
Volledig
Daarbij moet, zoals de Gemeente naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht stelt, sprake zijn van een substantiële verschuiving van het economische evenwicht. 3.19. Trevvel c.s. hebben in dit verband – samengevat weergegeven – het volgende gesteld. De voorgenomen wijziging levert RMC, bij verder vrijwel gelijkblijvende (vaste) kosten, relatief veel meer winst op. De opbrengst van CAV-ritten van meer dan 25 kilometer ligt aanzienlijk hoger dan voor kortere CAV-ritten: gemiddeld circa twee keer, oplopend tot wel drie keer zo hoog. De dienstverlening wordt vergoed op basis van de verreden kilometers. Omdat CAV-ritten van meer dan 25 kilometer grotendeels via de snelweg gaan en in minder tijd meer kilometers worden gemaakt, hebben deze ritten een aanmerkelijk hogere opbrengst per uur dan CAV-ritten over korte(re) afstanden door binnenstedelijk gebied. De CAV-ritten van meer dan 25 kilometer zijn in zoverre ‘de krenten in de pap’. 3.20. De Gemeente en RMC hebben hier – samengevat weergegeven – het volgende tegenover gesteld. In de eerste plaats ligt het uitvoeren van de CAV-ritten van meer dan 25 kilometer al besloten in de inherente afwijkingsmogelijkheid van de 25km-eis en in de (indicatieve) bandbreedte voor het aantal CAV-ritten. De omzet die daarmee kan worden behaald, ligt dus in feite ook al besloten in de uitvraag. Als er al sprake is van een verschuiving van het economische evenwicht, is deze verschuiving dus al voorzien in de oorspronkelijke opdracht. Daar komt bij dat de stellingen van Trevvel c.s. over de vermeend grotere winstgevendheid van de CAV-ritten van meer dan 25 kilometer onjuist zijn, althans aanzienlijk moeten worden genuanceerd. Zo leveren dergelijke ritten niet per definitie relatief meer winst op dan ritten korter dan 25 kilometer, kunnen dergelijke ritten kunnen niet goed worden gecombineerd met andere ritten, hebben dergelijke ritten veel ‘lege’ (retour)kilometers waar geen vergoeding tegenover staat en kennen dergelijke ritten relatief hoge personeels-, brandstof- en afschrijvingskosten. 3.21. De voorzieningenrechter constateert allereerst dat de Gemeente terecht aanvoert dat in de oorspronkelijke opdracht al de mogelijkheid was opgenomen dat RMC CAV-ritten van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger zou uitvoeren. De oorspronkelijke formulering van Eis 184 houdt immers in dat “overige bestemmingen”, en dus ook bestemmingen die verder zijn gelegen dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger, kunnen worden vastgesteld na voorafgaand overleg tussen de Gemeente en RMC. In zoverre is in ieder geval een deel van de CAV-ritten van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger dus al in de oorspronkelijke opdracht begrepen. 3.22. Dit geldt ook voor zover Trevvel c.s. zich op het standpunt stellen dat RMC (nog los van de grotere winstgevendheid van CAV-ritten van meer dan 25 kilometer) meer CAV-ritten gaat uitvoeren dan waar de Gemeente bij de beoordeling van de inschrijvingen mee heeft gerekend. De Gemeente heeft in de aanbestedingsstukken slechts een bandbreedte van het aantal CAV-ritten genoemd van 600.000 tot 650.000 ritten per jaar en de Gemeente heeft bij de beoordeling van de inschrijvingen gerekend met 630.000 CAV-ritten per jaar. Partijen verwachten dat de voorgenomen wijziging betrekking heeft op ongeveer 11.000 CAV-ritten van meer dan 25 kilometer per jaar. Ook als die extra CAV-ritten worden opgeteld bij het aantal ritten waar de Gemeente mee heeft gerekend, blijft het totale aantal verwachte CAV-ritten dat RMC op jaarbasis gaat uitvoeren binnen de door de Gemeente genoemde (indicatieve) bandbreedte. Overigens is het CAV-vervoer vraagafhankelijk, zodat vooraf niet precies te zeggen valt hoeveel CAV-ritten RMC op jaarbasis gaat uitvoeren. Gelet op dit alles kan niet zonder meer gezegd worden dat iedere wijziging van het aantal CAV-ritten dat RMC op grond van de Opdracht gaat uitvoeren voor RMC extra ritten oplevert ten opzichte van oorspronkelijke opdracht. 