Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2026-04-22
ECLI:NL:RBROT:2026:4920
Civiel recht; Goederenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
15,942 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4920 text/xml public 2026-05-19T11:01:40 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-22 C/10/708884 / HA ZA 25-931 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Goederenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4920 text/html public 2026-05-19T11:01:01 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4920 Rechtbank Rotterdam , 22-04-2026 / C/10/708884 / HA ZA 25-931 Burengeschil. Meewerken aan plaatsing erfafscheiding (art. 5:49 BW). Geen andersluidende regeling bij verordening, geen misbruik van bevoegdheid. Hebben partijen andersluidende afspraak gemaakt? Horen getuigen tijdens mondelinge behandeling (art. 87 lid 3 Rv). Onrechtmatig handelen door aanwezigheid camera's? Belangenafweging. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/708884 / HA ZA 25-931 Vonnis van 22 april 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , 2. [eiser 2] , te [woonplaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eisers] , advocaat: mr. M. Smit, tegen 1 [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2] , te [woonplaats] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden] , advocaat: mr. N. Roos. 1 De zaak in het kort In dit burengeschil vorderen [eisers] dat [gedaagden] meewerken aan het plaatsen van een erfafscheiding tussen de beide achtertuinen. Deze vordering wordt toegewezen, omdat [eisers] daarop recht hebben en geen andersluidende afspraken zijn gemaakt. Ook vorderen [eisers] dat [gedaagden] de aan hun woning aanwezige camera’s verwijderen. Deze vordering wordt grotendeels afgewezen, omdat het belang van [eisers] bij die verwijdering minder zwaar weegt dan het belang van [gedaagden] bij behoud ervan. Alleen de camera aan de voorzijde van de woning van [gedaagden] moet worden verwijderd. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 13 oktober 2025, met producties; - de conclusie van antwoord, met producties; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de e-mail met een zittingsagenda; - de aanvullende producties 19 t/m 21 van [eisers] ; - de akte met aanvullende producties 10 t/m 14 van [gedaagden] ; - de mondelinge behandeling van 16 maart 2026; - het proces-verbaal met tussenvonnis en getuigenverklaringen van 16 maart 2026; - het B-formulier van mr. Smit van 20 maart 2026 waarin wordt verzocht vonnis te wijzen. 2.2. Hierna is de zaak verwezen naar de rol voor het wijzen van vonnis. 3 De feiten 3.1. Partijen zijn elkaars buren aan de [straat] in [woonplaats] . [gedaagden] wonen sinds 2008 op nummer [huisnummer 1] . [eisers] wonen sinds 2023 op nummer [huisnummer 2] . 3.2. Beide woningen zijn van elkaar gescheiden door een pad dat loopt van de straatzijde naar het begin van de achtertuinen. De voordeuren van de woningen komen uit op dat pad en zijn tegenover elkaar gelegen. De erfgrens loopt precies over het midden van dat pad. Op de beide helften van het pad rusten erfdienstbaarheden ten behoeve van de buren, zodat partijen gerechtigd zijn het pad in de gehele breedte te gebruiken. 3.3. Op het pad rusten ook erfdienstbaarheden ten behoeve van de buren aan de andere kant van de woningen van partijen. Dankzij die erfdienstbaarheden kunnen die buren over het pad en via de achtertuinen van [eisers] respectievelijk [gedaagden] naar hun eigen achtertuin gaan. 3.4. De achtertuinen van beide woningen zijn ongeveer 37 meter diep. Een erfafscheiding op de erfgrens ontbreekt. Wel staat op het perceel van [gedaagden] langs de erfgrens een heg over een lengte van ongeveer 10 meter. Voorbij de heg staat op het perceel van [eisers] over een lengte van ongeveer 17,5 meter een schutting. 3.5. Aan het einde van het pad, bezien vanaf de straatzijde, staat op het perceel van [eisers] een poort die toegang geeft tot de tuin van [eisers] 3.6. De woningen zijn gebouwd op een dijk. De woonkamer is op straatniveau. Aan de achterzijde is een souterrain dat uitkomt op de lager gelegen achtertuinen. 3.7. [gedaagden] hebben drie camera’s aan hun woning bevestigd: een camera aan de achterzijde die zicht heeft op de achtergevel op tuinniveau (camera 1), een camera aan de voorzijde die zicht heeft op de voortuin en een deel van de daarvoor gelegen straat (camera 2) en een zogenoemde slimme deurbel, waarvan de camera gericht is op het pad en de daaraan grenzende voordeur van [eisers] 3.8. Sinds de komst van [eisers] hebben partijen over verschillende punten discussie gekregen, waaronder over het (al dan niet) vernieuwen van de erfafscheiding en de aanwezigheid van de camera’s. 4 Het geschil 4.1. [eisers] vorderen het volgende: “PRIMAIR EN SUBSIDIAIR I. [gedaagden] te veroordelen om de beveiligingscamera’s en de videodeurbel te verwijderen en verwijderd te houden binnen 5 dagen na betekening van het vonnis, op straffe van een direct opeisbare dwangsom van €300,-- per dag(deel) dat [gedaagden] niet voldoet aan het vonnis, met een maximum van €15.000,--. II. [gedaagden] te veroordelen tot het verwijderen en verwijderd houden van alle zaken die zich in en op de grond van [eisers] bevinden, binnen 5 dagen na betekening van het vonnis, op straffe van een direct opeisbare dwangsom van €300,-- per dag(deel) dat [gedaagden] niet voldoet aan het vonnis, met een maximum van €15.000,-- en hieraan toe te voegen dat [eisers] het recht toekomt om zodra [gedaagden] alle dwangsommen heeft laten verbeuren deze zaken zelf te verwijderen, op kosten van [gedaagden] . III. [gedaagden] te veroordelen in de kosten en de nakosten van deze procedure en [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over deze kosten indien [gedaagden] de kosten niet binnen veertien dagen na het ten deze te wijzen vonnis heeft voldaan. PRIMAIR IV. Te verklaren voor recht dat er tussen partijen een overeenkomst is ontstaan waarin partijen concreet zijn overeengekomen dat er een erfafscheiding wordt gerealiseerd over de gehele lengte op de kadastrale erfgrens die partijen scheidt, tot de van de achterzijde van de woningen, waar partijen de kosten voor het 1) verwijderen van de mandelige boomstronk 2) verplaatsing van de bestaande erfafscheiding en 3) plaatsing van een nieuwe, gelijksoortige erfafscheiding, beide voor de helft dragen. V. [gedaagden] te veroordelen tot medewerking en betaling van de helft van de kosten van de uitvoering van de gemaakte afspraken, specifiek akkoord te geven voor de aan te vragen offerte voor het (ver)plaatsen van een erfafscheiding op de kadastrale erfgrens, met een hoogte van 2 meter en deze werkzaamheden te laten plaatsvinden binnen 6 weken na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis. VI. [gedaagden] te veroordelen voorafgaand aan de overeengekomen werkzaamheden alle werkzaamheden te verrichten om de afspraken onder sub IV te kunnen (laten) uitvoeren, concreet te veroordelen om de grond achter de bestaande erfafscheiding vrij te maken van al hetgeen in de weg staat om de werkzaamheden onder sub IV uit te voeren, zoals het verwijderen van de tegels en elektradraden, uiterlijk 5 werkdagen voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden. VII. Al hetgeen toegewezen binnen 6 weken na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis, op straffe van een direct opeisbare dwangsom van €300,-- per dag(deel) dat hieraan niet wordt voldaan, met een maximum van €15.000,- en hieraan toe te voegen dat [eisers] het recht toekomt om zodra [gedaagden] alle dwangsommen heeft laten verbeuren zelf de werkzaamheden te laten uitvoeren, voor de helft op kosten van [gedaagden] . SUBSIDIAIR VIII. [gedaagden] te veroordelen tot medewerking van het (ver)plaatsen van een erfafscheiding van 2 meter hoog op de kadastrale erfgrens, binnen 6 weken na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis. IX. [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de helft van de kosten van de werkzaamheden zoals gesteld onder sub VIII, binnen veertien dagen na de dag waarop deze kosten worden gemaakt. X.