Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-02-10
ECLI:NL:RBROT:2026:5096
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
4,089 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5096 text/xml public 2026-05-19T15:51:07 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5095 Rechtbank Rotterdam 2026-02-10 11983598 VV EXPL 25-725 Uitspraak Kort geding NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5096 text/html public 2026-05-19T15:46:58 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5096 Rechtbank Rotterdam , 10-02-2026 / 11983598 VV EXPL 25-725 Verhuurder verzoekt ontruiming in kort geding wegens onderhuur. Dit is volgens verhuurder in strijd met het Paraplubestemmingsplan Wonen Vlaardingen (hierna: het bestemmingsplan) uit 2020 en de Verordening beheer woonruimtevoorraad gemeente Vlaardingen 2025 (hierna: de Huisvestingsverordening). De kantonrechter oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden ontbonden. huurder heeft gemotiveerd gesteld dat een beroep kan worden gedaan op het overgangsrecht, op grond waarvan zij het gehuurde zou mogen blijven gebruiken zoals dit in 2015 bij het aangaan van de huurovereenkomst is afgesproken. Vordering afgewezen. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11983598 VV EXPL 25-725 datum uitspraak: 10 februari 2026 Vonnis in kort geding van de kantonrechter in de zaak van 1 [eiser 1] , woonplaats: [woonplaats] , 2. [eiser 2] , woonplaats: [woonplaats] , eisers, gemachtigde: mr. D.A. Evertsz, tegen [gedaagde] B.V., vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , gedaagde, gemachtigde: mr. C.L. Verhoef. De partijen worden hierna ‘ [eisers] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 6 januari 2026, met bijlagen 1 tot en met 20; het antwoord, met bijlagen 1 en 2; de brief van [eisers] , met bijlagen 21 tot en met 23; de akte van [gedaagde] , met bijlagen 3 en 4; de akte van [gedaagde] , met bijlagen 5 en 6; de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eisers] ; de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde] . 1.2. Op 27 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [eisers] met hun gemachtigde aanwezig. Namens [gedaagde] was mr. M.A. Roepel (bedrijfsadvocaat) aanwezig met de gemachtigde van [gedaagde] . 2 De beoordeling Waar gaat deze zaak over? 2.1. [gedaagde] huurt sinds 2015 een woning aan de [adres] in [plaats] . De huurovereenkomst heeft zij destijds met LOR Vastgoed gesloten. [eisers] zijn sinds 1 november 2024 eigenaar en verhuurder van het pand. Volgens [eisers] schiet [gedaagde] tekort in de nakoming van de huurovereenkomst doordat zij de woning onderverhuurt aan meer dan twee personen die geen huishouden vormen. Dit is volgens hen in strijd met het Paraplubestemmingsplan Wonen Vlaardingen (hierna: het bestemmingsplan) uit 2020 en de Verordening beheer woonruimtevoorraad gemeente Vlaardingen 2025 (hierna: de Huisvestingsverordening). Omdat het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan en de Huisvestingsverordening, is de onderhuur ook in strijd met de huurovereenkomst (artikel 2) en de toepasselijke algemene bepalingen (artikel 1.2). 2.2. [eisers] willen – samengevat – primair dat [gedaagde] de woning ontruimt op straffe van een dwangsom en eisen een gebruikersvergoeding voor iedere maand dat zij dat niet doet. Subsidiair willen [eisers] dat [gedaagde] een dwangsom betaalt voor iedere dag dat zij de woning in strijd met het bestemmingsplan en/of enige bepaling van de Huisvestingsverordening onderverhuurt. Ook willen [eisers] dat [gedaagde] de proceskosten betaalt. 2.3. [gedaagde] betwist dat sprake is van een tekortkoming als zij de woning aan vijf personen die geen huishouden vormen onderverhuurt, zoals in het verleden is voorgekomen. Er is geen sprake van strijd met het bestemmingsplan omdat dit op grond van de huurovereenkomst is toegestaan en het overgangsrecht uit het bestemmingsplan van toepassing is. Op grond van het overgangsrecht mag de woning op dezelfde manier gebruikt – en in dit geval onderverhuurd – worden als voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Bovendien is er volgens haar op dit moment hoe dan ook geen sprake van een tekortkoming, omdat de woning nu aan slechts twee personen is onderverhuurd. Als er in de huidige situatie al vergunningen nodig zouden zijn, is het aan [eisers] om de situatie te legaliseren door als eigenaar een vergunning aan te vragen bij de gemeente Vlaardingen. Het beoordelingskader 2.4. Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eisers] hebben bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid. De vordering tot ontruiming wordt afgewezen 2.5. Een vordering tot ontruiming van een woning kan in kort geding worden toegewezen, wanneer in hoge mate aannemelijk is dat de huurovereenkomst in een gewone procedure door de rechter zal worden ontbonden. Vooruitlopend daarop kan dan, als de verhuurder een spoedeisend belang heeft, de ontruiming in kort geding worden toegewezen. 