Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-05-01
ECLI:NL:RBROT:2026:5048
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,402 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5048 text/xml public 2026-05-18T11:48:48 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-05-01 ROT 24/11625 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5048 text/html public 2026-05-18T11:47:22 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5048 Rechtbank Rotterdam , 01-05-2026 / ROT 24/11625 Wet WIA. Beroep ongegrond. Geen sprake van een loonloze maand ondanks dat in de maand zelf niet is gewerkt. Uitkering en loon zijn wel in die maand uitbetaald. Geen uitzonderlijke omstandigheden. Dagloon juist berekend. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/11625 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit Dordrecht, eiseres (gemachtigde: mr. B.F. Desloover), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) , verweerder (gemachtigde: mr. C. Nobel). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van de hoogte van de toegekende WIA-uitkering voor duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering). Eiseres is het niet eens met de hoogte van de uitkering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Eiseres stelt onder meer dat het UWV ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een loonloze maand. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de hoogte van de aan eiseres toegekende uitkering. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV bij het vaststellen van het dagloon voor het bepalen van de uitkering op goede gronden niet is uitgegaan van een loonloze maand. Ook anderszins is het dagloon juist vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Met het besluit van 24 juni 2024 heeft het UWV aan eiseres een IVA-uitkering toegewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van hoogte van de uitkering. 2.1. Met het bestreden besluit van 14 november 2024 is het UWV bij de hoogte van de WIA-uitkering gebleven. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiseres heeft op 3 maart 2024 een uitkering aangevraagd onder de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Omdat eiseres volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, heeft het UWV aan eiseres een IVA-uitkering toegekend. Voor de berekening van de hoogte van de uitkering is uitgegaan van het gemiddeld maandloon in de periode van 1 mei 2021 tot 30 april 2022 (referteperiode). De IVA-uitkering is 75% van dat maandloon en is vastgesteld op € 1.351,82 per maand (inclusief vakantiegeld). 3.1. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de uitkering. Eiseres stelt dat er maanden zijn in de referteperiode waarin eiseres geen inkomen had (augustus, september en november 2021). Eiseres stelt dat de uitkering hierdoor te laag is vastgesteld. 3.2. Met het bestreden besluit is het UWV bij de hoogte van de uitkering gebleven. Het UWV licht toe dat geen sprake is van een loonloze periode. Het UWV geeft aan dat eiseres in de maand augustus 2021 inkomen heeft van Randstad Uitzendbureau B.V., in de maand september 2021 had eiseres een uitkering onder de Werkloosheidswet (WW-uitkering) en in de maand november 2012 had eiseres een WW-uitkering en inkomen van Start People B.V. Toetsingskader 4. De hoogte van de IVA-uitkering bedraagt per kalendermaand 75% van het maandloon. Het maandloon wordt berekend aan de hand van het dagloon dat de werknemer verdiende in de referteperiode van het laatste jaar voorafgaand aan het aangiftetijdvak (hier een maand) waarin de werknemer arbeidsongeschikt is geworden. Het gaat niet alleen om het loon dat een werknemer heeft ontvangen van zijn of haar werkgever(s) maar bijvoorbeeld ook om een ontvangen WW-uitkering. Uitgangspunt is dat de werknemer wordt geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. Is sprake van een loonloze maand waar het UWV rekening mee had moeten houden? 5. Eiseres stelt voorop dat zij in november 2021 niet heeft gewerkt en ook geen recht had op WW-uitkering. Het loon en de uitkering heeft zij ontvangen in november 2021, maar zien op de periode daaraan voorafgaand en niet op de maand november. Eiseres stelt onder verwijzing naar recente rechtspraak dat deze loonloze periode buiten beschouwing moeten blijven bij de berekening van het WIA-dagloon, zodat het WIA-maandloon hoger moet worden vastgesteld. 5.1. Onder verwijzing naar rechtspraak stelt het UWV dat sprake is van een loonloze periode als in een aangiftetijdvak door de werknemer of verzekerde geen loon of uitkering is ontvangen. Dat betekent dat geen sprake is van een loonloze maand als in die maand wel loon of uitkering is ontvangen, ook als in die maand niet is gewerkt of recht bestond op een uitkering. Desgevraagd heeft het UWV ter zitting toegelicht dat omwille van de uitvoerbaarheid voor het bepalen van het WIA-dagloon wordt uitgegaan van de polisadministratie zoals die door werkgevers wordt aangeleverd. Daarbij bestaat inderdaad verschil tussen werkgevers die het loon betalen in de maand waarin wordt gewerkt (loon in aangifte) en die het loon betalen in de maand volgend op de maand waarin is gewerkt (loon over aangifte). Voor de berekening van het dagloon en dan daarmee vervolgens ook WIA-maandloon is echter bepalend wanneer het loon is ontvangen. 