3.23. Met betrekking tot de door Trevvel c.s. gestelde (substantieel) grotere winstgevendheid van CAV-ritten van meer dan 25 kilometer constateert de voorzieningenrechter dat de Gemeente en RMC uitvoerig hebben betwist dat CAV-ritten van meer dan 25 kilometer voor RMC financieel (veel) gunstiger uitvallen dan CAV-ritten van korter dan 25 kilometer. De voorzieningenrechter kan op basis van de stellingen en stukken van partijen, mede gelet op wat zij over en weer hebben betwist, ook niet vaststellen dat de grens van 25 kilometer als het ware een financieel omklappunt is, in die zin dat CAV-ritten vanaf 25 kilometer (veel) winstgevender zijn dan ritten tot 25 kilometer. In ieder geval is zonder nadere toelichting, die Trevvel c.s. niet hebben gegeven, niet aannemelijk dat RMC de ongeveer 11.000 CAV-ritten van meer dan 25 kilometer kan uitvoeren zonder dat zij daarvoor extra kosten kwijt is aan overhead, personeel en voertuigen, zoals Trevvel c.s. hebben gesteld. Het tegenovergestelde ligt juist voor de hand. Verder wil de voorzieningenrechter wel aannemen dat een aantal CAV-ritten van meer dan 25 kilometer voor een (groot) deel over de snelweg plaatsvinden, maar de Gemeente heeft er terecht op gewezen dat reizen over de snelweg zeker tijdens de spits niet perse sneller is dan reizen in de binnenstad. Bovendien lijkt de Gemeente terecht aan te voeren dat de geografische ligging van de gemeente Rotterdam meebrengt dat de combinatiemogelijkheden voor CAV-ritten van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger beperkt zijn, omdat die ritten voornamelijk van of naar Hoek van Holland en Rozenburg zullen worden uitgevoerd en de route daar naartoe/vandaan door een ‘corridor’ loopt. 3.24. Alles overwegende hebben Trevvel c.s. onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de opbrengst van CAV-ritten van meer dan 25 kilometer (aanzienlijk) hoger ligt dan voor kortere CAV-ritten en dat de voorgenomen wijziging om die reden het economische evenwicht van de Opdracht ten gunste van RMC verandert op een wijze die niet is voorzien in de oorspronkelijke opdracht, laat staan dat die verandering substantieel is. Daarbij acht de voorzieningenrechter ook relevant dat de winnende (inschrijf)prijs van RMC voor de Opdracht € 280.000.000,00 bedraagt, terwijl de CAV-ritten van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger volgens Trevvel c.s. een omzet van € 8.400.000,00 à € 10.800.000,00 over de maximale looptijd van de Opdracht (acht jaar) vertegenwoordigen. Dit betekent dat, uitgaande van de (inschrijf)prijs van RMC en de door Trevvel c.s. gestelde bedragen, toevoeging van deze CAV-ritten aan de Opdracht zorgt voor een geschatte omzetstijging van slechts 3% à 3,86%. Dat is moeilijk substantieel te noemen, nog daargelaten dat de Gemeente de door Trevvel c.s. genoemde bedragen heeft betwist (volgens de Gemeente gaat het om een omzet van € 7.800.000,00 over de maximale looptijd van de Opdracht) en heeft gesteld dat de voorgenomen wijziging hooguit een extra winst van (vóór belasting) € 100.000,00 per jaar vertegenwoordigt. De conclusie 3.25. Omdat geen sprake is van een wezenlijke wijziging en het de Gemeente om die reden moet worden toegestaan om Eis 184 te wijzigen op de manier die zij voorstaat, worden de vorderingen van Trevvel c.s. afgewezen. De vordering in de tussenkomst wordt ook afgewezen 3.26. De vordering van RMC in de tussenkomst, om Trevvel c.s. te gebieden om te gehengen en te gedogen dat RMC en de Gemeente uitvoering geven aan de voorgenomen wijziging, wordt ook afgewezen. RMC heeft deze vordering slechts ingesteld voor zover vereist voor tussenkomst, zonder dat RMC haar belang bij deze vordering (verder) heeft toegelicht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft RMC deze vordering ook niet besproken. Voor zover bedoeld is Trevvel c.s. de pas van een mogelijk in te stellen hoger beroep af te snijden, staat artikel 6 EVRM, dat ziet op het recht op toegang tot de rechter, daaraan in de weg. Ten overvloede 3.27.