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2026:4920 text/xml public 2026-05-19T11:01:40 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2026-04-22 C/10/708884 / HA ZA 25-931 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Goederenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4920 text/html public 2026-05-19T11:01:01 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:4920 Rechtbank Rotterdam , 22-04-2026 / C/10/708884 / HA ZA 25-931 Burengeschil. Meewerken aan plaatsing erfafscheiding (art. 5:49 BW). Geen andersluidende regeling bij verordening, geen misbruik van bevoegdheid. Hebben partijen andersluidende afspraak gemaakt? Horen getuigen tijdens mondelinge behandeling (art. 87 lid 3 Rv). Onrechtmatig handelen door aanwezigheid camera's? Belangenafweging. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/708884 / HA ZA 25-931 Vonnis van 22 april 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , 2. [eiser 2] , te [woonplaats] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eisers] , advocaat: mr. M. Smit, tegen 1 [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2] , te [woonplaats] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagden] , advocaat: mr. N. Roos. 1 De zaak in het kort In dit burengeschil vorderen [eisers] dat [gedaagden] meewerken aan het plaatsen van een erfafscheiding tussen de beide achtertuinen. Deze vordering wordt toegewezen, omdat [eisers] daarop recht hebben en geen andersluidende afspraken zijn gemaakt. Ook vorderen [eisers] dat [gedaagden] de aan hun woning aanwezige camera’s verwijderen. Deze vordering wordt grotendeels afgewezen, omdat het belang van [eisers] bij die verwijdering minder zwaar weegt dan het belang van [gedaagden] bij behoud ervan. Alleen de camera aan de voorzijde van de woning van [gedaagden] moet worden verwijderd. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 13 oktober 2025, met producties; - de conclusie van antwoord, met producties; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald; - de e-mail met een zittingsagenda; - de aanvullende producties 19 t/m 21 van [eisers] ; - de akte met aanvullende producties 10 t/m 14 van [gedaagden] ; - de mondelinge behandeling van 16 maart 2026; - het proces-verbaal met tussenvonnis en getuigenverklaringen van 16 maart 2026; - het B-formulier van mr. Smit van 20 maart 2026 waarin wordt verzocht vonnis te wijzen. 2.2. Hierna is de zaak verwezen naar de rol voor het wijzen van vonnis. 3 De feiten 3.1. Partijen zijn elkaars buren aan de [straat] in [woonplaats] . [gedaagden] wonen sinds 2008 op nummer [huisnummer 1] . [eisers] wonen sinds 2023 op nummer [huisnummer 2] . 3.2. Beide woningen zijn van elkaar gescheiden door een pad dat loopt van de straatzijde naar het begin van de achtertuinen. De voordeuren van de woningen komen uit op dat pad en zijn tegenover elkaar gelegen. De erfgrens loopt precies over het midden van dat pad. Op de beide helften van het pad rusten erfdienstbaarheden ten behoeve van de buren, zodat partijen gerechtigd zijn het pad in de gehele breedte te gebruiken. 3.3. Op het pad rusten ook erfdienstbaarheden ten behoeve van de buren aan de andere kant van de woningen van partijen. Dankzij die erfdienstbaarheden kunnen die buren over het pad en via de achtertuinen van [eisers] respectievelijk [gedaagden] naar hun eigen achtertuin gaan. 3.4. De achtertuinen van beide woningen zijn ongeveer 37 meter diep. Een erfafscheiding op de erfgrens ontbreekt. Wel staat op het perceel van [gedaagden] langs de erfgrens een heg over een lengte van ongeveer 10 meter. Voorbij de heg staat op het perceel van [eisers] over een lengte van ongeveer 17,5 meter een schutting. 3.5. Aan het einde van het pad, bezien vanaf de straatzijde, staat op het perceel van [eisers] een poort die toegang geeft tot de tuin van [eisers] 3.6. De woningen zijn gebouwd op een dijk. De woonkamer is op straatniveau. Aan de achterzijde is een souterrain dat uitkomt op de lager gelegen achtertuinen. 3.7. [gedaagden] hebben drie camera’s aan hun woning bevestigd: een camera aan de achterzijde die zicht heeft op de achtergevel op tuinniveau (camera 1), een camera aan de voorzijde die zicht heeft op de voortuin en een deel van de daarvoor gelegen straat (camera 2) en een zogenoemde slimme deurbel, waarvan de camera gericht is op het pad en de daaraan grenzende voordeur van [eisers] 3.8. Sinds de komst van [eisers] hebben partijen over verschillende punten discussie gekregen, waaronder over het (al dan niet) vernieuwen van de erfafscheiding en de aanwezigheid van de camera’s. 4 Het geschil 4.1. [eisers] vorderen het volgende: “PRIMAIR EN SUBSIDIAIR I. [gedaagden] te veroordelen om de beveiligingscamera’s en de videodeurbel te verwijderen en verwijderd te houden binnen 5 dagen na betekening van het vonnis, op straffe van een direct opeisbare dwangsom van €300,-- per dag(deel) dat [gedaagden] niet voldoet aan het vonnis, met een maximum van €15.000,--. II. [gedaagden] te veroordelen tot het verwijderen en verwijderd houden van alle zaken die zich in en op de grond van [eisers] bevinden, binnen 5 dagen na betekening van het vonnis, op straffe van een direct opeisbare dwangsom van €300,-- per dag(deel) dat [gedaagden] niet voldoet aan het vonnis, met een maximum van €15.000,-- en hieraan toe te voegen dat [eisers] het recht toekomt om zodra [gedaagden] alle dwangsommen heeft laten verbeuren deze zaken zelf te verwijderen, op kosten van [gedaagden] . III. [gedaagden] te veroordelen in de kosten en de nakosten van deze procedure en [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over deze kosten indien [gedaagden] de kosten niet binnen veertien dagen na het ten deze te wijzen vonnis heeft voldaan. PRIMAIR IV. Te verklaren voor recht dat er tussen partijen een overeenkomst is ontstaan waarin partijen concreet zijn overeengekomen dat er een erfafscheiding wordt gerealiseerd over de gehele lengte op de kadastrale erfgrens die partijen scheidt, tot de van de achterzijde van de woningen, waar partijen de kosten voor het 1) verwijderen van de mandelige boomstronk 2) verplaatsing van de bestaande erfafscheiding en 3) plaatsing van een nieuwe, gelijksoortige erfafscheiding, beide voor de helft dragen. V. [gedaagden] te veroordelen tot medewerking en betaling van de helft van de kosten van de uitvoering van de gemaakte afspraken, specifiek akkoord te geven voor de aan te vragen offerte voor het (ver)plaatsen van een erfafscheiding op de kadastrale erfgrens, met een hoogte van 2 meter en deze werkzaamheden te laten plaatsvinden binnen 6 weken na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis. VI. [gedaagden] te veroordelen voorafgaand aan de overeengekomen werkzaamheden alle werkzaamheden te verrichten om de afspraken onder sub IV te kunnen (laten) uitvoeren, concreet te veroordelen om de grond achter de bestaande erfafscheiding vrij te maken van al hetgeen in de weg staat om de werkzaamheden onder sub IV uit te voeren, zoals het verwijderen van de tegels en elektradraden, uiterlijk 5 werkdagen voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden. VII. Al hetgeen toegewezen binnen 6 weken na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis, op straffe van een direct opeisbare dwangsom van €300,-- per dag(deel) dat hieraan niet wordt voldaan, met een maximum van €15.000,- en hieraan toe te voegen dat [eisers] het recht toekomt om zodra [gedaagden] alle dwangsommen heeft laten verbeuren zelf de werkzaamheden te laten uitvoeren, voor de helft op kosten van [gedaagden] . SUBSIDIAIR VIII. [gedaagden] te veroordelen tot medewerking van het (ver)plaatsen van een erfafscheiding van 2 meter hoog op de kadastrale erfgrens, binnen 6 weken na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis. IX. [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de helft van de kosten van de werkzaamheden zoals gesteld onder sub VIII, binnen veertien dagen na de dag waarop deze kosten worden gemaakt. X.