5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de referteperiode loopt van 1 mei 2021 tot 30 april 2022. In geschil is nog of de maand november als loonloze periode kan worden beschouwd. De rechtbank zal daarom beoordelen of november 2021 een loonloze periode is die buiten de berekening van het WIA-maandloon moet blijven. De rechtbank stelt vast dat – hoewel eiseres in november 2021 geen arbeid heeft verricht en in die maand ook geen recht had op een WW-uitkering – zij in die maand wel loon en uitkering heeft gekregen. Recente rechtspraak bevestigt dat voor het vaststellen van het dagloon nog steeds bepalend is in welke maand het loon of de uitkering wordt ‘genoten’. Het gaat dan, zoals volgt uit de nota van toelichting bij het Dagloonbesluit , om het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan bij de Belastingdienst. Dat wordt – anders dan eiseres stelt – gelijkgesteld aan de maand waarin het loon of de uitkering door de werknemer is ontvangen. Ondanks dat de rechtbank begrijpt dat dit voor eiseres nadelig uitpakt, is dit het gevolg van de gekozen systematiek. Ter zitting heeft het UWV aangegeven dat hiervan in uitzonderlijke gevallen kan worden afgeweken, bijvoorbeeld indien dit onevenredige gevolgen heeft. Van dergelijke omstandigheden is hier niet gebleken. Omdat eiseres in november 2021 zowel loon als WW-uitkering heeft ontvangen, is geen sprake van een loonloze maand. 5.3. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is het WIA-maandloon per werkgever juist vastgesteld? 6. Eiseres stelt in beroep dat zij voor de referteperiode op een ander, hoger totaalloon uitkomt dan het UWV heeft gebruikt voor de berekening. Hierdoor moet het WIA-maandloon ook hoger worden vastgesteld. Hoewel het nu maar een beperkt verschil is, maakt dat op lange termijn – gelet op het feit dat eiseres een IVA-uitkering ontvangt – wel degelijk uit. 6.1. Het UWV heeft ter zitting toegelicht dat het WIA-dagloon wordt bepaald aan de hand van de formule zoals die is opgenomen in artikel 16 van het Dagloonbesluit.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:5048 text/xml public 2026-05-18T11:48:48 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-05-01 ROT 24/11625 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:5048 text/html public 2026-05-18T11:47:22 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:5048 Rechtbank Rotterdam , 01-05-2026 / ROT 24/11625 Wet WIA. Beroep ongegrond. Geen sprake van een loonloze maand ondanks dat in de maand zelf niet is gewerkt. Uitkering en loon zijn wel in die maand uitbetaald. Geen uitzonderlijke omstandigheden. Dagloon juist berekend. RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/11625 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit Dordrecht, eiseres (gemachtigde: mr. B.F. Desloover), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) , verweerder (gemachtigde: mr. C. Nobel). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van de hoogte van de toegekende WIA-uitkering voor duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering). Eiseres is het niet eens met de hoogte van de uitkering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Eiseres stelt onder meer dat het UWV ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een loonloze maand. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de hoogte van de aan eiseres toegekende uitkering. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV bij het vaststellen van het dagloon voor het bepalen van de uitkering op goede gronden niet is uitgegaan van een loonloze maand. Ook anderszins is het dagloon juist vastgesteld. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Met het besluit van 24 juni 2024 heeft het UWV aan eiseres een IVA-uitkering toegewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de vaststelling van hoogte van de uitkering. 2.1. Met het bestreden besluit van 14 november 2024 is het UWV bij de hoogte van de WIA-uitkering gebleven. 2.2. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiseres heeft op 3 maart 2024 een uitkering aangevraagd onder de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Omdat eiseres volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, heeft het UWV aan eiseres een IVA-uitkering toegekend. Voor de berekening van de hoogte van de uitkering is uitgegaan van het gemiddeld maandloon in de periode van 1 mei 2021 tot 30 april 2022 (referteperiode). De IVA-uitkering is 75% van dat maandloon en is vastgesteld op € 1.351,82 per maand (inclusief vakantiegeld). 