2.6. De kantonrechter oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden ontbonden. [gedaagde] heeft gemotiveerd gesteld dat een beroep kan worden gedaan op het overgangsrecht, op grond waarvan zij het gehuurde zou mogen blijven gebruiken zoals dit in 2015 bij het aangaan van de huurovereenkomst is afgesproken. [eisers] erkennen dat het overgangsrecht van toepassing zou kunnen zijn, maar wijzen erop dat [gedaagde] heeft verzuimd om in het kader van dit kort geding de stukken over te leggen die bewijzen dat het overgangsrecht van toepassing is. Uit de eigen stellingen van [eisers] volgt dus al dat op het punt van de toepasselijkheid van het overgangsrecht een nader partijdebat en eventueel bewijslevering nodig zijn. In deze kort geding-procedure is daarvoor geen plaats. 2.7 De kantonrechter oordeelt daarnaast dat [eisers] op dit moment geen spoedeisend belang hebben bij de vordering tot ontruiming. Gebleken is weliswaar dat door de gemeente Vlaardingen controles zijn uitgevoerd aan het gehuurde, maar niet dat de gemeente handhavend optreedt of dat zij dat voornemen heeft. Daarbij komt dat [gedaagde] heeft aangevoerd dat er in de huidige situatie waarin de woning aan twee personen is onderverhuurd, in het geheel geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan of de huisvestingsverordening. [gedaagde] heeft daar tijdens de mondelinge behandeling nog aan toegevoegd dat zij bereid is de huidige situatie te handhaven. De slotsom is dan ook dat de vordering van [eisers] niet toewijsbaar is. [eisers] moeten de proceskosten betalen 2.8. De proceskosten komen voor rekening van [eisers] , omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eisers] aan [gedaagde] moeten betalen op € 1.054,- aan salaris voor haar gemachtigde (2 punten á € 577,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.298,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen. 2.9. Dit vonnis wordt voor wat betreft deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde] dat eist en [eisers] daartegen geen bezwaar hebben gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als een van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 1.298,-, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald; 3.2. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.3. wijst al het andere af. Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken. 62574
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5096 text/xml public 2026-05-19T15:51:07 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5095 Rechtbank Rotterdam 2026-02-10 11983598 VV EXPL 25-725 Uitspraak Kort geding NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5096 text/html public 2026-05-19T15:46:58 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5096 Rechtbank Rotterdam , 10-02-2026 / 11983598 VV EXPL 25-725 Verhuurder verzoekt ontruiming in kort geding wegens onderhuur. Dit is volgens verhuurder in strijd met het Paraplubestemmingsplan Wonen Vlaardingen (hierna: het bestemmingsplan) uit 2020 en de Verordening beheer woonruimtevoorraad gemeente Vlaardingen 2025 (hierna: de Huisvestingsverordening). De kantonrechter oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden ontbonden. huurder heeft gemotiveerd gesteld dat een beroep kan worden gedaan op het overgangsrecht, op grond waarvan zij het gehuurde zou mogen blijven gebruiken zoals dit in 2015 bij het aangaan van de huurovereenkomst is afgesproken. Vordering afgewezen. RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11983598 VV EXPL 25-725 datum uitspraak: 10 februari 2026 Vonnis in kort geding van de kantonrechter in de zaak van 1 [eiser 1] , woonplaats: [woonplaats] , 2. [eiser 2] , woonplaats: [woonplaats] , eisers, gemachtigde: mr. D.A. Evertsz, tegen [gedaagde] B.V., vestigingsplaats: [vestigingsplaats] , gedaagde, gemachtigde: mr. C.L. Verhoef. De partijen worden hierna ‘ [eisers] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 6 januari 2026, met bijlagen 1 tot en met 20; het antwoord, met bijlagen 1 en 2; de brief van [eisers] , met bijlagen 21 tot en met 23; de akte van [gedaagde] , met bijlagen 3 en 4; de akte van [gedaagde] , met bijlagen 5 en 6; de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eisers] ; de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde] . 1.2. Op 27 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [eisers] met hun gemachtigde aanwezig. Namens [gedaagde] was mr. M.A. Roepel (bedrijfsadvocaat) aanwezig met de gemachtigde van [gedaagde] . 