Volledig
[gedaagden] te veroordelen voorafgaand aan de werkzaamheden onder sub VII alle werkzaamheden te verrichten om deze werkzaamheden te kunnen (laten) uitvoeren, concreet te veroordelen om de grond achter de bestaande erfafscheiding vrij te maken van al hetgeen in de weg staat om de werkzaamheden onder sub VII uit te voeren, zoals het verwijderen van de tegels en elektradraden, uiterlijk 5 werkdagen voor de uitvoering van de werkzaamheden. XI. Al hetgeen toegewezen binnen 6 weken na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis, op straffe van een direct opeisbare dwangsom van €300,- per dag(deel) dat hieraan niet wordt voldaan, met een maximum van €15.000,- en hieraan toe te voegen dat [eisers] het recht toekomt om zodra [gedaagden] alle dwangsommen heeft laten verbeuren zelf de werkzaamheden te laten uitvoeren, voor de helft op kosten van [gedaagden] .” 4.2. [gedaagden] voeren verweer en concluderen deels tot afwijzing, deels tot gedeeltelijke toewijzing, met compensatie van de proceskosten. 5 De beoordeling [gedaagden] moeten meewerken aan het plaatsen van een erfafscheiding 5.1. Op grond van artikel 5:49 BW heeft de eigenaar van een erf het recht te vorderen dat zijn buren meewerken aan het plaatsen van een scheidsmuur op de grens van beide erven. De buren zijn verplicht de helft van de kosten hiervoor voor hun rekening te nemen. Dit recht bestaat alleen dan niet als een verordening of een plaatselijke gewoonte de wijze van de erfafscheiding anders regelt. Op grond van artikel 5:43 BW moet een scheidsmuur ondoorzichtig zijn. 5.2. [gedaagden] hebben zich op het standpunt gesteld dat in dit geval de in artikel 5:49 BW bedoelde uitzondering van toepassing is. Volgens hen is bij verordening bepaald dat een erfafscheiding niet een scheidsmuur als bedoeld in artikel 5:43 BW behoeft te zijn. Een heg op de erfgrens volstaat ook. De rechtbank verwerpt dit standpunt en wijst in dat verband op het volgende. 5.3. De relevante bepaling uit de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente [woonplaats] luidt als volgt, weergegeven voor zover van belang voor deze procedure: “Artikel 4:11c Afstand van de erfgrenslijn […] De afstand bedoeld in boek 5, artikel 42, van het Burgerlijk Wetboek wordt, in afwijking van het eerste lid van dit artikel, vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters.” De toelichting bij deze bepaling, zoals opgenomen in de conclusie van antwoord, luidt als volgt: “Artikel 4:11c Afstand van de erfgrenslijn […] Met “nihil” voor heggen en heesters is bedoeld deze natuurlijke wijze van erfbegrenzing te beschermen en tot de normale standaard te maken.” 5.4. Anders dan [gedaagden] betogen, kan hieruit niet worden afgeleid dat bij verordening is bepaald dat de erfafscheiding anders is geregeld dan voortvloeit uit artikel 5:49 BW. De door [gedaagden] ingeroepen bepaling uit de verordening ziet expliciet op de toegestane afstand van beplanting tot de erfgrens, waarmee een afwijking van het bepaalde in artikel 5:42 BW in het leven is geroepen. Dit is in beginsel iets anders dan een regeling waarmee wordt voorzien in een afwijking van het wettelijke recht om te vorderen dat de buren meewerken aan de oprichting van een scheidsmuur op de erfgrens. Uit niets blijkt dat met deze regeling mede is bedoeld een afwijking van het bepaalde in artikel 5:49 BW in het leven te roepen. Hieraan doet niet af dat de regeling in de verordening kennelijk is ingegeven door de wens van de gemeentelijke wetgever om te stimuleren dat erfafscheidingen bestaan uit heggen in plaats van schuttingen. 5.5. Van een van artikel 5:49 BW afwijkende verordening is dus geen sprake. [eisers] hebben onverminderd het recht – behoudens eventuele andersluidende afspraken en misbruik van bevoegdheid – om te vorderen dat [gedaagden] meewerken aan de oprichting van een scheidsmuur. 5.6. Op het achterste gedeelte van de achtertuinen ontbreekt enige vorm van erfafscheiding. [gedaagden] voeren geen verweer tegen de vordering van [eisers] voor zover die strekt tot het verlenen van medewerking van een scheidsmuur op dat achterste gedeelte. 5.7. Op het middelste gedeelte staat geen scheidsmuur op de erfgrens, maar bevindt zich een schutting op het perceel van [eisers] Zij stellen dat de schutting zich ongeveer 30 cm vanaf de erfgrens bevindt. Zij willen deze schutting verwijderen en op de erfgrens een nieuwe schutting plaatsen. [gedaagden] gaan uit van een afstand tot de erfgrens van ongeveer 16 cm. Hoe groot die afstand ook is, in beginsel zijn [eisers] gerechtigd om met medewerking van [gedaagden] een scheidsmuur op de erfgrens op te richten. 5.8. [gedaagden] verweren zich tegen dit deel van de vordering in de eerste plaats met het argument dat [eisers] hebben toegezegd de huidige schutting te zullen handhaven en pas aanspraak te maken op een nieuwe schutting op de erfgrens als de huidige schutting aan vervanging toe is. [eisers] betwisten dat zij die toezegging hebben gedaan. De rechtbank heeft op dit punt tijdens de mondelinge behandeling (op grond van artikel 87 lid 3 Rv) aan [gedaagden] – op wie de bewijslast rust – gelegenheid gegeven bewijs te leveren van het bestaan van de gestelde afspraak. [gedaagden] hebben zichzelf als getuigen doen horen. Ook [eisers] heeft zich als getuige doen horen. 5.9. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de getuigenverklaringen niet met voldoende mate van zekerheid worden afgeleid dat [eisers] de door [gedaagden] gestelde toezegging heeft gedaan. De rechtbank licht dit als volgt toe. 5.10. [gedaagde 2] heeft het volgende verklaard: “Ik heb in een gesprek met buurman [eiser 1] gesproken over het verplaatsen van de schutting. Hij heeft toen gezegd dat het prima is om de schutting te laten staan waar die nu staat, tot dat die aan vervanging toe zou zijn. Dan zou die alsnog op de erfgrens geplaatst moeten worden.” [gedaagden] heeft deze verklaring bevestigd. [eiser 1] daarentegen heeft verklaard destijds “zeker geen toezegging” te hebben gedaan over het eventueel pas later verplaatsen van de schutting. Hij heeft verklaard dat over de schutting is gesproken toen hij met [gedaagde 2] “een rondje” door de tuin liep en dat de vraag over het al dan niet verplaatsen van de schutting hem op dat moment wat overviel. [eiser 2] was kennelijk niet bij dit gesprek aanwezig. 5.11. Om te kunnen vaststellen dat [eisers] de door [gedaagden] gestelde toezegging hebben gedaan, moet komen vast te staan dat [eiser 1] zich in die zin heeft uitgelaten of dat [gedaagden] de uitlatingen van [eiser 1] op dit punt redelijkerwijs zo hebben mogen begrijpen. Van geen van beide is naar het oordeel van de rechtbank sprake. Als uitgegaan wordt van de juistheid van de verklaring van [gedaagde 2] , dan volgt daaruit niet voldoende duidelijk dat [eisers] zich hebben willen binden aan een toezegging om niet eerder aanspraak te maken op het plaatsen van een schutting op de erfgrens dan wanneer de huidige schutting aan vervanging toe zou zijn. Dat [eiser 1] het op dat moment “prima” vond om de schutting te laten staan, is daarvoor onvoldoende. Gegeven de setting waarin het gesprekje tussen [eiser 1] en [gedaagden] plaatsvond, hebben [gedaagden] de uitlatingen van [eiser 1] op dit punt redelijkerwijs ook niet in die zin mogen begrijpen. Dit betekent dat geen sprake is van een toezegging van [eisers] die in de weg staat aan een vordering in de zin van artikel 5:49 BW. 5.12. In de tweede plaats betogen [gedaagden] dat het beroep van [eisers] op artikel 5:49 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Met het verplaatsen van de schutting naar de erfgrens winnen [eisers] een strookje grond van slechts 16 cm breed. Dit is zo weinig dat dit niet opweegt tegen de kosten die voor gedaagde gemoeid zullen zijn met het oprichten van een nieuwe schutting op de erfgrens, aldus [gedaagden] De rechtbank begrijpt dit betoog als een beroep op misbruik van bevoegdheid van [eisers] 5.13. De rechtbank verwerpt dit betoog. De huidige schutting is ongeveer 17,5 meter lang.