3.1. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de uitkering. Eiseres stelt dat er maanden zijn in de referteperiode waarin eiseres geen inkomen had (augustus, september en november 2021). Eiseres stelt dat de uitkering hierdoor te laag is vastgesteld. 3.2. Met het bestreden besluit is het UWV bij de hoogte van de uitkering gebleven. Het UWV licht toe dat geen sprake is van een loonloze periode. Het UWV geeft aan dat eiseres in de maand augustus 2021 inkomen heeft van Randstad Uitzendbureau B.V., in de maand september 2021 had eiseres een uitkering onder de Werkloosheidswet (WW-uitkering) en in de maand november 2012 had eiseres een WW-uitkering en inkomen van Start People B.V. Toetsingskader 4. De hoogte van de IVA-uitkering bedraagt per kalendermaand 75% van het maandloon. Het maandloon wordt berekend aan de hand van het dagloon dat de werknemer verdiende in de referteperiode van het laatste jaar voorafgaand aan het aangiftetijdvak (hier een maand) waarin de werknemer arbeidsongeschikt is geworden. Het gaat niet alleen om het loon dat een werknemer heeft ontvangen van zijn of haar werkgever(s) maar bijvoorbeeld ook om een ontvangen WW-uitkering. Uitgangspunt is dat de werknemer wordt geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan. Is sprake van een loonloze maand waar het UWV rekening mee had moeten houden? 5. Eiseres stelt voorop dat zij in november 2021 niet heeft gewerkt en ook geen recht had op WW-uitkering. Het loon en de uitkering heeft zij ontvangen in november 2021, maar zien op de periode daaraan voorafgaand en niet op de maand november. Eiseres stelt onder verwijzing naar recente rechtspraak dat deze loonloze periode buiten beschouwing moeten blijven bij de berekening van het WIA-dagloon, zodat het WIA-maandloon hoger moet worden vastgesteld. 5.1. Onder verwijzing naar rechtspraak stelt het UWV dat sprake is van een loonloze periode als in een aangiftetijdvak door de werknemer of verzekerde geen loon of uitkering is ontvangen. Dat betekent dat geen sprake is van een loonloze maand als in die maand wel loon of uitkering is ontvangen, ook als in die maand niet is gewerkt of recht bestond op een uitkering. Desgevraagd heeft het UWV ter zitting toegelicht dat omwille van de uitvoerbaarheid voor het bepalen van het WIA-dagloon wordt uitgegaan van de polisadministratie zoals die door werkgevers wordt aangeleverd. Daarbij bestaat inderdaad verschil tussen werkgevers die het loon betalen in de maand waarin wordt gewerkt (loon in aangifte) en die het loon betalen in de maand volgend op de maand waarin is gewerkt (loon over aangifte). Voor de berekening van het dagloon en dan daarmee vervolgens ook WIA-maandloon is echter bepalend wanneer het loon is ontvangen. 5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de referteperiode loopt van 1 mei 2021 tot 30 april 2022. In geschil is nog of de maand november als loonloze periode kan worden beschouwd. De rechtbank zal daarom beoordelen of november 2021 een loonloze periode is die buiten de berekening van het WIA-maandloon moet blijven. De rechtbank stelt vast dat – hoewel eiseres in november 2021 geen arbeid heeft verricht en in die maand ook geen recht had op een WW-uitkering – zij in die maand wel loon en uitkering heeft gekregen. Recente rechtspraak bevestigt dat voor het vaststellen van het dagloon nog steeds bepalend is in welke maand het loon of de uitkering wordt ‘genoten’. Het gaat dan, zoals volgt uit de nota van toelichting bij het Dagloonbesluit , om het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan bij de Belastingdienst. Dat wordt – anders dan eiseres stelt – gelijkgesteld aan de maand waarin het loon of de uitkering door de werknemer is ontvangen. Ondanks dat de rechtbank begrijpt dat dit voor eiseres nadelig uitpakt, is dit het gevolg van de gekozen systematiek. Ter zitting heeft het UWV aangegeven dat hiervan in uitzonderlijke gevallen kan worden afgeweken, bijvoorbeeld indien dit onevenredige gevolgen heeft. Van dergelijke omstandigheden is hier niet gebleken. Omdat eiseres in november 2021 zowel loon als WW-uitkering heeft ontvangen, is geen sprake van een loonloze maand. 5.3. Deze beroepsgrond slaagt niet. Is het WIA-maandloon per werkgever juist vastgesteld? 6. Eiseres stelt in beroep dat zij voor de referteperiode op een ander, hoger totaalloon uitkomt dan het UWV heeft gebruikt voor de berekening. Hierdoor moet het WIA-maandloon ook hoger worden vastgesteld. Hoewel het nu maar een beperkt verschil is, maakt dat op lange termijn – gelet op het feit dat eiseres een IVA-uitkering ontvangt – wel degelijk uit. 6.1. Het UWV heeft ter zitting toegelicht dat het WIA-dagloon wordt bepaald aan de hand van de formule zoals die is opgenomen in artikel 16 van het Dagloonbesluit.