2 De beoordeling Waar gaat deze zaak over? 2.1. [gedaagde] huurt sinds 2015 een woning aan de [adres] in [plaats] . De huurovereenkomst heeft zij destijds met LOR Vastgoed gesloten. [eisers] zijn sinds 1 november 2024 eigenaar en verhuurder van het pand. Volgens [eisers] schiet [gedaagde] tekort in de nakoming van de huurovereenkomst doordat zij de woning onderverhuurt aan meer dan twee personen die geen huishouden vormen. Dit is volgens hen in strijd met het Paraplubestemmingsplan Wonen Vlaardingen (hierna: het bestemmingsplan) uit 2020 en de Verordening beheer woonruimtevoorraad gemeente Vlaardingen 2025 (hierna: de Huisvestingsverordening). Omdat het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan en de Huisvestingsverordening, is de onderhuur ook in strijd met de huurovereenkomst (artikel 2) en de toepasselijke algemene bepalingen (artikel 1.2). 2.2. [eisers] willen – samengevat – primair dat [gedaagde] de woning ontruimt op straffe van een dwangsom en eisen een gebruikersvergoeding voor iedere maand dat zij dat niet doet. Subsidiair willen [eisers] dat [gedaagde] een dwangsom betaalt voor iedere dag dat zij de woning in strijd met het bestemmingsplan en/of enige bepaling van de Huisvestingsverordening onderverhuurt. Ook willen [eisers] dat [gedaagde] de proceskosten betaalt. 2.3. [gedaagde] betwist dat sprake is van een tekortkoming als zij de woning aan vijf personen die geen huishouden vormen onderverhuurt, zoals in het verleden is voorgekomen. Er is geen sprake van strijd met het bestemmingsplan omdat dit op grond van de huurovereenkomst is toegestaan en het overgangsrecht uit het bestemmingsplan van toepassing is. Op grond van het overgangsrecht mag de woning op dezelfde manier gebruikt – en in dit geval onderverhuurd – worden als voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Bovendien is er volgens haar op dit moment hoe dan ook geen sprake van een tekortkoming, omdat de woning nu aan slechts twee personen is onderverhuurd. Als er in de huidige situatie al vergunningen nodig zouden zijn, is het aan [eisers] om de situatie te legaliseren door als eigenaar een vergunning aan te vragen bij de gemeente Vlaardingen. Het beoordelingskader 2.4. Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eisers] hebben bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid. De vordering tot ontruiming wordt afgewezen 2.5. Een vordering tot ontruiming van een woning kan in kort geding worden toegewezen, wanneer in hoge mate aannemelijk is dat de huurovereenkomst in een gewone procedure door de rechter zal worden ontbonden. Vooruitlopend daarop kan dan, als de verhuurder een spoedeisend belang heeft, de ontruiming in kort geding worden toegewezen. 2.6. De kantonrechter oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden ontbonden. [gedaagde] heeft gemotiveerd gesteld dat een beroep kan worden gedaan op het overgangsrecht, op grond waarvan zij het gehuurde zou mogen blijven gebruiken zoals dit in 2015 bij het aangaan van de huurovereenkomst is afgesproken. [eisers] erkennen dat het overgangsrecht van toepassing zou kunnen zijn, maar wijzen erop dat [gedaagde] heeft verzuimd om in het kader van dit kort geding de stukken over te leggen die bewijzen dat het overgangsrecht van toepassing is. Uit de eigen stellingen van [eisers] volgt dus al dat op het punt van de toepasselijkheid van het overgangsrecht een nader partijdebat en eventueel bewijslevering nodig zijn. In deze kort geding-procedure is daarvoor geen plaats. 2.7 De kantonrechter oordeelt daarnaast dat [eisers] op dit moment geen spoedeisend belang hebben bij de vordering tot ontruiming. Gebleken is weliswaar dat door de gemeente Vlaardingen controles zijn uitgevoerd aan het gehuurde, maar niet dat de gemeente handhavend optreedt of dat zij dat voornemen heeft. Daarbij komt dat [gedaagde] heeft aangevoerd dat er in de huidige situatie waarin de woning aan twee personen is onderverhuurd, in het geheel geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan of de huisvestingsverordening. [gedaagde] heeft daar tijdens de mondelinge behandeling nog aan toegevoegd dat zij bereid is de huidige situatie te handhaven. De slotsom is dan ook dat de vordering van [eisers] niet toewijsbaar is. [eisers] moeten de proceskosten betalen 2.8. De proceskosten komen voor rekening van [eisers] , omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eisers] aan [gedaagde] moeten betalen op € 1.054,- aan salaris voor haar gemachtigde (2 punten á € 577,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.298,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen. 2.9. Dit vonnis wordt voor wat betreft deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde] dat eist en [eisers] daartegen geen bezwaar hebben gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als een van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 1.298,-, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald; 3.2. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.3. wijst al het andere af. Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken. 62574