Volledig
[gedaagden] te veroordelen voorafgaand aan de werkzaamheden onder sub VII alle werkzaamheden te verrichten om deze werkzaamheden te kunnen (laten) uitvoeren, concreet te veroordelen om de grond achter de bestaande erfafscheiding vrij te maken van al hetgeen in de weg staat om de werkzaamheden onder sub VII uit te voeren, zoals het verwijderen van de tegels en elektradraden, uiterlijk 5 werkdagen voor de uitvoering van de werkzaamheden. XI. Al hetgeen toegewezen binnen 6 weken na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis, op straffe van een direct opeisbare dwangsom van €300,- per dag(deel) dat hieraan niet wordt voldaan, met een maximum van €15.000,- en hieraan toe te voegen dat [eisers] het recht toekomt om zodra [gedaagden] alle dwangsommen heeft laten verbeuren zelf de werkzaamheden te laten uitvoeren, voor de helft op kosten van [gedaagden] .” 4.2. [gedaagden] voeren verweer en concluderen deels tot afwijzing, deels tot gedeeltelijke toewijzing, met compensatie van de proceskosten. 5 De beoordeling [gedaagden] moeten meewerken aan het plaatsen van een erfafscheiding 5.1. Op grond van artikel 5:49 BW heeft de eigenaar van een erf het recht te vorderen dat zijn buren meewerken aan het plaatsen van een scheidsmuur op de grens van beide erven. De buren zijn verplicht de helft van de kosten hiervoor voor hun rekening te nemen. Dit recht bestaat alleen dan niet als een verordening of een plaatselijke gewoonte de wijze van de erfafscheiding anders regelt. Op grond van artikel 5:43 BW moet een scheidsmuur ondoorzichtig zijn. 5.2. [gedaagden] hebben zich op het standpunt gesteld dat in dit geval de in artikel 5:49 BW bedoelde uitzondering van toepassing is. Volgens hen is bij verordening bepaald dat een erfafscheiding niet een scheidsmuur als bedoeld in artikel 5:43 BW behoeft te zijn. Een heg op de erfgrens volstaat ook. De rechtbank verwerpt dit standpunt en wijst in dat verband op het volgende. 5.3. De relevante bepaling uit de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente [woonplaats] luidt als volgt, weergegeven voor zover van belang voor deze procedure: “Artikel 4:11c Afstand van de erfgrenslijn […] De afstand bedoeld in boek 5, artikel 42, van het Burgerlijk Wetboek wordt, in afwijking van het eerste lid van dit artikel, vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters.” De toelichting bij deze bepaling, zoals opgenomen in de conclusie van antwoord, luidt als volgt: “Artikel 4:11c Afstand van de erfgrenslijn […] Met “nihil” voor heggen en heesters is bedoeld deze natuurlijke wijze van erfbegrenzing te beschermen en tot de normale standaard te maken.” 5.4. Anders dan [gedaagden] betogen, kan hieruit niet worden afgeleid dat bij verordening is bepaald dat de erfafscheiding anders is geregeld dan voortvloeit uit artikel 5:49 BW. De door [gedaagden] ingeroepen bepaling uit de verordening ziet expliciet op de toegestane afstand van beplanting tot de erfgrens, waarmee een afwijking van het bepaalde in artikel 5:42 BW in het leven is geroepen. Dit is in beginsel iets anders dan een regeling waarmee wordt voorzien in een afwijking van het wettelijke recht om te vorderen dat de buren meewerken aan de oprichting van een scheidsmuur op de erfgrens. Uit niets blijkt dat met deze regeling mede is bedoeld een afwijking van het bepaalde in artikel 5:49 BW in het leven te roepen. Hieraan doet niet af dat de regeling in de verordening kennelijk is ingegeven door de wens van de gemeentelijke wetgever om te stimuleren dat erfafscheidingen bestaan uit heggen in plaats van schuttingen. 5.5. Van een van artikel 5:49 BW afwijkende verordening is dus geen sprake. [eisers] hebben onverminderd het recht – behoudens eventuele andersluidende afspraken en misbruik van bevoegdheid – om te vorderen dat [gedaagden] meewerken aan de oprichting van een scheidsmuur. 5.6. Op het achterste gedeelte van de achtertuinen ontbreekt enige vorm van erfafscheiding. [gedaagden] voeren geen verweer tegen de vordering van [eisers] voor zover die strekt tot het verlenen van medewerking van een scheidsmuur op dat achterste gedeelte. 5.7. Op het middelste gedeelte staat geen scheidsmuur op de erfgrens, maar bevindt zich een schutting op het perceel van [eisers] Zij stellen dat de schutting zich ongeveer 30 cm vanaf de erfgrens bevindt. Zij willen deze schutting verwijderen en op de erfgrens een nieuwe schutting plaatsen. [gedaagden] gaan uit van een afstand tot de erfgrens van ongeveer 16 cm. Hoe groot die afstand ook is, in beginsel zijn [eisers] gerechtigd om met medewerking van [gedaagden] een scheidsmuur op de erfgrens op te richten. 5.8. [gedaagden] verweren zich tegen dit deel van de vordering in de eerste plaats met het argument dat [eisers] hebben toegezegd de huidige schutting te zullen handhaven en pas aanspraak te maken op een nieuwe schutting op de erfgrens als de huidige schutting aan vervanging toe is. [eisers] betwisten dat zij die toezegging hebben gedaan. De rechtbank heeft op dit punt tijdens de mondelinge behandeling (op grond van artikel 87 lid 3 Rv) aan [gedaagden] – op wie de bewijslast rust – gelegenheid gegeven bewijs te leveren van het bestaan van de gestelde afspraak. [gedaagden] hebben zichzelf als getuigen doen horen. Ook [eisers] heeft zich als getuige doen horen. 5.9. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de getuigenverklaringen niet met voldoende mate van zekerheid worden afgeleid dat [eisers] de door [gedaagden] gestelde toezegging heeft gedaan. De rechtbank licht dit als volgt toe. 5.10. [gedaagde 2] heeft het volgende verklaard: “Ik heb in een gesprek met buurman [eiser 1] gesproken over het verplaatsen van de schutting. Hij heeft toen gezegd dat het prima is om de schutting te laten staan waar die nu staat, tot dat die aan vervanging toe zou zijn. Dan zou die alsnog op de erfgrens geplaatst moeten worden.” [gedaagden] heeft deze verklaring bevestigd. [eiser 1] daarentegen heeft verklaard destijds “zeker geen toezegging” te hebben gedaan over het eventueel pas later verplaatsen van de schutting. Hij heeft verklaard dat over de schutting is gesproken toen hij met [gedaagde 2] “een rondje” door de tuin liep en dat de vraag over het al dan niet verplaatsen van de schutting hem op dat moment wat overviel. [eiser 2] was kennelijk niet bij dit gesprek aanwezig. 5.11. Om te kunnen vaststellen dat [eisers] de door [gedaagden] gestelde toezegging hebben gedaan, moet komen vast te staan dat [eiser 1] zich in die zin heeft uitgelaten of dat [gedaagden] de uitlatingen van [eiser 1] op dit punt redelijkerwijs zo hebben mogen begrijpen. Van geen van beide is naar het oordeel van de rechtbank sprake. Als uitgegaan wordt van de juistheid van de verklaring van [gedaagde 2] , dan volgt daaruit niet voldoende duidelijk dat [eisers] zich hebben willen binden aan een toezegging om niet eerder aanspraak te maken op het plaatsen van een schutting op de erfgrens dan wanneer de huidige schutting aan vervanging toe zou zijn. Dat [eiser 1] het op dat moment “prima” vond om de schutting te laten staan, is daarvoor onvoldoende. Gegeven de setting waarin het gesprekje tussen [eiser 1] en [gedaagden] plaatsvond, hebben [gedaagden] de uitlatingen van [eiser 1] op dit punt redelijkerwijs ook niet in die zin mogen begrijpen. Dit betekent dat geen sprake is van een toezegging van [eisers] die in de weg staat aan een vordering in de zin van artikel 5:49 BW. 5.12. In de tweede plaats betogen [gedaagden] dat het beroep van [eisers] op artikel 5:49 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Met het verplaatsen van de schutting naar de erfgrens winnen [eisers] een strookje grond van slechts 16 cm breed. Dit is zo weinig dat dit niet opweegt tegen de kosten die voor gedaagde gemoeid zullen zijn met het oprichten van een nieuwe schutting op de erfgrens, aldus [gedaagden] De rechtbank begrijpt dit betoog als een beroep op misbruik van bevoegdheid van [eisers] 5.13. De rechtbank verwerpt dit betoog. De huidige schutting is ongeveer 17,5 meter lang.