Volledig
De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede nog dat de overige uitzonderingen op de aanbestedingsplicht waar de Gemeente zich in deze zaak op heeft beroepen niet opgaan, nog daargelaten of de Gemeente zich op andere gronden kon beroepen dan de gronden die in de (gerectificeerde) vooraankondiging staan. Uit wat in overweging 3.8. is overwogen blijkt al dat Eis 184 in de oorspronkelijke formulering geen duidelijke, nauwkeurige en ondubbelzinnige herzieningsclausule, zoals bedoeld in artikel 2.163c Aw, bevat waar de Gemeente haar voorgenomen wijziging op kan gronden. Verder is namens de Gemeente gezegd dat zij voorafgaand aan de aanbesteding niet heeft gecontroleerd of Valys binnenstedelijke CAV-ritten van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger uitvoert, terwijl het naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel op de weg van de Gemeente lag om dit na te gaan. De Gemeente heeft in dat opzicht dan ook niet gehandeld als een zorgvuldige aanbestedende dienst en bovendien was geen sprake van onvoorzien bare omstandigheden, beide zoals bedoeld in artikel 2.163e Aw. Tot slot heeft de Gemeente – mede gelet op het verweer van Trevvel c.s. – onvoldoende toegelicht dat het noodzakelijk is geworden dat RMC de CAV-ritten van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger gaat uitvoeren, en dat een verandering van opdrachtnemer om economische of technische redenen niet mogelijk is én tot aanzienlijk ongemak of aanzienlijke kostenstijgingen voor de Gemeente zou leiden, zoals bedoeld in artikel 2.163d Aw. Niet gebleken is bijvoorbeeld dat Valys weigert binnenstedelijke CAV-ritten van meer dan 25 kilometer van het huisadres van de reiziger uit te voeren. Daarnaast heeft de Gemeente onvoldoende onderbouwd dat zij CAV-ritten van meer dan 25 kilometer vanaf het woonadres van de reiziger wellicht niet onder dezelfde voorwaarden kan aanbesteden als de rest van het doelgroepenvervoer en dat dit maakt dat vervanging van RMC om economische en technische redenen niet (goed) mogelijk is. De proceskosten 3.28. Trevvel c.s. zijn in de hoofdzaak in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in de hoofdzaak betalen. De proceskosten van de Gemeente en RMC in de hoofdzaak worden voor ieder van hen begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.177,00 (tarief gemiddeld complexe zaak) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101,00 3.29. De door de Gemeente en RMC gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in de hoofdzaak wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3.30. RMC is in de tussenkomst in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in de tussenkomst betalen. In de omstandigheden dat de vordering in de tussenkomst van RMC voortvloeit uit haar verweer in de hoofdzaak en dat het debat tijdens de mondelinge behandeling zich op de hoofdzaak heeft toegespitst, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten van Trevvel c.s. in de tussenkomst op nihil te begroten. Uitvoerbaarheid bij voorraad 3.31. De proceskostenveroordelingen en de veroordeling om daar de wettelijke rente over te betalen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 4 De beslissing De voorzieningenrechter: in het incident 4.1. staat RMC toe tussen te komen in de procedure tussen Trevvel c.s. en de Gemeente; 4.2. