Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-05-01
ECLI:NL:RBROT:2026:5126
Civiel recht; Arbeidsrecht
Kort geding
1,663 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5126 text/xml public 2026-05-19T14:03:31 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-05-01 12171548 VV EXPL 26-189 Uitspraak Kort geding Mondelinge uitspraak NL Rotterdam Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5126 text/html public 2026-05-19T14:03:17 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5126 Rechtbank Rotterdam , 01-05-2026 / 12171548 VV EXPL 26-189 Kort geding loonvordering. Eiser is niet-ontvankelijk in zijn eis. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 12171548 VV EXPL 26-189 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter op basis van artikel 29a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op 1 mei 2026 in de zaak van [eiser] , woonplaats: [woonplaats] , eiser, die zelf procedeert, tegen [gedaagde] B.V., vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , gedaagde, gemachtigden: mr. J.E. Missaar en mr. S.C. Boswinkel-van Duijn. De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. Aanwezig zijn: [eiser] met zijn echtgenote; De heer [directeur] , directeur van [gedaagde] , met de gemachtigden. 1 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 1.1. [eiser] is dit kort geding gestart, omdat hij van mening is dat hij in maart 2026 te weinig loon heeft ontvangen. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] namelijk ten onrechte een bedrag op zijn salaris ingehouden. Hij eist in deze zaak betaling van het ingehouden bedrag met de wettelijke verhoging. Ook eist hij dat [gedaagde] de reguliere salarisbetaling hervat op straffe van een dwangsom en dat [gedaagde] de wettelijke rente en proceskosten betaalt. 1.2. De kantonrechter komt niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de zaak en verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn eis. Hierna wordt toegelicht waarom. [eiser] is niet-ontvankelijk in zijn eis 1.3. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] Vastgroep Groep erop gewezen dat [eiser] niet bij haar, maar bij [gedaagde] Vastgoedmanagement B.V. in dienst is. Dit blijkt zowel uit de arbeidsovereenkomst als uit de loonstroken en is door [eiser] niet weersproken. Dat betekent dat [eiser] de verkeerde partij heeft gedagvaard. Hij is daarom niet-ontvankelijk in zijn eis. Het gevolg daarvan is dat de kantonrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. 1.4. Gelet op deze uitkomst, het feit dat er een mediationtraject loopt en de tijd en kosten die met een eventuele nieuwe procedure gemoeid zullen zijn voor partijen, wordt aan hen in overweging gegeven nogmaals met elkaar in overleg te treden om de zaak alsnog (al dan niet met de hulp van de mediator) onderling op te lossen. [eiser] moet de proceskosten betalen 1.5. De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij wordt aangemerkt als de partij die ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan [gedaagde] moet betalen op € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 721,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit proces-verbaal wordt betekend. 2 De beslissing De kantonrechter: 2.1. verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn eis; 2.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 721,-. Dit proces-verbaal is op 1 mei 2026 opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5126 text/xml public 2026-05-19T14:03:31 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-05-01 12171548 VV EXPL 26-189 Uitspraak Kort geding Mondelinge uitspraak NL Rotterdam Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5126 text/html public 2026-05-19T14:03:17 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5126 Rechtbank Rotterdam , 01-05-2026 / 12171548 VV EXPL 26-189 Kort geding loonvordering. Eiser is niet-ontvankelijk in zijn eis. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 12171548 VV EXPL 26-189 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter op basis van artikel 29a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op 1 mei 2026 in de zaak van [eiser] , woonplaats: [woonplaats] , eiser, die zelf procedeert, tegen [gedaagde] B.V., vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , gedaagde, gemachtigden: mr. J.E. Missaar en mr. S.C. Boswinkel-van Duijn. De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. Aanwezig zijn: [eiser] met zijn echtgenote; De heer [directeur] , directeur van [gedaagde] , met de gemachtigden. 1 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 1.1. [eiser] is dit kort geding gestart, omdat hij van mening is dat hij in maart 2026 te weinig loon heeft ontvangen. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] namelijk ten onrechte een bedrag op zijn salaris ingehouden. Hij eist in deze zaak betaling van het ingehouden bedrag met de wettelijke verhoging. Ook eist hij dat [gedaagde] de reguliere salarisbetaling hervat op straffe van een dwangsom en dat [gedaagde] de wettelijke rente en proceskosten betaalt. 1.2. De kantonrechter komt niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de zaak en verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn eis. Hierna wordt toegelicht waarom. [eiser] is niet-ontvankelijk in zijn eis 1.3. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] Vastgroep Groep erop gewezen dat [eiser] niet bij haar, maar bij [gedaagde] Vastgoedmanagement B.V. in dienst is. Dit blijkt zowel uit de arbeidsovereenkomst als uit de loonstroken en is door [eiser] niet weersproken. Dat betekent dat [eiser] de verkeerde partij heeft gedagvaard. Hij is daarom niet-ontvankelijk in zijn eis. Het gevolg daarvan is dat de kantonrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. 1.4. Gelet op deze uitkomst, het feit dat er een mediationtraject loopt en de tijd en kosten die met een eventuele nieuwe procedure gemoeid zullen zijn voor partijen, wordt aan hen in overweging gegeven nogmaals met elkaar in overleg te treden om de zaak alsnog (al dan niet met de hulp van de mediator) onderling op te lossen. [eiser] moet de proceskosten betalen 1.5. De proceskosten komen voor rekening van [eiser] , omdat hij wordt aangemerkt als de partij die ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser] aan [gedaagde] moet betalen op € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 721,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit proces-verbaal wordt betekend. 2 De beslissing De kantonrechter: 2.1. verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn eis; 2.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 721,-. Dit proces-verbaal is op 1 mei 2026 opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.