Volledig
Als uitgegaan wordt van de door [gedaagden] gestelde breedte van de strook tussen de schutting en de erfgrens, betekent dit dat [gedaagden] 2,8 m2 grond van [eisers] in gebruik hebben. Hoewel partijen over diepe achtertuinen beschikken, kan niet worden gezegd dat dit dermate weinig is dat [eisers] , in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen hun belang bij het uitoefenen van hun bevoegdheden op basis van artikel 5:49 BW en het belang van [gedaagden] dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot die uitoefening kunnen komen (artikel 3:13 lid 2 BW). Niet alleen de totale oppervlakte van de strook grond is daarvoor van belang, maar ook het feit dat de percelen van partijen, zoals kan worden afgeleid uit de overgelegde foto’s en kaarten, relatief smal zijn. Van misbruik van bevoegdheid is dus geen sprake. Hierbij komt nog dat de strook grond groter is, omdat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de schutting niet evenwijdig aan de erfgrens loopt, waardoor de strook voor een deel breder is dan de door [gedaagden] gestelde 16 cm. 5.14. Ten aanzien van het voorste gedeelte geldt het volgende. Langs dit gedeelte staat op het perceel van [gedaagden] een heg. De aanwezigheid van een heg staat op zichzelf niet in de weg aan het recht van [eisers] om te vorderen dat op de erfgrens een schutting wordt geplaatst (zie 5.4). Dit kan anders zijn als [eisers] misbruik maken van hun bevoegdheid om deze medewerking van [gedaagden] te vorderen. Daarvan is, anders dan [gedaagden] menen, echter geen sprake. Niet ter discussie staat dat de heg niet ondoorzichtig is. De heg biedt daarom niet dezelfde waarborg voor privacy, terwijl het recht als bedoeld in artikel 5:49 BW, mede gelet op de definitie van een scheidsmuur zoals opgenomen in artikel 5:43 BW, juist (mede) het belang van die privacy dient. Ook hierbij is van belang dat de percelen relatief smal zijn. Verder staat tussen partijen vast dat de heg behouden kan blijven als op de erfgrens een schutting wordt geplaatst. Tegen deze achtergrond kan niet worden gezegd dat [eisers] misbruik maken van hun uit artikel 5:49 BW voortvloeiende bevoegdheid. 5.15. De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagden] verplicht zijn mee te werken aan de oprichting van een scheidsmuur op de erfgrens over de gehele diepte van de achtertuin. De vorderingen ten aanzien van het plaatsen van een schutting 5.16. [eisers] vorderen primair een verklaring voor recht dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, waarbij is overeengekomen dat partijen op gezamenlijke kosten zorgdragen voor een erfafscheiding. Dit deel van de vordering is niet toewijsbaar, omdat [eisers] daarbij onvoldoende belang hebben. Hun aanspraak op medewerking door [gedaagden] vloeit immers al voort uit artikel 5:49 BW. 5.17. De subsidiaire vordering onder VIII is wel toewijsbaar: [gedaagden] zullen worden veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan het plaatsen van een schutting van 2 meter hoog op de erfgrens. De termijn waarbinnen dit moet worden gerealiseerd wordt naar redelijkheid bepaald op vijf maanden. De door [eisers] gevorderde termijn van zes weken acht de rechtbank onredelijk kort, nu partijen waarschijnlijk afhankelijk zijn van de beschikbaarheid van een hovenier. 5.18. [eisers] vorderen dat [gedaagden] worden veroordeeld tot betaling van de helft van de kosten gemoeid met de oprichting van een schutting. Deze vordering wijst de rechtbank niet toe, omdat op dit moment nog niet zeker is wat die kosten zullen zijn. Een veroordeling tot betaling van een onbepaald bedrag laat zich niet zonder meer ten uitvoer leggen of zal gemakkelijk leiden tot executiegeschillen. Omdat partijen naast elkaar wonen, acht de rechtbank dat in hoge mate onwenselijk. Evenmin toewijsbaar is de vordering voor zover die ertoe strekt dat [gedaagden] bij voorbaat worden verplicht om akkoord te gaan met een offerte voor het plaatsen van de schutting. Dit laat uiteraard onverlet dat [gedaagden] op grond van artikel 5:49 BW verplicht zijn de helft van de kosten van de oprichting van een schutting voor hun rekening te nemen. 5.19. Verder vorderen [eisers] dat [gedaagden] worden veroordeeld om de grond aan hun zijde van de bestaande schutting vrij te maken, zodat op de erfgrens de nieuwe schutting kan worden geplaatst. Deze vordering wordt toegewezen. Vast staat dat de grond tussen de erfgrens en de huidige schutting bij [gedaagden] in gebruik is. Zij hebben daarop betegeling en mogelijk andere zaken zoals elektraleidingen aangebracht. De verplichting om mee te werken aan de oprichting van een schutting op de erfgrens impliceert dat [gedaagden] deze zaken tijdig voorafgaand aan die werkzaamheden verwijderen. Een uitzondering geldt voor de boomstronk die zich op de erfgrens bevindt. Het verwijderen daarvan is onderdeel van de noodzakelijke werkzaamheden om de scheidsmuur te kunnen oprichten. Dit is dus een gezamenlijke verantwoordelijkheid van partijen. [eisers] zien dit zelf overigens ook zo. 5.20. [eisers] vorderen een dwangsom voor het geval [gedaagden] niet aan de hiervoor bedoelde verplichtingen voldoen. Voor het geval de maximale dwangsom is volgelopen, vorderen [eisers] dat zij worden gemachtigd om de betrokken werkzaamheden zelf te laten uitvoeren. De rechtbank begrijpt dit als een vordering zoals bedoeld in artikel 3:299 BW. Beide vorderingen wijst de rechtbank af. In de eerste plaats omdat niet te verwachten valt dat [gedaagden] zich niet aan de veroordelingen zullen houden. In de tweede plaats omdat toewijzing van beide vorderingen de verstandhouding tussen partijen naar verwachting op voorhand verder onder druk zet. Dat is onwenselijk, ook omdat partijen met elkaar zullen moeten overleggen over de precieze vormgeving van de schutting en de daarmee gemoeide kosten. Alleen de camera aan de voorgevel moet worden verwijderd 5.21. Voor de beoordeling van de vordering tot verwijdering van de camera’s is het volgende toetsingskader relevant. Uitgangspunt is dat het een eigenaar van een onroerende zaak is toegestaan om bewakingscamera’s te hebben ter beveiliging van het eigen erf. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Onder omstandigheden kan de aanwezigheid van een camera onrechtmatig zijn tegenover een ander, omdat met de camera een inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van die ander. Een rechtvaardigingsgrond kan aan die inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of hiervan sprake is, moet worden beoordeeld door de wederzijdse belangen tegen elkaar af te wegen. 5.22. Camera 1 bevindt zich aan de achterzijde. Deze is gericht op de toegangsdeur tot het souterrain (op tuinniveau). [gedaagden] hebben onbetwist gesteld dat het kantoor van [gedaagde 2] is gevestigd in dat souterrain, dat hij een administratie- en belastingadvieskantoor drijft en dat hij in verband daarmee privacygevoelige gegevens in zijn kantoor bewaart. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] hiermee in beginsel een gerechtvaardigd belang hebben om de camera te hebben en te houden op de plaats waar deze nu is gemonteerd. 5.23. [eisers] menen dat de camera niettemin een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op hun persoonlijke levenssfeer omdat deze ook zicht heeft op de toegangsdeur van [eisers] tot hun achtertuin. Iedere keer dat zij hun achtertuin via die deur in- of uitgaan, kunnen zij dus gefilmd worden. De rechtbank verwerpt dit betoog. Uit de overgelegde beelden blijkt dat de camera weliswaar gericht staat in de richting van de toegangsdeur van [eisers] , maar deze slechts heel beperkt in beeld heeft. Dat komt omdat zich tussen de camera en de toegangsdeur nog een trap bevindt (waarmee kennelijk vanaf de tuin van [gedaagden] naar hun woonkamer kan worden gegaan). Die trap breekt het zicht op de toegangsdeur in relevante mate. Via de camera zal zichtbaar kunnen zijn dat de toegangsdeur geopend wordt en dat er iemand doorheen gaat, maar niet zonder meer aannemelijk is dat die persoon daarmee herkenbaar in beeld komt. In dit verband is van belang dat niet alleen [eisers] en hun gezinsleden van de toegangsdeur gebruik maken, maar ook de eigenaren van de twee woningen aan hun andere zijde.