Volledig
Ter zitting heeft het UWV toegelicht dat het WIA-maandloon ook kan worden nagerekend aan de hand van de polisadministratie door voor de referteperiode per werkgever van het SV-loon de uitbetaalde vakantietoeslag af te trekken en de in die periode opgebouwde vakantietoeslag op te tellen. Vanwege de bewerkelijkheid wordt deze berekening – zo heeft het UWV aangegeven – niet toegevoegd aan de besluitvorming. Het UWV stelt dat zij in aanloop naar de zitting het ontvangen loon in de referteperiode heeft nagerekend en die berekening overeenkomt met de berekening zoals opgenomen in het besluit van 24 juni 2024. Desgevraagd heeft eiseres aangegeven geen bezwaar te maken tegen de berekeningswijze en de gegevens zoals deze zijn opgenomen in de polisadministratie. Wel stelt eiseres te twijfelen of het UWV de berekening juist heeft gemaakt en het dagloon niet alsnog te laag is vastgesteld. Aan de hand van de hiervoor opgenomen en de door het UWV gehanteerde berekeningswijze heeft de rechtbank aan de hand van die gegevens een eigen berekening gemaakt. Daaruit volgt dat het loon in de referteperiode € 13.744,71 bedraagt. De rechtbank is daarbij uitgegaan van de volgende gegevens: Werkgever SV-loon Vakantietoeslag (-/-) Opgebouwde VT (+/+) Totaal Loyens & Loeff € 6.381,74 € 0 € 546,87 € 6.928,61 Start People € 943,77 € 70,16 € 72,30 € 945,91 Young Capital € 1.669,02 € 128,35 € 128,35 €1.669,02 Randstad € 1.766,26 € 128,83 € 128,83 € 1.766,26 v.o.f. Deftiq € 3.202,91 € 948,36 € 180,36 € 2.434,91 Totaal € 13.963,70 € 1.275,70 € 1.056,71 € 13.744,71 Dit is hetzelfde bedrag als waar het UWV van uit is gegaan. Omdat eiseres ter zitting haar beroep tegen de onjuiste indexering heeft ingetrokken, overweegt de rechtbank dat het UWV het WIA-maandloon juist heeft vastgesteld. 6.2. Eiseres heeft zich in dit verband ter zitting nog op het standpunt gesteld dat de toelichting op de berekeningswijze van het UWV ook pas ter zitting duidelijk is geworden. Volgens eiseres leidt dat tot een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Hoewel het klopt dat het UWV deze toelichting niet heeft opgenomen in het bestreden besluit, volgt deze berekeningswijze wel uit het wettelijke kader. Daarbij geldt dat eiseres zelf pas vlak voor de zitting heeft aangegeven waarom de berekeningswijze van de vakantietoeslag niet zou kloppen. Het was dus voor het UWV niet duidelijk waarop het had moeten reageren. Gelet op voorgaande is geen sprake van een motiveringsgebrek. 6.3. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de hoogte van de uitkering juist is vastgesteld. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten-uitkering. Dit volgt uit artikel 51 van de Wet WIA. Dit volgt uit artikel 13 van de Wet WIA in samenhang met artikel 13, eerste lid, en artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit). Dit volgt uit artikel 14, eerste lid, van het Dagloonbesluit in samenhang met artikel 16, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen en artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Dit volgt uit artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit. De uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 30 juli 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1523, ECLI:NL:CRVB:2024:1524 en ECLI:NL:CRVB:2024:1525) en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 november 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:20449). Zie de uitspraak van de Raad van 26 juli 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:1461). Zie de uitspraak van de Raad van 18 december 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1879). Staatsblad 2013, 185, blz. 36.