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt; in de hoofdzaak 4.3. wijst de vorderingen van Trevvel c.s. af; 4.4. veroordeelt Trevvel c.s. in de proceskosten van de Gemeente van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Trevvel c.s. de proceskosten niet op tijd betalen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten Trevvel c.s. € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 4.5. veroordeelt Trevvel c.s. in de proceskosten van RMC van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Trevvel c.s. de proceskosten niet op tijd betalen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten Trevvel c.s. € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 4.6. veroordeelt Trevvel c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; in de tussenkomst 4.7. wijst de vordering af; 4.8. veroordeelt RMC in de proceskosten van Trevvel c.s., die op nihil worden begroot. Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026. 3349 / 2009 Bijlage 4 van Trevvel c.s. Bijlagen 2 en 3 van RMC, en bijlage 17 van Trevvel c.s. Zie bijvoorbeeld randnummers 2.5., 2.6., 2.7., 3.1., 4.2., 4.5., 4.12. en 5.2. Bijlage 7 van Trevvel c.s. HvJEU 16 oktober 2025, ECLI:EU:C:2025:790, overwegingen 26 en 27. Zie ook in iets andere bewoordingen conclusie A-G bij HR 27 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:734, overweging 4.14. HvJEU 19 juni 2008, ECLI:EU:C:2008:351, overweging 37. HvJEU 7 september 2016, ECLI:EU:C:2016:634, overweging 33. Dit is een implementatie van artikel 72 lid 4 van de Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG. Artikel 2.163g lid 2 Aw. Artikel 2.163g lid 3 Aw. HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1803, overweging 3.2.3. Bijlage 3 van Trevvel c.s., paragraaf 6.5.2. Bijlage 3 van Trevvel c.s., paragraaf 6.5.1. Vergelijk Rechtbank Noord-Nederland 4 september 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3006, overweging 5.21. en Rechtbank Den Haag 26 oktober 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:12716, overweging 4.15. Bijlage 3 van Trevvel c.s., paragraaf 2.5.1, en bijlage 1 van de Gemeente.
Volledig
De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede nog dat de overige uitzonderingen op de aanbestedingsplicht waar de Gemeente zich in deze zaak op heeft beroepen niet opgaan, nog daargelaten of de Gemeente zich op andere gronden kon beroepen dan de gronden die in de (gerectificeerde) vooraankondiging staan. Uit wat in overweging 3.8. is overwogen blijkt al dat Eis 184 in de oorspronkelijke formulering geen duidelijke, nauwkeurige en ondubbelzinnige herzieningsclausule, zoals bedoeld in artikel 2.163c Aw, bevat waar de Gemeente haar voorgenomen wijziging op kan gronden. Verder is namens de Gemeente gezegd dat zij voorafgaand aan de aanbesteding niet heeft gecontroleerd of Valys binnenstedelijke CAV-ritten van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger uitvoert, terwijl het naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel op de weg van de Gemeente lag om dit na te gaan. De Gemeente heeft in dat opzicht dan ook niet gehandeld als een zorgvuldige aanbestedende dienst en bovendien was geen sprake van onvoorzien bare omstandigheden, beide zoals bedoeld in artikel 2.163e Aw. Tot slot heeft de Gemeente – mede gelet op het verweer van Trevvel c.s. – onvoldoende toegelicht dat het noodzakelijk is geworden dat RMC de CAV-ritten van meer dan 25 kilometer van het woonadres van de reiziger gaat uitvoeren, en dat een verandering van opdrachtnemer om economische of technische redenen niet mogelijk is én tot aanzienlijk ongemak of aanzienlijke kostenstijgingen voor de Gemeente zou leiden, zoals bedoeld in artikel 2.163d Aw. Niet gebleken is bijvoorbeeld dat Valys weigert binnenstedelijke CAV-ritten van meer dan 25 kilometer van het huisadres van de reiziger uit te voeren. Daarnaast heeft de Gemeente onvoldoende onderbouwd dat zij CAV-ritten van meer dan 25 kilometer vanaf