Volledig
Als uitgegaan wordt van de door [gedaagden] gestelde breedte van de strook tussen de schutting en de erfgrens, betekent dit dat [gedaagden] 2,8 m2 grond van [eisers] in gebruik hebben. Hoewel partijen over diepe achtertuinen beschikken, kan niet worden gezegd dat dit dermate weinig is dat [eisers] , in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen hun belang bij het uitoefenen van hun bevoegdheden op basis van artikel 5:49 BW en het belang van [gedaagden] dat daardoor wordt geschaad, in redelijkheid niet tot die uitoefening kunnen komen (artikel 3:13 lid 2 BW). Niet alleen de totale oppervlakte van de strook grond is daarvoor van belang, maar ook het feit dat de percelen van partijen, zoals kan worden afgeleid uit de overgelegde foto’s en kaarten, relatief smal zijn. Van misbruik van bevoegdheid is dus geen sprake. Hierbij komt nog dat de strook grond groter is, omdat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de schutting niet evenwijdig aan de erfgrens loopt, waardoor de strook voor een deel breder is dan de door [gedaagden] gestelde 16 cm. 5.14. Ten aanzien van het voorste gedeelte geldt het volgende. Langs dit gedeelte staat op het perceel van [gedaagden] een heg. De aanwezigheid van een heg staat op zichzelf niet in de weg aan het recht van [eisers] om te vorderen dat op de erfgrens een schutting wordt geplaatst (zie 5.4). Dit kan anders zijn als [eisers] misbruik maken van hun bevoegdheid om deze medewerking van [gedaagden] te vorderen. Daarvan is, anders dan [gedaagden] menen, echter geen sprake. Niet ter discussie staat dat de heg niet ondoorzichtig is. De heg biedt daarom niet dezelfde waarborg voor privacy, terwijl het recht als bedoeld in artikel 5:49 BW, mede gelet op de definitie van een scheidsmuur zoals opgenomen in artikel 5:43 BW, juist (mede) het belang van die privacy dient. Ook hierbij is van belang dat de percelen relatief smal zijn. Verder staat tussen partijen vast dat de heg behouden kan blijven als op de erfgrens een schutting wordt geplaatst. Tegen deze achtergrond kan niet worden gezegd dat [eisers] misbruik maken van hun uit artikel 5:49 BW voortvloeiende bevoegdheid. 5.15. De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagden] verplicht zijn mee te werken aan de oprichting van een scheidsmuur op de erfgrens over de gehele diepte van de achtertuin. De vorderingen ten aanzien van het plaatsen van een schutting 5.16. [eisers] vorderen primair een verklaring voor recht dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, waarbij is overeengekomen dat partijen op gezamenlijke kosten zorgdragen voor een erfafscheiding. Dit deel van de vordering is niet toewijsbaar, omdat [eisers] daarbij onvoldoende belang hebben. Hun aanspraak op medewerking door [gedaagden] vloeit immers al voort uit artikel 5:49 BW. 5.17. De subsidiaire vordering onder VIII is wel toewijsbaar: [gedaagden] zullen worden veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan het plaatsen van een schutting van 2 meter hoog op de erfgrens. De termijn waarbinnen dit moet worden gerealiseerd wordt naar redelijkheid bepaald op vijf maanden. De door [eisers] gevorderde termijn van zes weken acht de rechtbank onredelijk kort, nu partijen waarschijnlijk afhankelijk zijn van de beschikbaarheid van een hovenier. 5.18. [eisers] vorderen dat [gedaagden] worden veroordeeld tot betaling van de helft van de kosten gemoeid met de oprichting van een schutting. Deze vordering wijst de rechtbank niet toe, omdat op dit moment nog niet zeker is wat die kosten zullen zijn. Een veroordeling tot betaling van een onbepaald bedrag laat zich niet zonder meer ten uitvoer leggen of zal gemakkelijk leiden tot executiegeschillen. Omdat partijen naast elkaar wonen, acht de rechtbank dat in hoge mate onwenselijk. Evenmin toewijsbaar is de vordering voor zover die ertoe strekt dat [gedaagden] bij voorbaat worden verplicht om akkoord te gaan met een offerte voor het plaatsen van de schutting. Dit laat uiteraard onverlet dat [gedaagden] op grond van artikel 5:49 BW verplicht zijn de helft van de kosten van de oprichting van een schutting voor hun rekening te nemen. 5.19. Verder vorderen [eisers] dat [gedaagden] worden veroordeeld om de grond aan hun zijde van de bestaande schutting vrij te maken, zodat op de erfgrens de nieuwe schutting kan worden geplaatst. Deze vordering wordt toegewezen. Vast staat dat de grond tussen de erfgrens en de huidige schutting bij [gedaagden] in gebruik is. Zij hebben daarop betegeling en mogelijk andere zaken zoals elektraleidingen aangebracht. De verplichting om mee te werken aan de oprichting van een schutting op de erfgrens impliceert dat [gedaagden] deze zaken tijdig voorafgaand aan die werkzaamheden verwijderen. Een uitzondering geldt voor de boomstronk die zich op de erfgrens bevindt. Het verwijderen daarvan is onderdeel van de noodzakelijke werkzaamheden om de scheidsmuur te kunnen oprichten. Dit is dus een gezamenlijke verantwoordelijkheid van partijen. [eisers] zien dit zelf overigens ook zo. 5.20. [eisers] vorderen een dwangsom voor het geval [gedaagden] niet aan de hiervoor bedoelde verplichtingen voldoen. Voor het geval de maximale dwangsom is volgelopen, vorderen [eisers] dat zij worden gemachtigd om de betrokken werkzaamheden zelf te laten uitvoeren. De rechtbank begrijpt dit als een vordering zoals bedoeld in artikel 3:299 BW. Beide vorderingen wijst de rechtbank af. In de eerste plaats omdat niet te verwachten valt dat [gedaagden] zich niet aan de veroordelingen zullen houden. In de tweede plaats omdat toewijzing van beide vorderingen de verstandhouding tussen partijen naar verwachting op voorhand verder onder druk zet. Dat is onwenselijk, ook omdat partijen met elkaar zullen moeten overleggen over de precieze vormgeving van de schutting en de daarmee gemoeide kosten. Alleen de camera aan de voorgevel moet worden verwijderd 5.21. Voor de beoordeling van de vordering tot verwijdering van de camera’s is het volgende toetsingskader relevant. Uitgangspunt is dat het een eigenaar van een onroerende zaak is toegestaan om bewakingscamera’s te hebben ter beveiliging van het eigen erf. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Onder omstandigheden kan de aanwezigheid van een camera onrechtmatig zijn tegenover een ander, omdat met de camera een inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van die ander. Een rechtvaardigingsgrond kan aan die inbreuk het onrechtmatige karakter ontnemen. Of hiervan sprake is, moet worden beoordeeld door de wederzijdse belangen tegen elkaar af te wegen. 5.22. Camera 1 bevindt zich aan de achterzijde. Deze is gericht op de toegangsdeur tot het souterrain (op tuinniveau). [gedaagden] hebben onbetwist gesteld dat het kantoor van [gedaagde 2] is gevestigd in dat souterrain, dat hij een administratie- en belastingadvieskantoor drijft en dat hij in verband daarmee privacygevoelige gegevens in zijn kantoor bewaart. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] hiermee in beginsel een gerechtvaardigd belang hebben om de camera te hebben en te houden op de plaats waar deze nu is gemonteerd. 5.23. [eisers] menen dat de camera niettemin een ongerechtvaardigde inbreuk maakt op hun persoonlijke levenssfeer omdat deze ook zicht heeft op de toegangsdeur van [eisers] tot hun achtertuin. Iedere keer dat zij hun achtertuin via die deur in- of uitgaan, kunnen zij dus gefilmd worden. De rechtbank verwerpt dit betoog. Uit de overgelegde beelden blijkt dat de camera weliswaar gericht staat in de richting van de toegangsdeur van [eisers] , maar deze slechts heel beperkt in beeld heeft. Dat komt omdat zich tussen de camera en de toegangsdeur nog een trap bevindt (waarmee kennelijk vanaf de tuin van [gedaagden] naar hun woonkamer kan worden gegaan). Die trap breekt het zicht op de toegangsdeur in relevante mate. Via de camera zal zichtbaar kunnen zijn dat de toegangsdeur geopend wordt en dat er iemand doorheen gaat, maar niet zonder meer aannemelijk is dat die persoon daarmee herkenbaar in beeld komt. In dit verband is van belang dat niet alleen [eisers] en hun gezinsleden van de toegangsdeur gebruik maken, maar ook de eigenaren van de twee woningen aan hun andere zijde.