Volledig
Ter zitting heeft het UWV toegelicht dat het WIA-maandloon ook kan worden nagerekend aan de hand van de polisadministratie door voor de referteperiode per werkgever van het SV-loon de uitbetaalde vakantietoeslag af te trekken en de in die periode opgebouwde vakantietoeslag op te tellen. Vanwege de bewerkelijkheid wordt deze berekening – zo heeft het UWV aangegeven – niet toegevoegd aan de besluitvorming. Het UWV stelt dat zij in aanloop naar de zitting het ontvangen loon in de referteperiode heeft nagerekend en die berekening overeenkomt met de berekening zoals opgenomen in het besluit van 24 juni 2024. Desgevraagd heeft eiseres aangegeven geen bezwaar te maken tegen de berekeningswijze en de gegevens zoals deze zijn opgenomen in de polisadministratie. Wel stelt eiseres te twijfelen of het UWV de berekening juist heeft gemaakt en het dagloon niet alsnog te laag is vastgesteld. Aan de hand van de hiervoor opgenomen en de door het UWV gehanteerde berekeningswijze heeft de rechtbank aan de hand van die gegevens een eigen berekening gemaakt. Daaruit volgt dat het loon in de referteperiode € 13.744,71 bedraagt. De rechtbank is daarbij uitgegaan van de volgende gegevens: Werkgever SV-loon Vakantietoeslag (-/-) Opgebouwde VT (+/+) Totaal Loyens & Loeff € 6.381,74 € 0 € 546,87 € 6.928,61 Start People € 943,77 € 70,16 € 72,30 € 945,91 Young Capital € 1.669,02 € 128,35 € 128,35 €1.669,02 Randstad € 1.766,26 € 128,83 € 128,83 € 1.766,26 v.o.f. Deftiq € 3.202,91 € 948,36 € 180,36 € 2.434,91 Totaal € 13.963,70 € 1.275,70 € 1.056,71 € 13.744,71 Dit is hetzelfde bedrag als waar het UWV van uit is gegaan. Omdat eiseres ter zitting haar beroep tegen de onjuiste indexering heeft ingetrokken, overweegt de rechtbank dat het UWV het WIA-maandloon juist heeft vastgesteld. 6.2. Eiseres heeft zich in dit verband ter zitting nog op het standpunt gesteld dat de toelichting op de berekeningswijze van het UWV ook pas ter zitting duidelijk is geworden. Volgens eiseres leidt dat tot een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Hoewel het klopt dat het UWV deze toelichting niet heeft opgenomen in het bestreden besluit, volgt deze berekeningswijze wel uit het wettelijke kader. Daarbij geldt dat eiseres zelf pas vlak voor de zitting heeft aangegeven waarom de berekeningswijze van de vakantietoeslag niet zou kloppen. Het was dus voor het UWV niet duidelijk waarop het had moeten reageren. Gelet op voorgaande is geen sprake van een motiveringsgebrek. 6.3. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de hoogte van de uitkering juist is vastgesteld. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten-uitkering. Dit volgt uit artikel 51 van de Wet WIA. Dit volgt uit artikel 13 van de Wet WIA in samenhang met artikel 13, eerste lid, en artikel 16, eerste lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit). Dit volgt uit artikel 14, eerste lid, van het Dagloonbesluit in samenhang met artikel 16, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen en artikel 10, eerste en tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Dit volgt uit artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit. De uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 30 juli 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1523, ECLI:NL:CRVB:2024:1524 en ECLI:NL:CRVB:2024:1525) en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 november 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:20449). Zie de uitspraak van de Raad van 26 juli 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:1461). Zie de uitspraak van de Raad van 18 december 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1879). Staatsblad 2013, 185, blz. 36.