het woonadres van de reiziger wellicht niet onder dezelfde voorwaarden kan aanbesteden als de rest van het doelgroepenvervoer en dat dit maakt dat vervanging van RMC om economische en technische redenen niet (goed) mogelijk is. De proceskosten 3.28. Trevvel c.s. zijn in de hoofdzaak in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in de hoofdzaak betalen. De proceskosten van de Gemeente en RMC in de hoofdzaak worden voor ieder van hen begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.177,00 (tarief gemiddeld complexe zaak) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101,00 3.29. De door de Gemeente en RMC gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in de hoofdzaak wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3.30. RMC is in de tussenkomst in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in de tussenkomst betalen. In de omstandigheden dat de vordering in de tussenkomst van RMC voortvloeit uit haar verweer in de hoofdzaak en dat het debat tijdens de mondelinge behandeling zich op de hoofdzaak heeft toegespitst, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten van Trevvel c.s. in de tussenkomst op nihil te begroten. Uitvoerbaarheid bij voorraad 3.31. De proceskostenveroordelingen en de veroordeling om daar de wettelijke rente over te betalen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 4 De beslissing De voorzieningenrechter: in het incident 4.1. staat RMC toe tussen te komen in de procedure tussen Trevvel c.s. en de Gemeente; 4.2. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt; in de hoofdzaak 4.3. wijst de vorderingen van Trevvel c.s. af; 4.4. veroordeelt Trevvel c.s. in de proceskosten van de Gemeente van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Trevvel c.s. de proceskosten niet op tijd betalen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten Trevvel c.s. € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 4.5. veroordeelt Trevvel c.s. in de proceskosten van RMC van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Trevvel c.s. de proceskosten niet op tijd betalen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten Trevvel c.s. € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 4.6. veroordeelt Trevvel c.s. in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; in de tussenkomst 4.7. wijst de vordering af; 4.8. veroordeelt RMC in de proceskosten van Trevvel c.s., die op nihil worden begroot. Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026. 3349 / 2009 Bijlage 4 van Trevvel c.s. Bijlagen 2 en 3 van RMC, en bijlage 17 van Trevvel c.s. Zie bijvoorbeeld randnummers 2.5., 2.6., 2.7., 3.1., 4.2., 4.5., 4.12. en 5.2. Bijlage 7 van Trevvel c.s. HvJEU 16 oktober 2025, ECLI:EU:C:2025:790, overwegingen 26 en 27. Zie ook in iets andere bewoordingen conclusie A-G bij HR 27 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:734, overweging 4.14. HvJEU 19 juni 2008, ECLI:EU:C:2008:351, overweging 37. HvJEU 7 september 2016, ECLI:EU:C:2016:634, overweging 33. Dit is een implementatie van artikel 72 lid 4 van de Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG. Artikel 2.163g lid 2 Aw. Artikel 2.163g lid 3 Aw. HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1803, overweging 3.2.3. Bijlage 3 van Trevvel c.s., paragraaf 6.5.2. Bijlage 3 van Trevvel c.s., paragraaf 6.5.1. Vergelijk Rechtbank Noord-Nederland 4 september 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3006, overweging 5.21. en Rechtbank Den Haag 26 oktober 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:12716, overweging 4.15. Bijlage 3 van Trevvel c.s., paragraaf 2.5.1, en bijlage 1 van de Gemeente.