Volledig
Ook acht de rechtbank van belang dat, zoals [gedaagden] onbetwist hebben gesteld, de camera alleen filmt als iemand de deur naar het souterrain nadert. Dat betekent dat de camera niet filmt als iemand de toegangsdeur naar de tuin van [eisers] opent, tenzij op dat moment toevallig ook iemand in de buurt van de deur naar het souterrain van [gedaagden] is. Dat de camera in theorie ook zo ingesteld kan worden dat deze permanent filmt, legt geen gewicht in de schaal, nu [eisers] niets hebben gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [gedaagden] voornemens zijn om de camera op die manier in te stellen. 5.24. De rechtbank komt tot de conclusie dat het belang van [gedaagden] bij behoud van de camera zwaarder weegt dan het belang van [eisers] bij verwijdering daarvan. 5.25. Camera 2 hangt aan de voorgevel. De camera geeft zicht op de voortuin van [gedaagden] en op een stuk van de daarachter gelegen openbare weg. Op dat gedeelte van de openbare weg bevindt zich een parkeerplaats, waarvan [gedaagden] op grond van een parkeervergunning exclusief gebruik kunnen maken. [gedaagden] hebben de camera gemonteerd omdat zij enkele keren het slachtoffer zijn geweest van vandalisme tegen hun auto. In het voorkomen hiervan is hun belang bij de camera gelegen, zo betogen zij. [eisers] stellen dat [gedaagden] met deze camera inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van [eisers] , omdat zij vrijwel dagelijks over de openbare weg naar hun eigen perceel lopen. Bovendien kan de camera ook opnamen maken van geluid van het perceel van [eisers] 5.26. De rechtbank is van oordeel dat het belang van [eisers] gemoeid met het beschermen van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het belang van [gedaagden] bij het voorkomen van beschadiging van hun eigendommen. De camera is niet alleen gericht op de achtertuin van [gedaagden] , maar ook op de openbare weg. [eisers] moeten zich in beginsel in vrijheid over de openbare weg kunnen bewegen, zonder rekening te hoeven houden met camera’s die hun bewegingen kunnen vastleggen. Zij kunnen weliswaar aan een deel van het zicht van de camera ontsnappen door niet tussen de auto en de voortuin van [gedaagden] naar hun eigen woning te lopen, maar ook dat is een beperking van hun bewegingsvrijheid die zij in beginsel niet behoeven te dulden. Bovendien zijn [gedaagden] ook wel eens met de auto op pad en op die momenten geeft de camera onbelemmerd zicht op de openbare weg en dus op iedereen die daar voorbij komt. De inbreuk op de bewegingsvrijheid van [eisers] weegt zwaar, juist omdat deze afkomstig is van buren met wie zij in onmin leven. Daarom is van minder belang dat, zoals [gedaagden] hebben aangevoerd, elders in de straat bij andere woningen ook camera’s hangen. Tegenover dit alles legt het belang van [gedaagden] bij het voorkomen van beschadiging van hun eigendom minder gewicht in de schaal. De rechtbank weegt daarin mee dat de camera slechts één zijkant van de auto in beeld heeft. De rest van de auto blijft buiten beeld en kan dus alsnog worden beschadigd zonder dat daarvan beeldmateriaal gemaakt kan worden. Dit relativeert het belang bij behoud van de camera. 5.27. De rechtbank verwerpt het betoog van [gedaagden] dat [eisers] met hun vordering ten aanzien van camera 2 misbruik van procesrecht maken omdat zij in het buitengerechtelijke traject alleen een punt hebben gemaakt van camera 1. Dat is namelijk onvoldoende om van misbruik van procesrecht te kunnen spreken, ook als aangenomen zou moeten worden dat [eisers] in dat buitengerechtelijke traject genoegen zouden hebben genomen met uitsluitend verwijdering van camera 1. 5.28. De rechtbank concludeert dat [gedaagden] onrechtmatig jegens [eisers] handelen door het hebben van de camera aan de voorgevel. Zij zullen worden veroordeeld tot het verwijderen en verwijderd houden van deze camera. De termijn voor het verwijderen van deze camera zal bepaald worden op twee weken. De rechtbank ziet geen aanleiding een dwangsom op te leggen, omdat aangenomen mag worden dat [gedaagden] zich aan deze veroordeling houden. 5.29. Camera 3 bevindt zich in de zogenoemde slimme deurbel van [gedaagden] De deurbel is geplaatst op het kozijn van de voordeur. Omdat de voordeuren van beide woningen zich recht tegenover elkaar bevinden, is de camera op de voordeur van [eisers] gericht. Hoewel dit op zichzelf een ongerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zou kunnen opleveren, is daarvan in dit concrete geval toch geen sprake. Daartoe wijst de rechtbank op het volgende. 5.30. [gedaagden] hebben aangevoerd dat zij de camera op de deurbel hebben afgeplakt. Zij hebben dit gedaan nadat zij over de camera in hun deurbel een brief hadden ontvangen van de Autoriteit persoonsgegevens. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [gedaagden] uitdrukkelijk verklaard van plan te zijn de camera afgeplakt te houden. [eisers] hebben dit niet betwist. Zij stellen echter te vermoeden dat de inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer nog altijd doorgaat, omdat de deurbel ook geluid kan opnemen en mogelijk zelfs door de sticker heen kan filmen. Dit laatste vermoeden hebben [eisers] op geen enkele wijze geconcretiseerd, zodat de rechtbank daaraan als onvoldoende gemotiveerd voorbij gaat. [gedaagden] hebben uitdrukkelijk betwist dat de deurbel voortdurend geluidsopnamen maakt. Hiertegenover hebben [eisers] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet onderbouwd dat [gedaagden] op dit moment daadwerkelijk een zodanige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eisers] maken dat het hebben van de deurbel als onrechtmatig moet worden beschouwd. Daarbij speelt een rol dat [gedaagden] een gerechtvaardigd belang hebben bij het hebben van een deurbel door middel waarvan met bezoekers kan worden gecommuniceerd, omdat [gedaagde 2] kantoor houdt in het souterrain en niet goed ter been is. 5.31. Dit betekent dat de vordering tot verwijdering van camera 3 niet toewijsbaar is. De rechtbank wijst er volledigheidshalve nog op dat deze afweging anders kan uitvallen als [gedaagden] besluiten de sticker van de camera te verwijderen. Geen grond bestaat echter om op die mogelijkheid vooruit te lopen en [gedaagden] nu al te dwingen een andere deurbel te installeren. De rechtbank laat verder onbesproken dat, zoals tijdens de mondelinge behandeling is gebleken, ook [eisers] enige tijd een camera in hun voordeur hadden die was gericht op de voordeur van [gedaagden] De proceskosten worden gecompenseerd 5.32. Beide partijen worden over en weer op verschillende punten in het ongelijk gesteld. Daarom worden de proceskosten gecompenseerd. Dat betekent dat ieder de eigen kosten draagt. De vonnis is uitvoerbaar bij voorraad 5.33. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, zodat het ook nageleefd moet worden als een van partijen besluit in hoger beroep te gaan. 6 De beslissing De rechtbank 6.1. veroordeelt [gedaagden] de camera aan de voorzijde van hun woning binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te verwijderen en verwijderd te houden; 6.2. veroordeelt [gedaagden] tot het verlenen van medewerking aan het plaatsen van een scheidsmuur van 2 meter hoog op de erfgrens ter plaatse van de achtertuinen, een en ander binnen vijf maanden na betekening van dit vonnis; 6.3. veroordeelt [gedaagden] om uiterlijk vijf dagen voordat de in 6.2 bedoelde scheidsmuur wordt geplaatst al hun eigendommen aanwezig op de strook grond tussen de erfgrens en de huidige schutting, met uitzondering van de aldaar aanwezige boomstronk, te verwijderen en verwijderd te houden; 6.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.5. compenseert de proceskosten, zodat iedere partij de eigen kosten draagt; 6.6. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026. 1980/3194
Volledig
Ook acht de rechtbank van belang dat, zoals [gedaagden] onbetwist hebben gesteld, de camera alleen filmt als iemand de deur naar het souterrain nadert. Dat betekent dat de camera niet filmt als iemand de toegangsdeur naar de tuin van [eisers] opent, tenzij op dat moment toevallig ook iemand in de buurt van de deur naar het souterrain van [gedaagden] is. Dat de camera in theorie ook zo ingesteld kan worden dat deze permanent filmt, legt geen gewicht in de schaal, nu [eisers] niets hebben gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [gedaagden] voornemens zijn om de camera op die manier in te stellen. 5.24. De rechtbank komt tot de conclusie dat het belang van [gedaagden] bij behoud van de camera zwaarder weegt dan het belang van [eisers] bij verwijdering daarvan. 5.25. Camera 2 hangt aan de voorgevel. De camera geeft zicht op de voortuin van [gedaagden] en op een stuk van de daarachter gelegen openbare weg. Op dat gedeelte van de openbare weg bevindt zich een parkeerplaats, waarvan [gedaagden] op grond van een parkeervergunning exclusief gebruik kunnen maken. [gedaagden] hebben de camera gemonteerd omdat zij enkele keren het slachtoffer zijn geweest van vandalisme tegen hun auto. In het voorkomen hiervan is hun belang bij de camera gelegen, zo betogen zij. [eisers] stellen dat [gedaagden] met deze camera inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van [eisers] , omdat zij vrijwel dagelijks over de openbare weg naar hun eigen perceel lopen. Bovendien kan de camera ook opnamen maken van geluid van het perceel van [eisers] 5.26. De rechtbank is van oordeel dat het belang van [eisers] gemoeid met het beschermen van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het belang van [gedaagden] bij het voorkomen van beschadiging van hun eigendommen. De camera is niet alleen gericht op de achtertuin van [gedaagden] , maar ook op de openbare weg. [eisers] moeten zich in beginsel in vrijheid over de openbare weg kunnen bewegen, zonder rekening te hoeven houden met camera’s die hun bewegingen kunnen vastleggen. Zij kunnen weliswaar aan een deel van het zicht van de camera ontsnappen door niet tussen de auto en de voortuin van [gedaagden] naar hun eigen woning te lopen, maar ook dat is een beperking van hun bewegingsvrijheid die zij in beginsel niet behoeven te dulden. Bovendien zijn [gedaagden] ook wel eens met de auto op pad en op die momenten geeft de camera onbelemmerd zicht op de openbare weg en dus op iedereen die daar voorbij komt. De inbreuk op de bewegingsvrijheid van [eisers] weegt zwaar, juist omdat deze afkomstig is van buren met wie zij in onmin leven. Daarom is van minder belang dat, zoals [gedaagden] hebben aangevoerd, elders in de straat bij andere woningen ook camera’s hangen. Tegenover dit alles legt het belang van [gedaagden] bij het voorkomen van beschadiging van hun eigendom minder gewicht in de schaal. De rechtbank weegt daarin mee dat de camera slechts één zijkant van de auto in beeld heeft. De rest van de auto blijft buiten beeld en kan dus alsnog worden beschadigd zonder dat daarvan beeldmateriaal gemaakt kan worden. Dit relativeert het belang bij behoud van de camera. 5.27. De rechtbank verwerpt het betoog van [gedaagden] dat [eisers] met hun vordering ten aanzien van camera 2 misbruik van procesrecht maken omdat zij in het buitengerechtelijke traject alleen een punt hebben gemaakt van camera 1. Dat is namelijk onvoldoende om van misbruik van procesrecht te kunnen spreken, ook als aangenomen zou moeten worden dat [eisers] in dat buitengerechtelijke traject genoegen zouden hebben genomen met uitsluitend verwijdering van camera 1. 5.28. De rechtbank concludeert dat [gedaagden] onrechtmatig jegens [eisers] handelen door het hebben van de camera aan de voorgevel. Zij zullen worden veroordeeld tot het verwijderen en verwijderd houden van deze camera. De termijn voor het verwijderen van deze camera zal bepaald worden op twee weken. De rechtbank ziet geen aanleiding een dwangsom op te leggen, omdat aangenomen mag worden dat [gedaagden] zich aan deze veroordeling houden. 5.29. Camera 3 bevindt zich in de zogenoemde slimme deurbel van [gedaagden] De deurbel is geplaatst op het kozijn van de voordeur. Omdat de voordeuren van beide woningen zich recht tegenover elkaar bevinden, is de camera op de voordeur van [eisers] gericht. Hoewel dit op zichzelf een ongerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zou kunnen opleveren, is daarvan in dit concrete geval toch geen sprake. Daartoe wijst de rechtbank op het volgende. 5.30. [gedaagden] hebben aangevoerd dat zij de camera op de deurbel hebben afgeplakt. Zij hebben dit gedaan nadat zij over de camera in hun deurbel een brief hadden ontvangen van de Autoriteit persoonsgegevens. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [gedaagden] uitdrukkelijk verklaard van plan te zijn de camera afgeplakt te houden. [eisers] hebben dit niet betwist. Zij stellen echter te vermoeden dat de inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer nog altijd doorgaat, omdat de deurbel ook geluid kan opnemen en mogelijk zelfs door de sticker heen kan filmen. Dit laatste vermoeden hebben [eisers] op geen enkele wijze geconcretiseerd, zodat de rechtbank daaraan als onvoldoende gemotiveerd voorbij gaat. [gedaagden] hebben uitdrukkelijk betwist dat de deurbel voortdurend geluidsopnamen maakt. Hiertegenover hebben [eisers] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet onderbouwd dat [gedaagden] op dit moment daadwerkelijk een zodanige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eisers] maken dat het hebben van de deurbel als onrechtmatig moet worden beschouwd. Daarbij speelt een rol dat [gedaagden] een gerechtvaardigd belang hebben bij het hebben van een deurbel door middel waarvan met bezoekers kan worden gecommuniceerd, omdat [gedaagde 2] kantoor houdt in het souterrain en niet goed ter been is. 5.31. Dit betekent dat de vordering tot verwijdering van camera 3 niet toewijsbaar is. De rechtbank wijst er volledigheidshalve nog op dat deze afweging anders kan uitvallen als [gedaagden] besluiten de sticker van de camera te verwijderen. Geen grond bestaat echter om op die mogelijkheid vooruit te lopen en [gedaagden] nu al te dwingen een andere deurbel te installeren. De rechtbank laat verder onbesproken dat, zoals tijdens de mondelinge behandeling is gebleken, ook [eisers] enige tijd een camera in hun voordeur hadden die was gericht op de voordeur van [gedaagden] De proceskosten worden gecompenseerd 5.32. Beide partijen worden over en weer op verschillende punten in het ongelijk gesteld. Daarom worden de proceskosten gecompenseerd. Dat betekent dat ieder de eigen kosten draagt. De vonnis is uitvoerbaar bij voorraad 5.33. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, zodat het ook nageleefd moet worden als een van partijen besluit in hoger beroep te gaan. 6 De beslissing De rechtbank 6.1. veroordeelt [gedaagden] de camera aan de voorzijde van hun woning binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te verwijderen en verwijderd te houden; 6.2. veroordeelt [gedaagden] tot het verlenen van medewerking aan het plaatsen van een scheidsmuur van 2 meter hoog op de erfgrens ter plaatse van de achtertuinen, een en ander binnen vijf maanden na betekening van dit vonnis; 6.3. veroordeelt [gedaagden] om uiterlijk vijf dagen voordat de in 6.2 bedoelde scheidsmuur wordt geplaatst al hun eigendommen aanwezig op de strook grond tussen de erfgrens en de huidige schutting, met uitzondering van de aldaar aanwezige boomstronk, te verwijderen en verwijderd te houden; 6.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.5. compenseert de proceskosten, zodat iedere partij de eigen kosten draagt; 6.6. wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026. 1980/3194